Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3999

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 27-11-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 27-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3999, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201900344/1/R2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:3999:DOC

201900344/1/R2.Datum uitspraak: 27 november 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak in het geding tussen:[appellant], wonend te Wissenkerke, gemeente Noord-Beveland,ende raad van de gemeente Noord-Beveland,verweerder.ProcesverloopBij besluit van 18 oktober 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Bebouwde kom Wissenkerke 2018" vastgesteld.Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.De raad heeft een verweerschrift ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 oktober 2019, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. T. de Beet, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door M. van der Maarl, zijn verschenen.Overwegingen    Inleiding1.    Het plan voorziet in een actualisatie van het planologische regime in de kern van Wissenkerke. [appellant] woont aan de [locatie] in Wissenkerke. Aan zijn gronden is de bestemming "Wonen" met de aanduiding "vrijstaand" toegekend, waardoor daar één woning is toegestaan.[appellant] wil dat het plan, al dan niet na splitsing van zijn huidige woning, een tweede woning toestaat op zijn gronden.Toetsingskader2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.Beroep3.    [appellant] voert aan dat hij een vergunning heeft die twee woningen ter plaatse mogelijk maakt. Hij wijst daarvoor op de bouwtekeningen bij de vergunning, waaruit volgens hem blijkt dat het bouwplan ziet op twee zelfstandige woningen en niet één woning met een aanbouw. Dit bestaande recht had als zodanig moeten worden bestemd, aldus [appellant].    [appellant] betoogt dat indien er geen bestaand recht is, alsnog een tweede woning had moeten worden toegestaan. Volgens [appellant] zijn er geen ruimtelijk relevante redenen om zijn woning niet de aanduiding "twee aaneen" te geven. Daartoe voert hij aan dat het gebied volop in ontwikkeling is en dat twee-aan-een-gebouwde woningen ruimtelijk aanvaardbaar zijn geacht in het vorige bestemmingsplan "Bebouwde Kom Wissenkerke 2005, 2e wijziging sportvelden".    [appellant] betoogt ook dat de raad met de verwijzing naar de bezwaarprocedure in de nota van zienswijze, onvoldoende een zelfstandige afweging heeft gemaakt over zijn initiatief waardoor het besluit onvoldoende is gemotiveerd.3.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een bestaand recht. De uitbreiding aan de bestaande woning is aangevraagd als een aanbouw en de omgevingsvergunning is ook verleend voor een aanbouw. Volgens de raad was het idee van [appellant] om de aanbouw te gebruiken als zogenoemde kangoeroewoning en niet als zelfstandige woning. Dit wordt volgens de raad nog bevestigd in het concept-bezwaarschrift dat door [appellant] is ingediend in de afzonderlijke procedure tegen het afwijzende besluit op zijn aanvraag voor een omgevingsvergunning tot splitsing van het pand.    Voorts stelt de raad dat het uitgangspunt van de gemeente is dat het aantal woningen, legaal bestaand, planologisch mogelijk gemaakt dan wel vergund, niet mag toenemen en daarom in beginsel nooit mee gewerkt wordt aan de splitsing van woningen. Daarbij heeft het toevoegen van een tweede woning, ter plaatse, al dan niet door splitsing ongewenste ruimtelijke gevolgen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de gronden naast en achter het perceel van [appellant] worden ontwikkeld tot ruime percelen voor vrijstaande woningen. Splitsing van het perceel van [appellant] zou leiden tot twee kleine percelen waarop dan ook in parkeergelegenheid moeten worden voorzien voor de tweede woning en vergunningvrij bijgebouwen mogen worden gebouwd. Dusdanige kleine percelen acht de raad niet passend in de omgeving. Daarbij neemt de raad in aanmerking dat het toestaan van dusdanig kleine percelen een ongewenst precedent zou scheppen.3.2.    De Afdeling stelt vast dat bij besluit van 13 augustus 2015 een omgevingsvergunning aan [appellant] is verleend. De omgevingsvergunning is, zo staat in de tekst van het besluit en blijkt uit de bijgevoegde gewaarmerkte bouwtekening, verleend voor het bouwen van een aanbouw in afwijking van het destijds geldende bestemmingsplan. De raad heeft zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat de vergunning is verleend voor een aanbouw bij één zelfstandige woning. Gelet daarop heeft de raad dan ook kunnen stellen dat geen sprake is van bestaande rechten die aanleiding hadden moeten zijn om in het plan in twee zelfstandige woningen op de gronden te voorzien.    Voor zover [appellant] betoogt dat de raad ondanks het ontbreken van bestaande rechten, in een tweede woning ter plaatse had moeten voorzien, overweegt de Afdeling het volgende. Uit de plantoelichting, met name paragraaf 2.4. en 5.1.3, blijkt dat de raad bij het opstellen van het plan als uitgangspunt heeft gehanteerd dat het aantal woningen in het plangebied niet mag toenemen. Gelet daarop wordt door de raad in beginsel dan ook niet meegewerkt aan het splitsen van bestaande woningen.[appellant] bestrijdt niet dat het mogelijk maken van een tweede woning op zijn gronden in strijd zou zijn met dit uitgangspunt. In hetgeen door [appellant] is aangevoerd, heeft de raad geen aanleiding hoeven zien om van dit uitgangspunt af te wijken. De raad heeft daarbij van belang kunnen achten dat de ruimtelijke impact van een tweede woning ter plaatse groter is dan die van de bestaande situatie. De raad heeft daarbij ook van belang kunnen achten dat twee kleine percelen niet passend zijn in de omgeving en daarbij kunnen wijzen op de mogelijkheid dat bij een zelfstandige woning vergunningvrij bijgebouwen kunnen worden opgericht en verharding kan worden aangelegd. Daarbij heeft de raad niet uitgesloten kunnen achten dat het woongebruik ter plaatse intensiveert. De algemene verwijzing van [appellant] naar het vorige plan met de enkele stelling dat daarin twee-aaneen-gebouwde woningen in de omgeving aanvaardbaar werden geacht, doet daaraan niet af. Daarmee is immers niet aannemelijk gemaakt dat de raad de gewenste tweede woning op de gronden van [appellant] in redelijkheid ruimtelijk aanvaardbaar had moeten achten.    De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn stelling dat de raad geen eigen afweging heeft gemaakt, nu uit het bovenstaande blijkt dat de raad een eigen afweging heeft gemaakt en zijn conclusie daaruit deugdelijk is onderbouwd.    Het betoog faalt.Conclusie4.    Het beroep is ongegrond.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:verklaart het beroep ongegrond.Aldus vastgesteld door mr. F.D. van Heijningen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, griffier.w.g. Van Heijningen    w.g. Vogel-Carprieauxlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 27 november 2019458-932.