Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:380

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-02-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 08-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:380, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201810242/2/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:380:DOC

201810242/2/A1.Datum uitspraak: 8 februari 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend te Huisduinen, gemeente Den Helder,verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 5 december 2018 in zaak nr. 18/431 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Helder.
Procesverloop
Bij besluit van 3 juli 2017 heeft het college [verzoeker] onder oplegging van een dwangsom gelast een omgevingsvergunning aan te vragen voor de zonder omgevingsvergunning op het perceel [locatie] te Huisduinen gerealiseerde ophoging; de niet op dan wel direct naast de perceelgrens staande muren, zowel de muren op de betonplaat als de in aanbouw zijnde muur op de garage/berging te verwijderen; de op dan wel direct naast de perceelgrens staande muren in hoogte terug te brengen tot de maximale hoogte van 2 m ten opzichte van de oorspronkelijke als natuurlijk aan te merken terreinhoogte.
Bij besluit van 10 januari 2018 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 3 juli 2017 in die zin gewijzigd, dat [verzoeker] niet langer wordt gelast een omgevingsvergunning aan te vragen voor de zonder omgevingsvergunning gerealiseerde ophoging.
Bij tussenuitspraak van 10 juli 2018 heeft de rechtbank het college opgedragen om binnen twee weken aan de rechtbank mede te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid het in het besluit van 10 januari 2018 geconstateerde gebrek te herstellen.
Bij besluit van 7 augustus 2018 heeft het college het besluit van 10 januari 2018 gewijzigd.
Bij uitspraak van 5 december 2018 heeft de rechtbank het door [verzoeker] tegen het besluit van 10 januari 2018 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 januari 2019, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. L.T. van Eijck van Heslinga, advocaat te Alkmaar, en het college, vertegenwoordigd door M. Frederiks en R. Gaastra, zijn verschenen.
Overwegingen
1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.    Het verzoek strekt tot schorsing van de besluiten van 3 juli 2017, 10 januari 2018 en 7 augustus 2018, alsmede de besluiten waarmee tussentijds de begunstigingstermijn is opgeschort.
3.    De voorzieningenrechter overweegt dat het college ter zitting heeft toegezegd de begunstigingstermijn op te schorten tot vier weken na de dag van verzending van de uitspraak in de bodemprocedure en in de met deze zaak samenhangende zaak 201806892/1/A1. Deze toezegging heeft het college bij besluit van 6 februari 2019 bevestigd. Gelet hierop is geen spoedeisend belang gemoeid met het verzoek. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
4.    De voorzieningenrechter ziet, gezien de eerst ter zitting door het college gedane toezegging de begunstigingstermijn op te schorten, aanleiding het college op hierna te melden wijze in de proceskosten te veroordelen.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    wijst het verzoek af;
II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Helder tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Helder aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 253,00 (zegge: tweehonderddrieënvijftig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.
w.g. Wortmann    w.g. Kamphorst-Timmervoorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2019
776.