Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3966

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 27-11-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 27-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3966, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201809984/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:3966:DOC

201809984/1/A1.Datum uitspraak: 27 november 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te Grashoek, gemeente Peel en Maas,tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 5 november 2018 in zaak nr. 17/2223 in het geding tussen:[appellant]enhet college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas.ProcesverloopBij besluit van 26 januari 2017 heeft het college [appellant] gelast de geconstateerde illegale situatie op het perceel [locatie] te Grashoek (hierna: het perceel) blijvend ongedaan te maken door het verwijderen van de inpandige woning inclusief alle bijbehorende voorzieningen en het terugbrengen van de tuinbouwloods in de staat voorafgaand aan de verlening van de bouwvergunning van 10 februari 2004.Bij besluit van 8 juni 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 5 november 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 juni 2017 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 augustus 2019, waar het college, vertegenwoordigd door drs. A.P. Langerak en mr. S.C.W. Meurs, is verschenen.Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 15 november 2019, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en het college, vertegenwoordigd door mr. N.J.A.G. Alofs en mr. S.C.W. Meurs, zijn verschenen.OverwegingenInleiding1.    [appellant] is eigenaar van het perceel en de daarop aanwezige tuinbouwloods. Bij besluit van 10 februari 2004 is aan [appellant] een bouwvergunning verleend op grond van artikel 40 van de Woningwet, zoals deze gold ten tijde van belang, voor het veranderen van een tuinbouwloods met inpandige woning.    Bij besluit van 26 januari 2017 heeft het college onder meer handhavend opgetreden wegens het bouwen zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Het college stelt zich in dat verband op het standpunt dat de bij besluit van 10 februari 2004 verleende bouwvergunning is uitgewerkt.    [appellant] heeft zich in bezwaar en beroep op het standpunt gesteld dat het gebruik als woning bij besluit van 10 februari 2004 is vergund en dat die bouwvergunning voor onbepaalde tijd is verleend. De rechtbank heeft dit standpunt van [appellant] niet gevolgd.Beoordeling van het hoger beroep2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van de woning in de tuinbouwloods. In dat verband stelt hij zich op het standpunt dat de bouwvergunning van 10 februari 2004 voor onbepaalde tijd is verleend. Hij wijst erop dat de bouwvergunning is verleend op grond van artikel 40 van de Woningwet en niet op grond van artikel 45 van die wet. Dat maakt volgens hem dat het niet voor de hand ligt dat met de in de bouwvergunning opgenomen voorwaarde, waarin staat dat de bouwvergunning geldt voor maximaal 5 jaar, een instandhoudingstermijn is beoogd. Hij is er vanuit gegaan dat met die termijn door het college is beoogd de termijn voor het intrekken van een verleende bouwvergunning te verlengen. Hij wijst er op dat het gebruik van de tuinbouwloods als woning ten tijde van het verlenen van de bouwvergunning niet in strijd was met het destijds geldende bestemmingsplan en dat de bouwvergunning alleen nodig was voor bouwkundige wijzigingen. Toen in 2009 een bouwvergunning werd gevraagd voor een bedrijfswoning heeft het college hem niet aangespoord de inpandige woning in de tuinbouwloods te verwijderen.2.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college bevoegd was handhavend op te treden tegen de zonder vergunning gebouwde inpandige woning. Zij heeft hierbij terecht in aanmerking genomen dat, blijkens de van de bouwvergunning onderdeel uitmakende aanvraag van 10 december 2003, een bouwvergunning is aangevraagd voor een voorlopige woning in een bestaande bedrijfsloods. Op het aanvraagformulier is vermeld dat [appellant] na enkele jaren ter plaatse een nieuwe woning wil realiseren. Bij de vraag of het om een tijdelijk bouwwerk gaat heeft [appellant] "Ja" aangevinkt en heeft hij toegelicht dat de beoogde instandhoudingstermijn van het bouwwerk vijf jaar is. Bij besluit van 10 februari 2004 heeft het college een besluit genomen op de aanvraag van [appellant]. Bij dit besluit is aan hem een bouwvergunning verleend voor het veranderen van een tuinbouwloods met tijdelijke inpandige woning. Aan deze bouwvergunning heeft het college de voorwaarde verbonden dat de bouwvergunning voor de tijdelijke inpandige woning in de tuinbouwloods geldt voor maximaal vijf jaar. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de bouwvergunning gelet hierop na vijf jaar is geëxpireerd. Anders dan [appellant] betoogt zijn er, mede gelet op de door hem ingediende aanvraag, geen aanwijzingen dat door het college is bedoeld de termijn voor het intrekken van de verleende bouwvergunning te verlengen. Dat het college hem er in 2009 niet op heeft gewezen dat hij de inpandige woning moest verwijderen, kan niet leiden tot het oordeel dat het college om die reden niet bevoegd was handhavend op te treden op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.    Het betoog faalt.Conclusie en slot3.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.w.g. Wortmann    w.g. Van der Maesen de Sombrefflid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 27 november 2019776.