Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:396

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-02-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 13-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:396, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201800783/1/A3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:396:DOC

201800783/1/A3.Datum uitspraak: 13 februari 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A], wonend te [woonplaats], [appellant B], wonend te [woonplaats], en [appellant C], wonend te [woonplaats],appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2017 in zaken nrs. 17/3624, 17/3631 en 17/3633 in het geding tussen:
[appellant A], [appellant B] en [appellant C]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluiten van 16 december 2016 heeft het college aan [appellant A], [appellant B] en [appellant C] ieder afzonderlijk een bestuurlijke boete van € 13.500,00 opgelegd.
Bij besluiten van 6 april 2017 heeft het college de door [appellant A], [appellant B] en [appellant C] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 december 2017 heeft de rechtbank het door [appellant A], [appellant B] en [appellant C] tegen deze besluiten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A], [appellant B] en [appellant C] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2018, waar [appellant A], [appellant B] en [appellant C], vertegenwoordigd door mr. W.J.M. Loomans, advocaat te Hoorn, en het college, vertegenwoordigd door mr. N. Hamdach, zijn verschenen.
Overwegingen
Juridisch kader
1.    De relevante bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, de Huisvestingswet 2014 en de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (hierna: de Huisvestingsverordening) zijn vermeld in de bijlage bij deze uitspraak.
Inleiding
2.    [appellant A], [appellant B] en [appellant C] waren ten tijde van belang de eigenaren van het pand aan de [locatie] te [plaats]. De huurder van één van de appartementen in het pand heeft in strijd met artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 en artikel 3.1.2 van de Huisvestingsverordening het appartement aan toeristen verhuurd. Het college heeft aan [appellant A], [appellant B] en [appellant C] elk een boete van € 13.500,00 opgelegd wegens het zonder vergunning onttrekken van woonruimte aan de bestemming tot bewoning. Deze boetes heeft het college in bezwaar gehandhaafd.
Hoger beroep
3.    [appellant A], [appellant B] en [appellant C] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij als overtreder kunnen worden aangemerkt.
3.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1912) is de overtreder degene die het desbetreffende wettelijke voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. Dat is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek heeft verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk heeft begaan, doch aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt. Daarbij is in dit geval van belang dat van de eigenaar van een pand die dat verhuurt, mag worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte op de hoogte stelt van het gebruik dat van het verhuurde pand wordt gemaakt. Om niet verantwoordelijk te kunnen worden gehouden voor onrechtmatig gebruik van het door hem verhuurde pand dient de eigenaar aannemelijk te maken dat hij niet wist en niet kon weten dat het pand aldus werd gebruikt.
3.2.    In augustus 2016 heeft de gemeente Amsterdam meldingen ontvangen dat het appartement niet voor woondoeleinden werd gebruikt en dat er alleen toeristen verbleven. Toezichthouders van de gemeente hebben het pand op 5 oktober 2016 bezocht en daarbij vastgesteld dat het appartement aan toeristen werd verhuurd. In het appartement waren twee toeristen aanwezig. Deze hebben tegenover de toezichthouders onder meer verklaard dat zij hun verblijf daar, van 2 tot en met 6 oktober 2016, via [website] hadden geboekt. Ook hebben zij bevestigd dat in het appartement geen persoonlijke spullen van anderen aanwezig waren. Deze waarnemingen zijn niet bestreden. Onbestreden is voorts dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, [appellant A], [appellant B] en [appellant C] zelf de woning nooit hebben bezocht. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat [appellant A], [appellant B] en [appellant C] een beheerder hebben aangesteld onvoldoende is om te voldoen aan de op hen als eigenaar van het pand rustende plicht om zich tot op zekere hoogte op de hoogte te stellen van het gebruik dat van het verhuurde pand wordt gemaakt en dat zij hun stelling dat zij de beheerder regelmatig het gebruik van het pand hebben laten controleren, niet aannemelijk hebben gemaakt. Er is geen schriftelijk bewijs dat hierover afspraken zijn gemaakt. [appellant A], [appellant B] en [appellant C] hebben een schriftelijke verklaring van de beheerder van 24 januari 2017 overgelegd, inhoudende dat hij in het voorafgaande halfjaar elke maand wel een keer bij het appartement is geweest en er dagelijks langs is gereden en heeft gezien dat de huurder daar elke dag aanwezig was, onder meer omdat hij de auto van de huurder zag staan. Verder heeft de beheerder verklaard dat hij van een klusjesman die in de voorafgaande vier maanden regelmatig reparaties in het appartement heeft uitgevoerd, heeft begrepen dat de huurder dan in het appartement aanwezig was en dat het er normaal bewoond uitzag en er privéspullen aanwezig waren. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat aan de verklaring van de beheerder, die achteraf is opgesteld en niet is onderbouwd met bezoekrapportages waaruit blijkt wanneer en hoe laat de beheerder is langs geweest en wat hij daarbij heeft gezien, reeds om die reden niet de waarde kan worden gehecht die [appellant A], [appellant B] en [appellant C] kennelijk hebben beoogd. Bovendien heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het door de beheerder verklaarde niet aannemelijk is, nu door de toezichthouders is vastgesteld dat in de periode waarover de beheerder heeft verklaard toeristen in het appartement verbleven en persoonlijke spullen anders dan die van de toeristen in het appartement ontbraken.
    Gelet op het vorenstaande is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant A], [appellant B] en [appellant C] zich onvoldoende hebben geïnformeerd over het gebruik dat van het door hen verhuurde appartement werd gemaakt en derhalve als overtreder kunnen worden aangemerkt.
    Het betoog faalt.
4.    [appellant A], [appellant B] en [appellant C] betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte aan ieder van hen een boete van € 13.500,00 heeft opgelegd. Daartoe voeren zij aan dat het pand hun gezamenlijke eigendom was en daarom sprake was van een gemeenschap, als bedoeld in artikel 166 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en zij in feite een stille maatschap vormden. Het college had met één boete aan de maatschap, dan wel aan de gezamenlijke eigenaren moeten volstaan, aldus [appellant A], [appellant B] en [appellant C].
4.1.    Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3475, is het college bevoegd een boete op te leggen aan elke overtreder van artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 per overtreding. [appellant A], [appellant B] en [appellant C] zijn, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2 is overwogen, ieder als overtreder van artikel 21 van de Huisvestingwet aan te merken. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat, nu [appellant A], [appellant B] en [appellant C] ter zitting hebben verklaard dat ten behoeve van de eigendom van het pand geen maatschap is opgericht, het college bevoegd was aan ieder van hen afzonderlijk een boete van € 13.500,00 op te leggen.
    Het betoog faalt.
4.2.    Gezien het vorenoverwogene, faalt het betoog van [appellant A], [appellant B] en [appellant C] dat de boetes moeten worden gematigd, omdat zij geen feitelijke betrokkenheid bij of voordeel van de overtreding hebben gehad en zij gezamenlijk als één overtreder moeten worden gezien. Ook het in dit verband aangevoerde argument dat de huurder niet is beboet, leidt niet tot het oordeel dat de aan hen opgelegde boetes moeten worden gematigd. Het gelijkheidsbeginsel strekt naar het oordeel van de Afdeling in het kader van het opleggen van bestuurlijke boetes niet zover dat de bevoegdheid tot het opleggen ervan onrechtmatig is uitgeoefend alleen omdat een eventuele andere overtreder niet is beboet. Dat kan anders komen te liggen als sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen die duidt op willekeur in de handhavingspraktijk van het bevoegde bestuursorgaan. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat daarvan in dit geval sprake is.
5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.
w.g. Lubberdink    w.g. De Wildevoorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2019
598. BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:46
[-]
3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
[-].
Huisvestingswet 2014
Artikel 21
Het is verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie gebouwen en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen wijk, zonder vergunning van burgemeester en wethouders:
a. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar aan de bestemming tot bewoning te onttrekken of onttrokken te houden;
[-].
Huisvestingsverordening Amsterdam 2016
Artikel 3.1.1
1. Als woonruimte behorend tot een gebouw als bedoeld in artikel 21 van de wet wordt aangewezen:
a. alle zelfstandige woonruimte met een rekenhuur tot de liberalisatiegrens;
b. alle zelfstandige woonruimte tot en met 200 huurpunten;
c. alle zelfstandige woonruimte met meer dan 200 huurpunten;
d. alle onzelfstandige woonruimte tot 750 huurpunten.
[-].
Artikel 3.1.2
1. De in artikel 3.1.1 aangewezen woonruimten mogen niet zonder vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet:
a. anders dan ten behoeve van bewoning of het gedeeltelijk gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar aan de bestemming tot bewoning worden onttrokken;
[-].
Artikel 4.2.2 Bestuurlijke boete
1. Burgemeester en wethouders kunnen een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van de verboden bedoeld in [-] artikel 21 van de wet [-].
2. Burgemeester en wethouders leggen een boete op:
[-]
b. voor de eerste overtreding van artikel 21, aanhef en onder a [-], van de wet overeenkomstig kolom A van de in bijlage 3 genoemde tabel 2;
[-].
Bijlage 3, tabel 2, behorende bij artikel 4.2.2
De boete voor woningonttrekking, als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de wet bedraagt € 13.500,00 per overtreding.