Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:403

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-02-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 13-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:403, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201805103/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:403:DOC

201805103/1/A1.Datum uitspraak: 13 februari 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1.    het college van burgemeester en wethouders van Laren (hierna: burgemeester en wethouders),2.    het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: gedeputeerde staten),appellanten,
tegen de tussenuitspraak van 4 mei 2017 en de einduitspraak van 8 mei 2018 van de rechtbank Midden-Nederland in zaak nrs. 14/6346 en 14/6373 in het geding tussen:
[wederpartij A][wederpartij B]
en
burgemeester en wethouders.
Procesverloop
Bij besluit van 26 augustus 2014 hebben burgemeester en wethouders aan de provincie Noord-Holland een omgevingsvergunning verleend voor de reconstructie van de N525 en het aanpassen van de af- en opritten van de A1.
Bij tussenuitspraak van 4 mei 2017 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de rechtbank burgemeester en wethouders in de gelegenheid gesteld om gebreken in het besluit van 26 augustus 2014 te herstellen.
Bij besluit van 18 juli 2017 hebben burgemeester en wethouders de motivering van het besluit van 26 augustus 2014 aangevuld.
Bij uitspraak van 8 mei 2018 (hierna: de einduitspraak) heeft de rechtbank de door [wederpartij A] en [wederpartij B] tegen het besluit van 26 augustus 2014, zoals aangevuld bij besluit van 18 juli 2017, ingestelde beroepen gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en burgemeester en wethouders opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. De tussenuitspraak en de einduitspraak zijn aangehecht.
Tegen de tussenuitspraak en de einduitspraak hebben burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten hoger beroep ingesteld.
[wederpartij A] en [wederpartij B] hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 januari 2019, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door A.F. Testor en J.T. van Kooten, en gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. R.D. Reinders, advocaat te Den Haag, mr. A.F.P. van Mierlo, J. Coopmans, J. Derksen en D. Janmaat, zijn verschenen. Op de zitting zijn voorts [wederpartij A], bijgestaan door mr. E.F.J.A.M. de Wit, rechtsbijstandverlener te Leusden, en [wederpartij B], bijgestaan door mr. A.M.L. Josten, rechtsbijstandverlener te Apeldoorn, gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1.    De bij besluit van 26 augustus 2014 vergunde reconstructie bestaat onder meer uit het toevoegen van een extra rijstrook aan de N525 (de Hilversumseweg) in noordoostelijke richting, het realiseren van een extra rijstrook bij de op- en afritten van en naar de A1 en het plaatsen/aanpassen van geluidsschermen. Het project is inmiddels uitgevoerd.
    [wederpartij A] en [wederpartij B] wonen beiden in Laren. [wederpartij A] woont op het perceel [locatie 1]. Zijn perceel grenst direct aan de Hilversumseweg en ligt op korte afstand van de oprit naar de A1 richting Amersfoort. De uiterste punt van het perceel van [wederpartij B], [locatie 2], ligt op ongeveer 10 m van de Hilversumseweg.
    In de tussenuitspraak heeft de rechtbank onder meer overwogen dat burgemeester en wethouders onvoldoende inzichtelijk hebben gemaakt welke gevolgen het besluit van 26 augustus 2014 heeft voor de cumulatieve geluidbelasting bij de woningen van [wederpartij A] en [wederpartij B] en dat burgemeester en wethouders al met al onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de verkeersgegevens die ten grondslag liggen aan het rapport van Royal HaskoningDHV van 24 januari 2014, over de geluidbelasting door de A1, een representatief beeld geven van de bestaande en te verwachten situatie. De rechtbank heeft voorts overwogen dat in het rapport van Alcedo van 11 september 2015 is gesteld dat het project, ook als wordt uitgegaan van de door Royal HaskoningDHV gehanteerde verkeersintensiteiten, bij een verfijnde modellering leidt tot een lichte toename van de cumulatieve geluidbelasting bij beide woningen. Het ligt volgens de rechtbank op de weg van burgemeester en wethouders om te motiveren waarom het deze geringe toename ruimtelijk aanvaardbaar acht, maar een dergelijke motivering ontbreekt. Nadat burgemeester en wethouders bij besluit van 18 juli 2017 aan de hand van twee notities van Royal HaskoningDHV van 30 juni 2017 en een notitie van Royal HaskoningDHV van 10 juli 2017 de motivering van het besluit van 26 augustus 2014 hebben aangevuld, heeft de rechtbank in de einduitspraak overwogen dat de in de tussenuitspraak beschreven gebreken niet zijn hersteld. Zij heeft daarom het besluit van 26 augustus 2014, zoals aangevuld bij besluit van 18 juli 2017, vernietigd en burgemeester en wethouders opgedragen opnieuw op de aanvraag om omgevingsvergunning te beslissen.
Beoordeling van de hoger beroepen
2.    Burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten betogen dat de rechtbank in de aangevallen uitspraken ten onrechte heeft overwogen dat het in de rede ligt de feitelijke geluidbelasting bij de woningen van [wederpartij A] en [wederpartij B] te meten in plaats van te berekenen. Volgens hen geeft het meten van de geluidbelasting geen volledig en juist beeld van de gecompliceerde situatie en is dat in strijd met het Reken- en meetvoorschrift Geluid 2012 (hierna: het Reken- en meetvoorschrift). Ter onderbouwing van hun standpunten verwijzen zij naar bijlage 3 bij de door Royal HaskoningDHV opgestelde "Nadere toelichting op verkeerskundige en geluidstechnische onderbouwing reconstructie N525" van 18 juli 2018 waarin een nadere toelichting wordt gegeven op de notities van 30 juni 2017 en 10 juli 2017. Gedeputeerde staten wijst voorts op de toelichting bij artikel 3.2 van het Reken- en meetvoorschrift.
2.1.    Artikel 3.2 van het Reken- en meetvoorschrift luidt:
"1. Het equivalent geluidsniveau wordt bepaald volgens de in hoofdstuk 2 van bijlage III bij deze regeling beschreven Standaardrekenmethode 2.
2. In afwijking van het eerste lid kan het equivalent geluidsniveau worden bepaald volgens de in hoofdstuk 1 van bijlage III bij deze regeling beschreven Standaardrekenmethode 1, indien de desbetreffende situatie valt binnen het toepassingsgebied van die Standaardrekenmethode 1.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan het equivalent geluidsniveau tevens worden bepaald volgens de Standaardmeetmethode, bedoeld in hoofdstuk 3 van bijlage III bij deze regeling, indien de desbetreffende situatie valt binnen het toepassingsgebied van die Standaardmeetmethode."
2.2.    Burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten betogen terecht dat de rechtbank in de aangevallen uitspraken ten onrechte heeft overwogen dat het in de rede ligt de feitelijke geluidbelasting bij de woningen van [wederpartij A] en [wederpartij B] te meten. In de toelichting op artikel 3.2 van het Reken- en meetvoorschrift is onder meer opgenomen:
    "De bepaling van het equivalent geluidsniveau vindt in het algemeen plaats met de Standaardrekenmethode 2 uit hoofdstuk 2 van bijlage III. Deze methode is zodanig dat voor vrijwel alle situaties een betrouwbaar resultaat verkregen wordt. […] Op basis van het derde lid is het toegestaan om met de methode die in hoofdstuk 3 van bijlage III is opgenomen, het geluidsniveau te meten. In het algemeen zal deze methode, in tegenstelling tot beide rekenmethodes, weinig worden toegepast. Het meten van het equivalent geluidsniveau heeft, anders dan vaak door omwonenden van infrastructuurprojecten wordt gedacht, meestal meer nadelen dan voordelen. Zoals uit de beschreven meetmethode blijkt, bestaat het meten van het equivalent geluidsniveau niet uit het louter aflezen van een geluidmeter langs een weg. Aan het meten dienen de nodige eisen gesteld te worden om een betrouwbare en reproduceerbare waarde te kunnen bepalen. Als daar al aan voldaan wordt, dient vervolgens toch nog het gemeten resultaat gecorrigeerd te worden. Belangrijk is immers dat wordt uitgegaan van de juiste omvang en samenstelling van het verkeer, veelal het verkeer overeenkomstig een prognose of een vastgesteld geluidproductieplafond. Daarom zullen ook tijdens de meting verkeerstellingen gedaan moeten worden. Zeker in drukke gebieden zal ook gewaakt moeten worden voor het niet meenemen van andere bronnen in het meetresultaat. Dit alles maakt dat een snelle en eenvoudige controle van het equivalent geluidsniveau ter plaatse niet mogelijk is. […]"
    In bijlage 3 van de notitie van Royal HaskoningDHV van 18 juli 2018 wordt toegelicht waarom in deze zaak niet is overgegaan tot het daadwerkelijk meten van de cumulatieve geluidbelasting. Daarbij is onder meer opgenomen dat ook bij een onderzoek op basis van een meting inzicht nodig is in de representatieve verkeersgegevens voor het gehele jaar. Daarnaast kan met het resultaat van een geluidmeting geen vergelijking worden gemaakt met de gecumuleerde geluidbelasting van de situatie voor de reconstructie en volstaat volgens artikel 3.2 van het Reken- en meetvoorschrift een berekening. Gelet hierop en omdat in dit geval geen discussie bestaat over de toepasbaarheid van de gebruikte rekenmethode, zal het bepalen van de feitelijke geluidbelasting door middel van geluidmetingen niet in het door de rechtbank geconstateerde gebrek voorzien. Gelet op deze toelichting hebben burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het de voorkeur verdient de geluidbelasting bij de woningen van [wederpartij A] en [wederpartij B] te meten.
    De betogen slagen.
3.    Burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten betogen dat de rechtbank in de einduitspraak ten onrechte heeft overwogen dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de gehanteerde verkeerscijfers die zijn opgenomen in de door Royal HaskoningDHV opgestelde notitie van 30 juni 2017 een representatief beeld geven van de bestaande en te verwachten situatie. Zij voeren met betrekking tot de bestaande situatie aan dat in de notitie expliciet is opgenomen dat gebruik is gemaakt van de INWEVA-cijfers van Rijkswaterstaat en telcijfers van de provincie Noord-Holland. De verkeerscijfers voor het jaar 2030 zijn afkomstig uit het gemeentelijk verkeersmodel van Hilversum e.o. (N525) en uit het landelijke verkeersmodel van Rijkswaterstaat, het NRM (A1), hetgeen beide valide modellen zijn die in de praktijk veelvuldig worden gebruikt, aldus burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten. Zij voeren voorts aan dat waar mogelijk gebruik is gemaakt van door middel van detectielussen getelde verkeersgegevens. Op de oprit van de A1 richting het oosten ontbreekt een detectielus. Om die reden is voor die locatie gebruikt gemaakt van samengestelde of bijgeschatte gegevens die zijn gebaseerd op de verschillen tussen de voor en na de oprit met behulp van meetlussen gemeten verkeersgegevens.
3.1.    Niet in geschil is dat geluidhinder veroorzaakt door rijkswegen als de A1 valt onder de regeling die is opgenomen in de Wet milieubeheer (hierna: Wm) en dat geluidhinder veroorzaakt door provinciale wegen als de N525 valt onder de regeling die is opgenomen in de Wet geluidhinder (hierna: Wgh).
    In de notitie van Royal HaskoningDHV van 30 juni 2017, die is opgesteld naar aanleiding van de tussenuitspraak is onderscheid gemaakt in drie situaties, te weten:
- het jaar 2014, waarin een start is gemaakt met de uitvoering van de werken;
- het jaar 2016, waarin de werken (vrijwel) waren voltooid;
- het jaar 2030, waarvoor een prognose beschikbaar is van de toekomstige intensiteiten.
In de notitie van 30 juni 2017 is onder meer opgenomen:
    "De verkeerscijfers hebben een tweetal bronnen:
1. INWEVA: een bestand met verkeersgegevens van Rijkswaterstaat. Deze cijfers worden jaarlijks gepubliceerd en als basis gehanteerd voor het nalevingsgedrag met betrekking tot geluidproductieplafonds. Het betreft hier deels getelde verkeersintensiteiten en zogeheten samengestelde verkeersintensiteiten. Deze laatste zijn geschatte waarden, op basis van oudere waarden en intensiteiten in de directe omgeving van de locatie.
2. Telcijfers van de provincie Noord-Holland. De provincie telt de verkeersintensiteiten door middel van de apparatuur die gebruikt wordt op kruispunten waar verkeersregelinstallaties aanwezig zijn (VRI's, verkeerslichten). De kruispunten van de N525 met de bewuste op- en afritten zijn voorzien van deze functionaliteit (en waren tot ook al in het jaar 2014). […]"
    Ten aanzien van de prognoses voor de verkeerscijfers in de toekomst is in de notitie van 30 juni 2017 opgenomen dat deze prognoses voorspellingen betreffen op grond van een verkeersprognosemodel, waarvoor de volgende drie bronnen zijn geraadpleegd. Het gaat om:
"- Het gemeentelijk verkeersmodel "Hilversum e.o.", dat in 2015 is geactualiseerd. Dit model heeft als basisjaar 2013/2014 (het jaar waarop het model getoetst is) en kijkt in de prognoses naar het toekomstjaar 2030;
- Het Geluidregister, zoals dat door de Minister van Infrastructuur en Milieu is opgesteld. Dit betreft verkeerscijfers voor het prognosejaar 2021;
- Het NRM verkeersmodel (Nieuw Regionaal Model), een model dat Rijkswaterstaat hanteert voor zijn rijkswegen. Dit model focust op de autosnelwegen en is minder accuraat op de op- en afritten en zeker op het onderliggende wegennet (zoals de N525). In dit model worden twee economische groeiscenario's gehanteerd: laag en hoog."
    In de door burgemeester en wethouders bij het hogerberoepschrift overgelegde notitie van Royal HaskoningDHV van 18 juli 2018 is toegelicht dat in de notitie van 30 juni 2017 de verkeersintensiteiten voor de jaren 2014 en 2016 in beeld zijn gebracht op in totaal veertien locaties verdeeld over de op- en afritten van de A1, de A1 op wegvakken ter weerszijden van de aansluiting van de N525 en voor de N525 in de directe nabijheid van de op- en afritten. Voor de tellingen van 2014 en 2016 is gebruik gemaakt van INWEVA, een bestand met verkeerscijfers van Rijkswaterstaat. De basis van deze cijfers bestaat uit daadwerkelijk getelde verkeersintensiteiten die zijn geregistreerd door middel van detectielussen in het wegdek. Voor locatie 8, de oprit van de A1 richting Amersfoort, is de verkeersintensiteit niet geteld, maar samengesteld volgens een andere voor Rijkswaterstaat gebruikelijke methode (de zogenaamde abcd-correctie). Voorts is gebruik gemaakt van telcijfers van de provincie Noord-Holland door middel van detectielussen in het wegdek bij de kruispunten van de N525 met de bewuste op- en afritten. In de notitie van 18 juli 2018 is voorts toegelicht hoe de prognose van de verkeersintensiteit in het jaar 2030 tot stand is gekomen. Daarvoor is gebruik gemaakt van het gemeentelijk verkeersmodel "Hilversum e.o." en het NRM verkeersmodel. In de beide modellen worden verschillende prognoses voor de verkeersintensiteiten per etmaal voor het jaar 2030 weergegeven.
3.2.    Gelet op hetgeen in de notitie van 30 juni 2017 is opgenomen en de daarop in door Royal HaskoningDHV op 18 juli 2018 gegeven nadere toelichting, voeren burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten terecht aan dat de rechtbank in de einduitspraak ten onrechte heeft overwogen dat onvoldoende is gemotiveerd dat de gegevens die ten grondslag liggen aan de verkeersnotitie van 30 juni 2017 een representatief beeld geven van de bestaande en te verwachten situatie. In de notitie van 30 juni 2017 is opgenomen op welke bronnen de verkeersgegevens zijn gebaseerd. Gelet op de hierop in de aanvullende toelichting van 18 juli 2018 door Royal HaskoningDHV gegeven toelichting, bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de in de notitie van 30 juni 2017 gebruikte gegevens niet representatief zijn. Dat betekent dat het door de rechtbank in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in zoverre met het besluit van 18 juli 2017 is hersteld.
    De betogen slagen.
4.    In de einduitspraak heeft de rechtbank overwogen dat zij niet toekomt aan een oordeel over de belangenafweging, omdat die is gebaseerd op de uitkomsten van de notities van 30 juni 2017 en 10 juli 2017 waarvan volgens de rechtbank onduidelijk is of ze bruikbaar zijn. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2 is overwogen, zal de Afdeling thans, in het licht van hetgeen door [wederpartij A] en [wederpartij B] in beroep is aangevoerd, beoordelen of burgemeester en wethouders de toename van de cumulatieve geluidbelasting bij de woningen van [wederpartij A] en [wederpartij B] in redelijkheid ruimtelijk aanvaardbaar hebben kunnen achten.
5.    [wederpartij A] en [wederpartij B] betogen met betrekking tot de belangenafweging dat burgemeester en wethouders in het besluit van 18 juli 2017 onvoldoende rekening hebben gehouden met hun belangen. Volgens hen is het standpunt dat plaatsing van een geluidsscherm langs het perceel [locatie 1] niet mogelijk is vanwege de ligging van kabels en leidingen, niet gemotiveerd. Bovendien kunnen eventuele kabels en leidingen mogelijk verplaatst worden. In een door [wederpartij A] overgelegde notitie van Alcedo van 22 september 2017 wordt over de gecumuleerde geluidbelasting het standpunt ingenomen dat de cumulatieve geluidbelasting voor het jaar 2014 te hoog is berekend. Daarnaast verplicht de maximaal aanvaarbare geluidbelasting van 73 dB burgemeester en wethouders tot grote inspanningen om deze geluidbelasting te reduceren. Daarbij komt dat de cumulatieve geluidbelasting op de westgevel van het pand [locatie 1] volgens de gemaakte prognose toeneemt van 70 dB in 2014 tot 71 dB in 2030. In de notitie wordt gesteld dat op andere, lager belaste locaties wel geluidsschermen worden geplaatst.
5.1.    Burgemeester en wethouders hebben zich in het besluit van 18 juli 2017 over de gecumuleerde geluidbelasting op het standpunt gesteld dat in de notitie van 10 juli 2017 van Royal HaskoningDHV de feitelijk gecumuleerde geluidbelasting voor de jaren 2014, 2016 en 2030 is berekend. Volgens burgemeester en wethouders is in de drie beschouwde situaties op geen enkel toetspunt sprake van een toename in de afgeronde gecumuleerde geluidbelasting ten opzichte van de referentiesituatie. In het besluit van 18 juli 2017 is opgenomen: "Indien het jaar 2016 juist na de uitvoering van de werken wordt vergeleken met 2014 (net voor de uitvoering) dan is voor de meeste toetspunten in 2016 de gecumuleerde geluidbelasting gelijk gebleven of afgenomen. Dit geldt ook voor de woning [locatie 1], waar de gecumuleerde geluidbelasting het hoogst is. Voor één toetspunt, de noordwestgevel op niveau 1e verdieping van de woning [locatie 2] is er een toename van 57 dB naar 58 dB." Burgemeester en wethouders hebben vervolgens een afweging gemaakt tussen het belang van de reconstructie van de N525 en het belang van een optimale bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving van de N525.
    In deze belangenafweging hebben burgemeester en wethouders opgenomen dat zij een gecumuleerde geluidbelasting zonder toepassing van de aftrek van artikel 110g van de Wet geluidhinder van ten hoogste 73 dB toelaatbaar achten. Zij hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat de uitvoering van het project noodzakelijk is met het oog op de doorstroming van het verkeer, de verkeersveiligheid en het behoud van de bereikbaarheid van Hilversum en omgeving en dat de geluidbelasting zoveel mogelijk wordt beperkt door de toepassing van maatregelen. Volgens burgemeester en wethouders is vastgesteld dat de ruimte ontbreekt om de rij- en opstelstroken op grotere afstand van de woningen van [wederpartij A] en [wederpartij B] aan te leggen en is daarnaast maximaal gebruik gemaakt van schermmaatregelen om de geluidbelasting op de woningen te verminderen. Ook is besloten tot een bovenwettelijke verlenging van het geluidsscherm langs de op- en afrit van de A1. Burgemeester en wethouders hebben geïnventariseerd of een geluidsscherm op of langs het perceel van [wederpartij A] op de [locatie 1] mogelijk is, omdat de N525 het grootste aandeel heeft in de totale geluidbelasting. Plaatsing van een geluidsscherm op gronden van de provincie Noord-Holland en Rijkswaterstaat bleek niet mogelijk te zijn vanwege de aanwezigheid van kabels en leidingen. Het plaatsen van geluidsscherm op het perceel van [wederpartij A] bleek evenmin mogelijk, omdat [wederpartij A] daarvoor geen toestemming heeft gegeven. Vanwege aanmerkelijke bezwaren van financiële aard zijn andere maatregelen niet mogelijk, aldus burgemeester en wethouders. In het besluit van 18 juli 2017 is voorts opgenomen dat de realisering van het project in 2016 op één toetspunt leidt tot een toename van de geluidbelasting ten opzichte van 2014. Het betreft een toename van 57 dB naar 58 dB op een geveldeel van de woning van [wederpartij B]. Bij deze vergelijking neemt op andere toetspunten de hogere geluidbelasting juist af, zodat in 2016 netto sprake is van een lichte verbetering van de geluidssituatie ten opzichte van de situatie in 2014. Om die reden wordt de toename op één geveldeel van 57 dB naar 58 dB acceptabel geacht. Bij een prognose voor de toekomst blijkt dat in 2030 sprake zou kunnen zijn van een toename in de gecumuleerde geluidbelasting, vanwege de verwachte groei van het verkeer op de A1. Omdat het systeem van de Wm ervan uitgaat dat de wegbeheerder maatregelen treft voordat een overschrijding van geluidproductieplafonds zich voordoet, wordt de in de prognose geconstateerde toename acceptabel geacht. Ten slotte is in aanmerking genomen dat een andere geluidmodellering denkbaar zou zijn, maar dat de thans gekozen methode verdedigbaar is. Zowel met de thans gebruikte als met de door Alcedo voorgestelde geluidmodellering is de resulterende gecumuleerde geluidbelasting overal lager dan de uiterste waarde van 73 dB, aldus burgemeester en wethouders.
5.2.    Uit de notitie van Royal HaskoningDHV van 18 juli 2018 blijkt dat de cumulatieve maximale geluidbelastingen op de woning van [wederpartij A] in 2016 licht is gedaald ten opzichte van 2014, maar in 2030 zal stijgen tot maximaal 71 dB. Op de woning van [wederpartij B] is de cumulatieve maximale geluidbelasting in 2030 ten hoogte 58 dB. Hoewel deze waarden de door burgemeester en wethouders gestelde maximaal aanvaardbare waarde van 73 dB niet overschrijden, is hiermee met name ter plaatse van de woning van [wederpartij A] sprake van een zware geluidbelasting. Niet in geschil is dat de plaatsing van een geluidsscherm een gunstige invloed zou hebben op de geluidbelasting op de woningen van [wederpartij A] en [wederpartij B]. Ter zitting van de Afdeling is namens burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten toegelicht dat de gronden ten noorden van het perceel van [wederpartij A] deels in eigendom zijn van Rijkswaterstaat en deels in eigendom zijn van de provincie Noord-Holland. Burgemeester en wethouders hebben toegelicht dat realisering van een geluidsscherm niet mogelijk is, omdat Rijkswaterstaat geen toestemming geeft voor de bouw van een geluidsscherm op zijn gronden omdat het niet wil worden belemmerd bij de uitvoering van eventuele toekomstige projecten. Naar het oordeel van de Afdeling is hiermee echter niet overtuigend gemotiveerd waarom realisering van een geluidsscherm op de gronden die in eigendom zijn van de provincie niet mogelijk is. In dat geval zal er tussen dat te realiseren geluidsscherm en het reeds aanwezige geluidsscherm langs de oprit naar de A1 weliswaar een opening zijn, maar zal de geluidbelasting ter plaatse van de woning van [wederpartij A] mogelijk wel worden beperkt, omdat de gronden die aan de provincie in eigendom toebehoren dicht bij de woning van [wederpartij A] zijn gelegen. De stelling van burgemeester en wethouders dat realisering van een geluidsscherm op de gronden die in eigendom zijn van de provincie niet mogelijk is vanwege de aanwezigheid van kabels en leidingen is niet onderbouwd en kan reeds om die reden niet tot een ander oordeel leiden.  
    De betogen slagen.
Conclusie
6.    Het voorgaande betekent dat de rechtbank in de aangevallen uitspraken ten onrechte heeft overwogen dat het in de rede ligt de feitelijke geluidbelasting bij de woningen van [wederpartij A] en [wederpartij B] te meten in plaats van te berekenen en in de einduitspraak ten onrechte heeft overwogen dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de gehanteerde verkeerscijfers die zijn opgenomen in de door Royal HaskoningDHV opgestelde notitie van 30 juni 2017 een representatief beeld geven van de bestaande en te verwachten situatie. Omdat de belangenafweging die ten grondslag ligt aan het besluit van 26 augustus 2014, zoals aangevuld bij besluit van 18 juli 2017, de toets der kritiek niet kan doorstaan, heeft de rechtbank echter terecht geconcludeerd dat deze besluiten dienen te worden vernietigd en burgemeester en wethouders terecht opgedragen een nieuw besluit te nemen. Gelet hierop wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.
7.    Burgemeester en wethouders zullen op na te melden wijze worden veroordeeld in de proceskosten van [wederpartij A] en [wederpartij B].
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    bepaalt dat tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Laren te nemen besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Laren tot vergoeding van bij [wederpartij A] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Laren tot vergoeding van bij [wederpartij B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.059,30 (zegge: duizendnegenenvijftig euro en dertig cent), waarvan € 1.024 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V.    bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Laren een griffierecht van € 508,00 (zegge: vijfhonderdacht euro) wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duifhuizen, griffier.
w.g. Lubberdink    w.g. Duifhuizenvoorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2019
724.