Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3841

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-11-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 13-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3841, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201901112/1/A3


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RVS:2019:3841:DOC
nl

201901112/1/A3.Datum uitspraak: 13 november 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK


Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats], waarvan [vennoot A], [vennoot B], beide gevestigd te [plaats], en [vennoot C], gevestigd te [plaats], de vennoten zijn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 januari 2019 in zaak nr. 18/2692 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2017 heeft de minister [appellante] als houder van de visvergunning voor de vissersboot ARM-33 drie punten toegekend wegens het niet naleven van de voorschriften met betrekking tot verplichte vangstregistratie. Tevens is de minister bij dat besluit teruggekomen van het door zijn rechtsvoorganger (hierna ook aangeduid als: de minister) genomen besluit van 6 september 2017, inhoudende dat alle toegekende punten zijn geschrapt.

Bij besluit van 15 maart 2018 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 januari 2019 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2019, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R.S. Wijling, advocaat te Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.H. Verheul-Verkaik, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellante] is houder van een visvergunning voor het 23,97 m lange vissersvaartuig ARM-33. Bij ernstige inbreuken op de voorschriften om duurzame exploitatie van visbestanden te waarborgen, kunnen op die visvergunning punten worden toegekend. Indien 18, 36, 54 en 72 punten zijn behaald, wordt de visvergunning voor bepaalde tijd geschorst. Dat houdt in dat er tijdelijk geen gebruik mag worden gemaakt van de visvergunning. Bij 90 punten wordt de visvergunning ingetrokken. De minister had [appellante] op 5 augustus 2014 punten toegekend wegens overtreding van een voorschrift op die dag, waardoor het puntenaantal op dat moment op 24 stond. Omdat na verloop van drie jaar waarin geen nieuwe ernstige inbreuk is begaan de punten worden geschrapt, heeft de minister op 6 september 2017 besloten de eerder aan [appellante] toegekende punten per 5 augustus 2017 te schrappen.

1.1.
Een inspecteur van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit heeft op 14 en 26 juni 2017 het digitaal dossier geraadpleegd. Daarin worden de logboeken van visreizen opgeslagen, waaronder ook de logboeken van de ARM-33. In die logboeken moet het gewicht van de vangst van de reis worden bijgehouden. Het gewicht van de vangst wordt genoteerd voordat het vissersvaartuig in de haven aanlandt. Vervolgens wordt de vangst na aanlanding in de haven nogmaals gewogen en voor een tweede maal vastgelegd in de aangifte van aanlanding. Het gewicht op die twee weegmomenten mag niet te veel van elkaar afwijken.
De inspecteur heeft van zijn inspectie in het digitaal dossier op 1 augustus 2017 een rapport van bevindingen vastgesteld. Daaruit volgt dat [appellante] over de visreis van 29 mei 2017 tot en met 2 juni 2017 een logboek heeft ingevuld waarin een geschatte vangst van 1647 kg tong is opgenomen. Bij de aangifte van aanlanding in de haven is gebleken dat er 1989,16 kg tong is gevangen. Dit is een verschil van 342,16 kg, een afwijking van 20,77%, terwijl een marge van 10% is geoorloofd. Verder volgt uit het rapport van bevindingen dat [appellante] over de visreis van 19 juni 2017 tot en met 22 juni 2017 een logboek heeft ingevuld waarin een geschatte vangst van 1240 kg schol is opgenomen. Bij de aangifte van aanlanding in de haven is gebleken dat er 1568,7 kg schol is gevangen. Dit is een verschil van 328,7 kg, een afwijking van 26,51%.

Besluitvorming

1.2.
De minister heeft deze afwijkingen aangemerkt als ernstige inbreuken op de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid van de Europese Unie. Dit beleid beoogt een exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen te garanderen die voor duurzame omstandigheden op economisch, ecologisch en sociaal gebied zorgt. Bij een onjuiste vangstregistratie komt dat doel in gevaar. Voor een ernstige inbreuk op dat gebied geeft de minister, conform het beleid, drie punten op de visvergunning.
2. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van de uitspraak. Dit betreft:
- Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen (PB 2008, L 286; hierna: Verordening 1005/2008);
- Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PB 2009, L 343; hierna: de Controleverordening);
- Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie van 8 april 2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 (PB 2011, L 112; hierna: de Uitvoeringsverordening);
- de door de minister vastgestelde Uitvoeringsregeling zeevisserij (hierna: de Uitvoeringsregeling);
- de door de minister vastgestelde Beleidsregel ernstige inbreuken GVB (hierna: de Beleidsregel).
3. [ appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister aan haar drie punten mocht toekennen wegens het niet naleven van de vereisten met betrekking tot een verplichte registratie en rapportage van vangstgegevens. De toekenning van die punten is niet evenredig, gezien het eigen handelen van de minister en omdat er geen vrees is voor herhaling. Daarnaast is van belang dat het vaartuig aan een nieuwe eigenaar zou worden overgedragen en dat de vastgestelde vangstquota niet zijn overschreden, aldus [appellante].
De minister heeft daarom [appellante] bij besluit van 13 november 2017 drie punten toegekend op de visvergunning wegens het niet naleven van de voorschriften met betrekking tot verplichte vangstregistratie. Daarnaast is de minister teruggekomen van zijn besluit van 6 september 2017, aangezien uit de constateringen van de inspecteur volgt dat [appellante] binnen drie jaar na de ernstige inbreuk van 5 augustus 2014 wel opnieuw een ernstige inbreuk heeft begaan. Daarmee is het totale puntenaantal op de visvergunning 27. De rechtbank heeft het besluit van 15 maart 2018, waarbij het besluit van 13 november 2017 is gehandhaafd, rechtmatig geacht.

Wettelijk kader

Mocht de minister drie punten toekennen aan [appellante]?

3.1.
Op grond van 15 van de Controleverordening dient de kapitein van een vissersvaartuig een logboek bij te houden met daarin onder meer de geschatte hoeveelheden gevangen vis van iedere soort. Dat logboek moet in ieder geval na beëindiging van de laatste visserijactiviteit en voor het binnenlopen van de haven worden verstrekt. Ingevolge artikel 15 van de Controleverordening diende [appellante] tijdens de vaart het geschatte gewicht van de gevangen vissen in het logboek te registreren en ingevolge artikel 24 van de Controleverordening diende zij in de aangifte van aanlanding het gewicht van de gevangen vissen in te vullen. Ingevolge artikel 14, negende lid, en artikel 23, vierde lid, van de Controleverordening was [appellante] verantwoordelijk voor de juistheid van de genoteerde gegevens van het gewicht. Niet in geschil is dat [appellante] over de visreis van 29 mei 2017 tot en met 2 juni 2017 en de visreis van 19 juni 2017 tot en met 22 juni 2017 logboeken heeft ingevuld waarin de vangstgegevens afwijken van de gevangen hoeveelheden die overeenkomstig artikel 24 van de Controleverordening in de aangifte van aanlanding zijn ingevuld. Daarbij zijn de verschillen groter dan de tolerantiemarge van 10% die ingevolge artikel 14, derde lid, van de Controleverordening geldt. Ingevolge artikel 92 van de Controleverordening, artikel 125 van de Uitvoeringsverordening en artikel 130, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling kent de minister bij een ernstige inbreuk op de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid van de Europese Unie punten toe op de visvergunning. Gelet op artikel 92, eerste lid, van de Controleverordening en artikel 42, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 1005/2008 kan sprake zijn van een ernstige inbreuk bij het niet vervullen van de verplichtingen inzake het registreren van vangstgegevens. Gezien artikel 42, tweede lid, en artikel 3, tweede lid, van Verordening 1005/2008, wordt het niet vervullen van deze verplichting beschouwd als ernstige inbreuk naargelang van de ernst van de betrokken inbreuk, die de minister beoordeelt op grond van criteria als de aangerichte schade, waarde, omvang van de inbreuk of herhaling.
Volgens artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, van de Beleidsregel, gelezen in verbinding met artikel 105 van de Uitvoeringsregeling, beschouwt de minister het niet naleven van artikel 15 van de Controleverordening als een ernstige inbreuk voor zover de in de aangifte van aanlanding vermelde vangsthoeveelheid per soort en per visreis meer dan 15%, met een minimum van 200 kg, afwijkt van de geschatte hoeveelheid die vermeld is in het logboek. Niet in geschil is dat de omvang van de afwijking tussen de vangstgegevens in het logboek en de vangstgegevens in de aangifte van aanlanding bij de hiervoor genoemde visreizen zodanig was dat deze volgens de Beleidsregel als ernstige inbreuk moet worden aangemerkt. Los van de vraag of een afwijking van meer dan 15% met een gewicht van minimaal 200 kg in het algemeen als een ernstige inbreuk mag worden beschouwd, is de Afdeling van oordeel dat de minister in ieder geval afwijkingen van 20,77% en 26,51% met de in dit geval aan de orde zijnde gewichten, gezien de omvang van de afwijking, in beginsel in redelijkheid kon aanmerken als ernstige inbreuken.

3.2.
Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht handelt de minister overeenkomstig zijn beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. [appellante] heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die meebrengen dat de minister niet in redelijkheid de Beleidsregel heeft kunnen volgen, maar daarvan had moeten afwijken. Dat de ARM-33 met inbegrip van de visvergunning en de daarop toegekende punten verkocht zou worden, is niet zo’n omstandigheid. Nog daargelaten dat de, nu nog niet geëffectueerde, koopovereenkomst na het besluit van 15 maart 2018 is gesloten, betekent deze omstandigheid niet dat met de ARM-33 geen overtredingen van de voorschriften met betrekking tot verplichte vangstregistratie meer kunnen worden begaan. De al toegekende punten worden bij verkoop van het visvaartuig, conform artikel 92, tweede lid, van de Controleverordening, overgedragen op de toekomstige houder van de visvergunning voor het betrokken vaartuig. Wat het door [appellante] aangevoerde eigen handelen van de minister betreft, heeft [appellante] ter zitting toegelicht dat zij daarmee bedoelt dat, hoewel bij beide visreizen sprake was van een inbreuk die volgens de Beleidsregel ernstig is, de minister een puntenaantal heeft opgelegd dat bij één ernstige inbreuk hoort. Dat de minister dat heeft gedaan, is echter juist een reden om het besluit van 15 maart 2018 niet onevenredig te achten, omdat daarmee minder punten zijn opgelegd dan volgens de Beleidsregel mogelijk was. Dat de totale vangst binnen de vastgestelde visquota viel, staat los van de vraag of [appellante] voldaan heeft aan haar registratieverplichtingen en is dus geen relevante omstandigheid. Overschrijding van een visquotum is, gelet op artikel 126, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening, gelezen in verbinding met bijlage XXX, nr. 8, van de Uitvoeringsverordening, een afzonderlijk feit waarvoor punten toegekend kunnen worden.
3.3.
Gezien het voorgaande, heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellante] een ernstige inbreuk heeft begaan. Artikel 126, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening, gelezen in verbinding met bijlage XXX, nr. 1, van de Uitvoeringsverordening schrijft dwingend voor dat drie punten worden toegekend voor een ernstige inbreuk bij het niet naleven van de verplichte registratie van vangstgegevens. De rechtbank heeft derhalve op juiste gronden geoordeeld dat de minister terecht drie punten heeft gegeven aan [appellante].
Het betoog faalt.

Mocht de minister het besluit van 6 september 2017 intrekken?

4. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister mocht terugkomen van zijn besluit van 6 september 2017. Dit is een begunstigende beschikking, die alleen mag worden ingetrokken wegens zwaarwegende redenen, zo volgt ook uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 78). De bewijslast dat er zwaarwegende redenen zijn voor intrekking van een dergelijk besluit ligt bij de minister, zo blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:182. De minister heeft geen zwaarwegende redenen aangevoerd op grond waarvan intrekking van het besluit van 6 september 2017 gerechtvaardigd is. Ook mocht [appellante] op basis van het besluit van 6 september 2017 erop vertrouwen dat de punten waren vervallen. In dat besluit is op een concrete en ondubbelzinnige wijze medegedeeld dat de punten op de visvergunning zijn geschrapt. Bovendien is geen voorbehoud gemaakt voor gevallen waarin eventueel na het versturen van het besluit alsnog zou worden geconstateerd dat in de betrokken periode ernstige inbreuken zijn begaan. Ook was zij, op het moment dat zij het besluit van 6 september 2017 ontving, nog niet op de hoogte van het gegeven dat ernstige inbreuken zouden zijn geconstateerd. [appellante] is weliswaar bevraagd over bepaalde feiten en omstandigheden, maar haar is niet medegedeeld dat er sprake was van een ernstige inbreuk en volgens de minister zou zij zelf enkel hebben gesteld dat er sprake was van een menselijke fout. De beoordeling of er sprake was van een ernstige inbreuk, heeft de minister op 1 augustus 2017 gemaakt in het rapport van bevindingen, nadat [appellante] ongeveer een maand daarvoor was gehoord. Dat rapport is niet vóór het besluit van 13 november 2017 aan haar bekendgemaakt. Dat had op grond van artikel 82 van de Controleverordening wel gemoeten. Op geen enkele wijze kon zij achterhalen dat, ondanks het positieve bericht, ernstige inbreuken waren geconstateerd. Het tijdsverloop tussen de schrapping van de punten op 6 september 2017 en het besluit van 13 november 2017 waarin is vermeld dat de punten toch blijven gelden, maakt eveneens dat het niet kenbaar was dat de schrapping van de punten zou worden teruggedraaid. Tot slot handelt de minister, doordat het besluit van 6 september 2017 is ingetrokken, in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Besluiten mogen in beginsel niet met terugwerkende kracht worden gewijzigd in het nadeel van betrokkenen. Ter vergelijking wijst zij op een uitspraak van de Afdeling van 9 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3729. In die uitspraak oordeelde de Afdeling dat niet in strijd met de rechtszekerheid was gehandeld, omdat de betrokkene wist dat hij een overtreding had begaan en ook de gevolgen van zijn handelen kende. In dit geval was zij er niet van op de hoogte dat zij opnieuw ernstige inbreuken had begaan, aldus [appellante].

4.1.
De Afdeling stelt voorop dat de minister, bij de intrekking van het besluit van 6 september 2017, de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen diende te vergaren. Zoals [appellante] terecht aanvoert, draagt de minister daarvoor de verantwoordelijkheid. De minister diende de intrekking deugdelijk te motiveren. Voor intrekking kon aanleiding bestaan indien het besluit ten onrechte is genomen.
4.2.
Bij besluit van 6 september 2017 heeft de minister alle aan [appellante] toegekende punten per 5 augustus 2017 geschrapt omdat in de periode van 6 augustus 2014 tot en met 5 augustus 2017 geen ernstige inbreuken zouden zijn geconstateerd. [appellante] heeft aan dat besluit echter niet de rechtens te honoreren verwachting kunnen ontlenen dat daarvan bij nader gebleken nieuwe feiten niet zou worden teruggekomen. Gelet op de bovenomschreven mate van afwijking tussen het tijdens de vaart geregistreerde gewicht en het bij de aanlanding geregistreerde gewicht en op het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, van de Beleidsregel, wist [appellante] of behoorde zij te weten dat zij in de periode van 6 augustus 2014 tot en met 5 augustus 2017 ernstige inbreuken had begaan waarvoor punten op de visvergunning zouden kunnen worden gegeven. Dit geldt te meer omdat een professionele onderneming, zoals [appellante], in het bijzonder geacht wordt op de hoogte te zijn van alle op haar betrekking hebbende regelgeving. Dat er in het besluit van 6 september 2017 geen voorbehoud is gemaakt, laat onverlet dat binnen drie jaar na het constateren van de vorige ernstige inbreuk wederom ernstige inbreuken zijn geconstateerd en dat de punten daarom, gelet op artikel 92, vierde lid, van de Controleverordening, niet geschrapt hadden mogen worden. [appellante] was op de hoogte of behoorde op de hoogte te zijn van het feit dat het besluit van 6 september 2017 daarom op een onjuiste althans onvolledige vaststelling van de relevante feiten berustte. De verwijzing van [appellante] naar de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2015 kan haar om die reden niet baten. Om diezelfde reden kan het tijdsverloop tussen de schrapping van de punten op 6 september 2017 en het besluit van 13 november 2017 waarin is vermeld dat de punten toch blijven gelden haar niet baten. Dat de minister geen inspectieverslag heeft toegezonden naar aanleiding van de inspectie, zoals dat wel op grond van artikel 82 van de Controleverordening is vereist, laat onverlet dat [appellante], gezien de registratieverplichting die op haar rust, ervan op de hoogte behoorde te zijn dat de genoteerde gegevens van het gewicht significant van elkaar afweken en dat dus sprake was van een ernstige inbreuk. Het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel geven, gezien het voorgaande, geen aanleiding om te oordelen dat de minister het besluit van 6 september 2017 niet mocht intrekken.
4.3.
Gezien het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de minister de schrapping van de punten ongedaan mocht maken.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Het betoog faalt.

Conclusie

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

w.g. Sevenster w.g. De Vriesvoorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2019

582-857.

BIJLAGE

1. illegale, ongemelde of ongereglementeerde visserij" of „IOO-visserij": visserijactiviteiten die illegaal, ongemeld of ongereglementeerd zijn;
1. Van een vissersvaartuig wordt aangenomen dat het IOO-visserij heeft bedreven indien wordt aangetoond dat het, in strijd met de instandhoudings- en beheersmaatregelen die gelden in het gebied waar het die activiteiten heeft verricht:
b) zijn verplichtingen inzake het registreren en melden van vangstgegevens of met de vangst verband houdende gegevens, waaronder gegevens die middels systeem van de controle op vissersvaartuigen via satelliet moeten worden verzonden of voorafgaande kennisgevingen overeenkomstig artikel 6, niet heeft vervuld, of
2. De in lid 1 vermelde activiteiten worden beschouwd als ernstige inbreuken overeenkomstig artikel 42, naargelang van de ernst van de betrokken inbreuk, welke wordt beoordeeld door de bevoegde autoriteit van de lidstaat, op grond van criteria als aangerichte schade, waarde, omvang van de inbreuk of herhaling.
1. Voor de doeleinden van deze verordening wordt onder „ernstige inbreuk" verstaan:
a. a) de activiteiten die op grond van de in artikel 3 bepaalde criteria worden beschouwd als IOO-visserij;
2. De ernst van de inbreuk wordt beoordeeld door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, op grond van de criteria omschreven in artikel 3, lid 2.
1. Een communautair vissersvaartuig mag slechts voor de commerciële exploitatie van levende aquatische hulpbronnen worden gebruikt als het over een geldige visvergunning beschikt.
1. Onverminderd bijzondere bepalingen in de meerjarenplannen, houden kapiteins van communautaire vissersvaartuigen met een lengte over alles van 10 m of meer een visserijlogboek van hun activiteiten bij, waarin zij met name alle hoeveelheden van elke gevangen en aan boord gehouden soort vermelden boven de 50 kg equivalent levend gewicht.
2. Het in lid 1 bedoelde visserijlogboek bevat met name de volgende informatie:
f) de geschatte hoeveelheden van iedere soort in kilogrammen levend gewicht of, indien mogelijk, het aantal vissen;
3. Voor de in het visserijlogboek vermelde ramingen van de in kilogram uitgedrukte hoeveelheden aan boord gehouden vis geldt een tolerantiemarge van 10 % voor alle soorten.
9. De kapitein is verantwoordelijk voor de juistheid van de in het visserijlogboek vermelde gegevens.
1. De kapiteins van communautaire vissersvaartuigen met een lengte van 12 m over alles of meer registreert de in artikel 14 bedoelde informatie elektronisch en stuurt die informatie minstens eenmaal per dag elektronisch door naar de bevoegde autoriteit van de vlaggenlidstaat.
2. De kapiteins van communautaire vissersvaartuigen met een lengte van 12 m over alles of meer zenden de in artikel 14 bedoelde informatie toe op verzoek van de bevoegde autoriteit van de vlaggenlidstaat en verstrekt de relevante gegevens uit het visserijlogboek in elk geval na beëindiging van de laatste visserijactiviteit en voor het binnenlopen in de haven.
1. Onverminderd bijzondere bepalingen in de meerjarenplannen, vult de kapitein van een communautair vissersvaartuig met een lengte over alles van 10 m of meer, of zijn vertegenwoordiger een aangifte van aanlanding in, waarin zij met name alle hoeveelheden van elke aangelande soort vermelden.
2. De in lid 1 bedoelde aangifte van aanlanding bevat ten minste de volgende gegevens:
c) de hoeveelheden van iedere soort in kilogrammen productgewicht, gespecificeerd naar aanbiedingsvorm van het product of, indien van toepassing, het aantal vissen;
4. De kapitein is verantwoordelijk voor de juistheid van de in de aangifte van aanlanding vermelde gegevens.
1. De kapitein van een communautaire vissersvaartuig met een lengte over alles van 12 m, of zijn vertegenwoordiger registreert de in artikel 23 bedoelde informatie elektronisch en stuurt die informatie, binnen 24 uur nadat de aanlanding is voltooid, elektronisch door naar de bevoegde autoriteit van de vlaggenlidstaat.
a. a) noteert hij de vermoedelijke inbreuk in het inspectieverslag;
b) neemt hij alle nodige maatregelen voor een veilige bewaring van het bewijsmateriaal betreffende de vermoedelijke inbreuk;
c) zendt hij het inspectieverslag onverwijld toe aan zijn bevoegde autoriteit;
d) stelt hij de natuurlijke persoon of rechtspersoon die ervan wordt verdacht de inbreuk te hebben begaan, of die bij het begaan van de betrokken inbreuk op heterdaad is betrapt, ervan in kennis dat de inbreuk tot de toekenning van het passende aantal punten overeenkomstig artikel 92 kan leiden. Deze informatie wordt genoteerd in het inspectieverslag.
1. De lidstaten passen op ernstige inbreuken zoals bedoeld in artikel 42, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1005/2008 een puntensysteem toe op basis waarvan de houder van een visvergunning voor een inbreuk op de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid een passend aantal punten krijgt.
2. Wanneer een natuurlijke persoon een ernstige inbreuk op de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid heeft begaan of een rechtspersoon aansprakelijk wordt geacht voor een dergelijke inbreuk, wordt een passend aantal punten aan de houder van de visvergunning gegeven. Wanneer het vaartuig na de datum waarop de inbreuk is begaan, wordt verkocht, overgedragen of anderszins van eigenaar verandert, worden de gegeven punten overdragen op de toekomstige houder van de visvergunning voor het betrokken vaartuig. De houder van de visvergunning heeft het recht om beroep in te stellen overeenkomstig het nationale recht.
3. Wanneer het totale aantal punten gelijk is aan of meer bedraagt dan een bepaald aantal punten, wordt de visvergunning automatisch geschorst voor een periode van ten minste twee maanden. Dit wordt vier maanden als de visvergunning voor een tweede keer wordt geschorst, acht maanden als de visvergunning voor een derde keer wordt geschorst, en één jaar als de visvergunning een vierde maal wordt geschorst omdat de vergunninghouder het aantal punten krijgt dat tot die schorsing leidt. Wanneer de houder dit aantal punten een vijfde maal krijgt toegekend, wordt de visvergunning definitief ingetrokken.
4. Indien de houder van een visvergunning binnen drie jaar vanaf de datum van de laatste ernstige inbreuk geen nieuwe ernstige inbreuk begaat, worden alle punten op de visvergunning geschrapt.
b) het toewijzen van het juiste aantal punten aan de houder van een visvergunning;
1. Het aantal punten voor ernstige inbreuken wordt door de bevoegde autoriteit van de vlaggenlidstaat overeenkomstig bijlage XXX toegewezen aan de houder van de visvergunning voor het betrokken vissersvaartuig.
1. Indien de houder van een visvergunning 18, 36, 54 en 72 punten heeft geaccumuleerd, gaat, respectievelijk, de eerste, tweede, derde en vierde schorsing van de visvergunning automatisch in voor de betrokken in artikel 92, lid 3, van de controleverordening bedoelde perioden.
2. Wanneer een houder van een visvergunning 90 punten heeft geaccumuleerd, wordt zijn visvergunning automatisch definitief ingetrokken.
Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen (PB 2008, L 286)

Artikel 2 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

[…]

Artikel 3 Vissersvaartuigen die IOO-visserij bedrijven

[…]

[…]

Artikel 42 Ernstige inbreuken

[…]

Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PB 2009, L 343)

Artikel 6 Visvergunning

[…]

Artikel 14 Invullen en overleggen van het visserijlogboek

[…]

[…]

[…]

[…]

Artikel 15 Elektronisch invullen en verzenden van visserijlogboekgegevens

[…]

Artikel 23 Invullen en overleggen van de aangifte van aanlanding

[…]

[…]

[…]

Artikel 24 Elektronisch invullen van gegevens van de aangifte van aanlanding

[…]

Artikel 82 Procedure bij inbreuken

Indien een functionaris op basis van de tijdens een inspectie verzamelde informatie of andere gegevens vermoedt dat er een inbreuk op de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid is begaan:

Artikel 92 Puntensysteem voor ernstige inbreuken

[…]

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie van 8 april 2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 (PB 2011, L 112)

Artikel 125 Invoering en werking van een puntensysteem voor ernstige inbreuken

De lidstaten wijzen de bevoegde nationale autoriteiten aan die bevoegd zijn voor:

[…]

[…]

Arikel 126 Het toewijzen van punten

[…]

Artikel 129 Schorsing en definitieve intrekking van een visvergunning

BIJLAGE XXX

VOOR ERNSTIGE INBREUKEN TOE TE WIJZEN PUNTEN

1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 15, eerste en tweede lid, van de controleverordening […].
1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 125 van de uitvoeringsverordening controleverordening, is de minister.
1. Als een ernstige inbreuk, bedoeld in artikel 42, onderdeel a, in samenhang met artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van verordening nr. 1005/2008, wordt aangemerkt:
e. overtreding van artikel 105, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij in samenhang met artikel 15, eerste lid, van de controleverordening, voor zover de in de elektronische aangifte van aanlanding vermelde vangsthoeveelheid, als bedoeld in artikel 24, eerste lid, in samenhang met artikel 23, tweede lid, onderdeel c, van de controleverordening, althans de vangsthoeveelheid zoals die met toepassing van artikel 60, vijfde lid, van de controleverordening in de elektronische aangifte van aanlanding vermeld had moeten worden, per soort en per visreis meer dan 15%, met een minimum van 200 kilogram, afwijkt ten opzichte van de geschatte hoeveelheid die vermeld is in het elektronische visserijlogboek, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de controleverordening; of
center
100
78914fa1-442b-432e-8085-2c6e28b52662
352
529
image/png

Uitvoeringsregeling zeevisserij

Artikel 105. Elektronisch invullen/verzenden visserijlogboekgegevens

[…]

Artikel 130. Puntensysteem voor ernstige inbreuken

[…]

Beleidsregel ernstige inbreuken GVB

Artikel 8. Schending verplichtingen inzake het registreren en melden vangstgegevens of met de vangst verband houdende gegevens

[…]

[…]