Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:382

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-02-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 07-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:382, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201900191/2/V3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:382:DOC

201900191/2/V3.Datum uitspraak: 7 februari 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 januari 2019 in zaak nr. NL18.24869 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 7 december 2018 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 3 januari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven. De Afdeling heeft namelijk laten weten dat de bodemprocedure wordt aangehouden in verband met de rechtsvraag die de eerste grief van de vreemdeling oproept.
2.    De vrijheidsontnemende maatregel is op 21 december 2018 opgeheven. Voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening bestaat daarom geen aanleiding. Over eventuele schadevergoeding zal in de bodemprocedure worden beslist.
3.    Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.
4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Van Meurs-Heuvelvoorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2019
47-873.