Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:4036

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 29-11-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 29-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:4036, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201907998/1/V3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:4036:DOC

201907998/1/V3.Datum uitspraak: 29 november 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:[de vreemdeling],appellant,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 oktober 2019 in zaak nr. NL19.23885 in het geding tussen:de vreemdelingende staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.ProcesverloopBij besluit van 4 oktober 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.Bij uitspraak van 28 oktober 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.K. Bhadai, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.Overwegingen1.    Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. De vreemdeling legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000).2.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.w.g. Steendijk    w.g. Van Meurs-Heuvellid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 29 november 2019466-945.