Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3994

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 27-11-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 27-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3994, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201901825/1/A3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:3994:DOC

201901825/1/A3.Datum uitspraak: 27 november 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te Utrecht,tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 januari 2019 in zaak nr. 18/1474 in het geding tussen:[appellant]enhet college van burgemeester en wethouders van Utrecht.ProcesverloopBij besluit van 21 november 2017 heeft het college het verzoek van [appellant] om registratie van een Liberiaanse huwelijksakte in de Basisregistratie personen (hierna: BRP) afgewezen.Bij besluit van 6 maart 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 22 januari 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.Het college heeft een nader stuk ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 augustus 2019, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.A.P.F. Hoens, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door E. Bruinsma en mr. J.J.M. Smulders, zijn verschenen.Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heropend met het oog op het inwinnen van nadere schriftelijke inlichtingen als bedoeld in artikel 8:45 van deze wet bij het Bureau Documenten (hierna: BD) van de Immigratie- en Naturalisatiedienst in Zwolle.Het BD heeft deze inlichtingen bij brief van 10 september 2019 verstrekt en  daarbij verzocht om toepassing van artikel 8:29 van de Awb.De Afdeling heeft, in andere samenstelling, bij uitspraak van 8 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3367, de beperkte kennisneming gerechtvaardigd geacht.[appellant] en het college hebben de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb om kennis te nemen van de door het BD ingediende stukken.Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven en het onderzoek gesloten.Overwegingen    Inleiding1.    [appellant] heeft het college verzocht zijn traditionele Liberiaanse huwelijksakte te registreren in de BRP. Het college heeft de huwelijksakte, tezamen met een brief van een notaris, een apostille en een authentication of document, ter onderzoek voorgelegd aan het BD. Het BD heeft zijn bevindingen neergelegd in een verklaring van onderzoek van 20 juli 2017. Het college heeft op grond daarvan het verzoek tot registratie afgewezen.Besluitvorming2.    Het college heeft het besluit van 21 november 2017 gehandhaafd en daaraan ten grondslag gelegd dat de huwelijksakte volgens het BD waarschijnlijk niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. Verder is de huwelijksakte niet voorzien van de correcte legalisatie. Het BD is van oordeel dat gelet hierop niet kan worden vastgesteld of de huwelijksakte inhoudelijk juist is. Het opnemen van de overgelegde huwelijksakte is dan ook in strijd met de Nederlandse openbare orde, nu getwijfeld wordt over de betrouwbaarheid ervan. De betrouwbaarheid van de gegevens in de BRP vereist dat gegevens slechts na overtuigend bewijs daarin vastgelegd kunnen worden. Het opnemen van persoonsgegevens gebeurt op grond van authentieke en inhoudelijk juiste brondocumenten. De huwelijksakte kan daarom niet worden gebruikt als brondocument voor registratie in de BRP, aldus het college.Tussenuitspraak3.    In de tussenuitspraak van 4 oktober 2018 heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 6 maart 2018 op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en er een motiveringsgebrek aan het besluit kleeft. Het college mocht niet zonder meer afgaan op het door het BD verrichte onderzoek, omdat de conclusie dat de huwelijksakte waarschijnlijk niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven, niet op inzichtelijke wijze volgt uit het door het BD opgemaakte rapport van onderzoek. Voor het college bestond daarom aanleiding om zich bij het BD nader te vergewissen over de getrokken conclusie dat de documenten waarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen en daarbij opgemerkt dat het dit kan doen door het BD te bevragen over de onderstreepte passages in overwegingen 7 tot en met 9 van de uitspraak. Vervolgens dient het college te beoordelen welke gevolgen de uitkomsten van dit aanvullende onderzoek hebben voor zijn oordeel over de huwelijksakte die [appellant] in de BRP wil laten registreren.4.    Bij brief van 19 november 2018 heeft het college een nadere motivering gegeven. Bij brief van 27 november 2018 heeft [appellant] een reactie ingediend.Aangevallen uitspraak5.    De rechtbank heeft overwogen dat het BD in ieder geval deels niet inhoudelijk is ingegaan op de door de rechtbank gestelde vragen en dat het onduidelijk is waarop het college meent te baseren dat de nadere reactie van het BD voldoende inzichtelijk is. In de verklaring van onderzoek van 1 november 2018 heeft het BD evenwel toegelicht dat de opmaak en afgifte van de huwelijksakte afwijkt van de gebruikelijke logische wijze van opmaak en afgifte. Het BD is hiermee inhoudelijk ingegaan op de vraag van de rechtbank over de ‘opmaak en afgifte’. Naar het oordeel van de rechtbank vormt deze vaststelling een voldoende basis om aan de betrouwbaarheid van de huwelijksakte te twijfelen. Omdat de informatie die wordt opgenomen in de BRP boven elke twijfel verheven moet zijn, vindt de rechtbank dat deze vaststelling door het BD ook een voldoende basis aan het college biedt om de registratie van de huwelijksakte op grond hiervan te weigeren. De rechtbank vernietigt het besluit van 6 maart 2018 wegens een motiveringsgebrek en wegens strijd met een zorgvuldige voorbereiding. Het college heeft in zijn reactie op de tussenuitspraak de geconstateerde gebreken slechts deels hersteld. Die herstelpoging acht de rechtbank in dit geval echter voldoende om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te houden.Hoger beroep    Inschrijving BRP6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren de huwelijksakte in te schrijven in de BRP. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank het besluit van 6 maart 2018 heeft vernietigd en heeft overwogen dat het door de rechtbank in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek door het college slechts deels is hersteld. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat er desondanks voldoende grond bestond voor het college om de inschrijving te weigeren. Dat het BD zou zijn ingegaan op de vragen van de rechtbank over de opmaak en afgifte kan [appellant] niet volgen. Hetgeen hierover door het BD is toegelicht, is immers hetzelfde als reeds in het rapport van 20 juli 2017 staat. [appellant] heeft bovendien zelf meermaals verzocht om verduidelijking van de stelling dat de huwelijksakte afwijkingen vertoont, maar heeft die nooit gekregen. Het gedeeltelijke herstel van het gebrek door het college betreft derhalve een herhaling van zetten. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.6.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de gegevens in de BRP betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn (zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:232).    De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat het college het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek slechts deels heeft hersteld. Het heeft het BD niet bevraagd over de door de rechtbank onderstreepte passages uit de tussenuitspraak. Wel heeft het college het BD verzocht om een reactie op de tussenuitspraak die het BD heeft gegeven in de verklaring van onderzoek van 1 november 2018. In die verklaring heeft het BD toegelicht dat de opmaak en afgifte van de huwelijksakte afwijkt van de gebruikelijke logische wijze van opmaak en afgifte. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het BD hiermee inhoudelijk is ingegaan op de vraag van de rechtbank over de ‘opmaak en afgifte’. Hoewel daarmee niet is ingegaan op alle onderstreepte passages in de tussenuitspraak en de rechtbank het besluit van 6 maart 2018 derhalve met juistheid heeft vernietigd, heeft de rechtbank in het licht van voormelde jurisprudentie terecht aanleiding gezien de rechtsgevolgen van dat besluit in de stand te laten. De vaststelling door het BD dat de huwelijksakte waarschijnlijk niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven, vormt een voldoende basis om aan de betrouwbaarheid van dit document te twijfelen. De Afdeling heeft bovendien geconstateerd dat deze conclusie kan worden onderbouwd met de door het BD vertrouwelijk overgelegde stukken. Daaruit kan worden afgeleid dat en waarom de huwelijksakte op de daarin genoemde specifieke aspecten afwijkt van de gebruikelijke en logische wijze van opmaak en afgifte van een dergelijke akte. Het college heeft derhalve in redelijkheid kunnen weigeren de Liberiaanse huwelijksakte van [appellant] in te schrijven in de BRP.    Het betoog faalt.    Proceskosten7.    [appellant] heeft voorts betoogd dat de rechtbank een onjuiste proceskostenvergoeding heeft uitgesproken. Hij voert hiertoe aan dat ten onrechte geen punt is gerekend voor het indienen van zijn beroepschrift.7.1.    De rechtbank heeft het college veroordeeld in de proceskosten van [appellant] tot een bedrag van € 1.652,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank heeft deze kosten berekend op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht en overwogen dat [appellant] recht heeft op 3,5 punt; 1 voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de rechtbank en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke reactie na een bestuurlijke lus. [appellant] heeft gelet hierop terecht overwogen dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten 1 punt toe te kennen voor het indienen van het beroepschrift op 6 april 2018.    Het betoog slaagt.Slotsom8.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft nagelaten het college te veroordelen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met het indienen van het beroepschrift opgekomen proceskosten. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het college veroordelen tot vergoeding van die proceskosten tot een bedrag van € 512,00. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.9.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten te worden veroordeeld.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep van [appellant] gegrond;II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden Nederland van 22 januari 2019 in zaak nr. 18/1474, voor zover de rechtbank heeft nagelaten het college van burgemeester en wethouders van Utrecht te veroordelen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met het indienen van het beroepschrift opgekomen proceskosten;III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant] in verband met het indienen van een beroepschrift opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;IV.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;VI.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 259,00 (zegge: tweehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Veenboer, griffier.w.g. Daalder    w.g. Veenboerlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 27 november 2019730.