Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:377

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-02-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 13-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:377, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201804801/1/V1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:377:DOC

201804801/1/V1.Datum uitspraak: 13 februari 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
1.    de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,2.    [de vreemdeling],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 31 mei 2018 in zaak nr. NL18.8450 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 1 mei 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover hier van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 31 mei 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven, een voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met twee vergelijkbare zaken, ECLI:NL:RVS:2019:378 en ECLI:NL:RVS:2019:379, ter zitting behandeld op 29 oktober 2018. De vreemdeling, bijgestaan door mr. M.P.J.W.M. Govers, advocaat te Tilburg, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en mr. R.A. Visser, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.    Niet in geschil is dat de vreemdeling de zogeheten Gülenbeweging aanhangt en om die reden door de Turkse autoriteiten als leraar is ontslagen. Deze uitspraak gaat over de positie van aanhangers van de Gülenbeweging (hierna: Gülenisten) in Turkije na de couppoging van 15 juli 2016.
1.1.    De Afdeling besteedt bij beoordeling van de geschilpunten aandacht aan de algemene situatie voor Gülenisten in Turkije na de couppoging. Gelet hierop en op de actualiteitswaarde van de uitspraak, betrekt de Afdeling bij deze beoordeling ook stukken waar partijen pas na de aangevallen uitspraak een beroep op hebben gedaan. De in deze procedure betrokken stukken zijn vermeld in de aangehechte bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Aangevallen uitspraak
2.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris, door op het verloop van de procedure te wijzen, ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat hij aan zijn samenwerkingsplicht heeft voldaan, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn (PB 2011 L 337). Uit de door de vreemdeling overgelegde informatie volgt dat in Turkije vervolging plaatsvindt op arbitraire gronden, Gülenisten ten onrechte als criminelen worden behandeld en het hebben van een rekening bij de Asyabank - wat bij de vreemdeling het geval is - al voldoende is om als terrorist te worden gezien. Volgens de rechtbank kan de staatssecretaris dan niet volstaan met de stelling dat de enkele verwijzing naar algemene bronnen een gegronde vrees voor vervolging niet aannemelijk maakt. Ook heeft hij met het door hem overgelegde rapport 'Country policy and information note: Gülenism, Turkey' van 19 februari 2018 van het UK Home Office ondeugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling bij terugkeer naar Turkije geen risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. De staatssecretaris moet onderzoeken of de vreemdeling deel uitmaakt van een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen, aldus de rechtbank.
Grief
3.    In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen als onder 2. weergegeven. Volgens hem heeft hij wel aan zijn samenwerkingsplicht voldaan. Uit drie overgelegde bronnen, te weten voornoemd rapport van het UK Home Office, het rapport ‘Country Reports on Human Rights Practices for 2017: Turkey’ van 20 april 2018 van het ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten en het rapport 'Press Country Profile Turkey' van het EHRM, volgt dat Gülenisten als groep niet worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. Daarnaast heeft hij deugdelijk gemotiveerd waarom de vreemdeling niet persoonlijk in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten, aldus de staatssecretaris.
Samenwerkingsplicht
3.1.    De staatssecretaris heeft de vreemdeling in staat gesteld zijn asielmotieven in het nader gehoor naar voren te brengen, waarop hij in het voornemen gemotiveerd is ingegaan. Ook heeft hij de vreemdeling in staat gesteld een zienswijze uit te brengen naar aanleiding van het voornemen.
De staatssecretaris heeft daardoor voldoende actief samengewerkt met de vreemdeling. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3833. Daarom heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris, door in het besluit op voornoemde gang van zaken te wijzen, het standpunt dat hij aan zijn samenwerkingsplicht heeft voldaan ondeugdelijk heeft gemotiveerd.
3.2.    De klacht is terecht voorgedragen, maar de grief kan gelet op wat hierna wordt overwogen niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
Risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM
4.    De rechtbank heeft eveneens overwogen dat, gelet op de door de vreemdeling overgelegde stukken, de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat hij als Gülenist bij terugkeer naar Turkije geen risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling loopt. De Afdeling zal daarom de algemene situatie van Gülenisten in Turkije bespreken en bezien of er aanknopingspunten bestaan om aan te nemen dat deze groep een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
Standpunt van de vreemdeling
4.1.    De vreemdeling heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie voor Gülenisten in Turkije na de couppoging erg slecht is. Hiertoe wijst hij op massale ontslagen met namen op publieke lijsten. Verder wijst hij op massale arrestaties. Volgens de vreemdeling blijkt uit het rapport 'A new generation of terrorism: an analysis of FETÖ' van november 2017 van de Turkse Nationale Politie Academie dat er toen al 300.000 Gülenisten waren gearresteerd. Daarnaast blijkt uit overgelegde krantenartikelen van 21 mei en 22 juni 2018 van dagblad Daily Sabah dat nog veel meer mensen zullen worden aangehouden en veroordeeld. De vreemdeling wijst in dit kader op het rapport van 21 juni 2017 van de Speciaal Rapporteur voor de vrijheid van meningsuiting van de Verenigde Naties, waaruit zou blijken dat Gülenisten op arbitraire gronden worden gearresteerd en voor langere tijd in voorarrest zitten zonder aanklacht en procesgang. Verder heeft de vreemdeling in de schriftelijke uiteenzetting gewezen op het rapport van maart 2018 van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties, waaruit zou volgen dat het aantal gerapporteerde mensenrechtenschendingen sterk is toegenomen, waaronder foltering en onmenselijke behandeling tijdens (voor)arrest en detentie. Dit is bevestigd in het rapport 'World Report: 2018; events of 2017' van 2017 van Human Rights Watch en het artikel 'Turkije mishandelt en martelt gevangenen' van 25 juli 2016 van Amnesty International, aldus de vreemdeling.
Standpunt van de staatssecretaris
4.2.    De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat bijvoorbeeld ontslag niet onder artikel 3 van het EVRM valt en dat bijvoorbeeld mishandeling in detentie niet systematisch gebeurt. Volgens de staatssecretaris blijkt namelijk uit de door hem overgelegde rapporten dat niet iedereen die in verband wordt gebracht met de Gülenbeweging strafrechtelijk wordt vervolgd en gedetineerd. Verder kan uit de beschikbare bronnen geconstateerd worden dat de situatie in Turkije voor Gülenisten zich moeilijk laat voorspellen en dat in vele gevallen arrestatie van vermoedelijke Gülenisten aan de orde is. Deze onvoorspelbaarheid is echter onvoldoende om iedere Gülenist internationale bescherming te bieden, aldus de staatssecretaris.
Arrestatie en detentie
4.3.    De Afdeling ziet zich eerst gesteld voor de vraag of Gülenisten in Turkije een reëel risico lopen op arrestatie en detentie.
4.3.1.    In voornoemd rapport van het UK Home Office staat dat sinds juli 2016 ongeveer 50.000 personen zijn gearresteerd en 150.000 personen zijn ontslagen. In voornoemd rapport van het ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten staat dat volgens het Turkse ministerie van Justitie op 15 juli 2017 169.013 personen zijn onderworpen aan enige vorm van strafrechtelijk onderzoek, waarvan 55.665 zijn gearresteerd.
In voornoemd rapport van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten staat dat volgens het Turkse ministerie van Binnenlandse Zaken eind december 2017 159.506 personen zijn vastgezet, waarvan zo'n 55.000 zijn gearresteerd. In het door de vreemdeling overgelegde artikel van 22 juni 2018 staat dat verwacht wordt dat meer arrestaties volgen.
4.3.2.    Uit deze cijfers blijkt dat een aanmerkelijk aantal personen is vastgezet. Hoewel de staatssecretaris terecht betoogt dat uit deze cijfers niet volgt dat elke Gülenist strafrechtelijk wordt vervolgd, geeft de door de staatssecretaris en de vreemdeling overgelegde informatie blijk van een complexe en diffuse situatie in Turkije. Ter zitting heeft de staatssecretaris dit beeld over de situatie voor Gülenisten in Turkije niet kunnen verduidelijken. Aldus heeft de staatssecretaris de door de vreemdeling aangedragen ernstige redenen om te vrezen dat Gülenisten als groep een reëel risico lopen te worden gearresteerd, niet weggenomen. Daarom heeft de staatssecretaris ondeugdelijk gemotiveerd dat Gülenisten in Turkije niet systematisch strafrechtelijk worden vervolgd en alleen al daarom ook niet als groep het risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
4.4.    De vraag die daarnaast aan bod komt, is of Gülenisten in Turkije een reëel risico lopen tijdens arrestatie en detentie te worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Alhoewel een arbitraire en dus onrechtmatige arrestatie of detentie in beginsel onder de reikwijdte valt van artikel 5 van het EVRM, kunnen de omstandigheden waaronder dit gebeurt in strijd komen met artikel 3 van het EVRM.
4.4.1.    Uit de door de vreemdeling overgelegde stukken ontstaat het beeld dat gearresteerde en gedetineerde Gülenisten foltering en onmenselijke behandeling riskeren. Zo staat in hoofdstuk vier van voornoemd rapport van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten dat hij in de periode na de couppoging allerlei vormen van foltering en onmenselijke behandeling door politie en ander veiligheidspersoneel heeft gedocumenteerd, inclusief zware mishandeling, seksueel geweld, elektrische schokken en waterboarding. Een grote hoeveelheid beeldmateriaal waarin de foltering van verdachten van de couppoging is afgebeeld circuleert wijdverbreid in Turkse en sociale media. Ook heeft Turkije veel maatregelen genomen die het risico op foltering en onmenselijke behandeling vergroten, aldus de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten. Het rapport verwijst verder naar het rapport van 18 december 2017 van de Speciaal Rapporteur tegen foltering van de Verenigde Naties. Hierin staat onder meer:
    23. […] that there seemed to be a serious disconnect between declared government policy and its implementation in practice. Most notably, despite persistent allegations of widespread torture and other forms of ill-treatment, made in relation […] to the immediate aftermath of the failed coup of 15 July 2016 […], formal investigations and prosecutions in respect of such allegations appear to be extremely rare, thus creating a strong perception of de facto impunity for acts of torture and other forms of ill-treatment.
    […]
    26. According to numerous consistent allegations received by the Special Rapporteur, in the immediate aftermath of the failed coup, torture and other forms of ill-treatment were widespread, particularly at the time of arrest and during the subsequent detention in police or gendarmerie lock-ups as well as in improvised unofficial detention locations such as sports centres, stables and the corridors of courthouses.
Weliswaar staat ook in dit rapport dat de situatie ongeveer twee weken na de couppoging aanmerkelijk verbeterde en de meeste gevangenen aangaven niet langer te worden blootgesteld aan foltering of onmenselijke behandeling, maar de Speciaal Rapporteur is hiervan teruggekomen in zijn verklaring van 1 maart 2018 voor de 37e vergadering van de Mensenrechtenraad. Volgens de Speciaal Rapporteur is het aantal meldingen van onmenselijke behandeling opnieuw aan het stijgen. In voornoemd rapport van Human Rights Watch staat verder dat veel gevallen van foltering en onmenselijke behandeling het jaar 2017 door vermeld werden, inclusief mishandeling, het aannemen van langdurig ongemakkelijke houdingen, bedreiging van verkrachting en beïnvloeding van medische onderzoeken. In voornoemd, door de staatssecretaris overgelegde rappor van het UK Home Office, worden drie andere bronnen vermeld, waarin ook verslag wordt gedaan van foltering en onmenselijke behandeling. Zo volgt uit onder meer het rapport ‘In custody. Police torture and abductions in Turkey’ van oktober 2017 van Human Rights Watch dat de hoeveelheid gerapporteerde zaken in de media een aanwijzing is dat foltering en onmenselijke behandeling een wijdverbreid probleem is geworden en mensen die verdacht worden van banden met de Gülenbeweging samen met vermeende PKK-aanhangers het grootste risico op foltering lopen. Daarnaast staat in voornoemd, door de staatssecretaris overgelegd rapport van het ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten dat de non-gouvernementele organisaties Human Rights Association en Human Rights Foundation of Turkey in de eerste elf maanden in 2017 respectievelijk 423 en 328 klachten ontvingen. Verder staat er dat Turkije de openbaarmaking blokkeert van de bevindingen van het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing. Tot slot zijn voornoemde bronnen kritisch over het gebrek aan tegenmaatregelen door de Turkse regering, zoals strafrechtelijk onderzoek naar en vervolging van hen die zich schuldig maken aan folterpraktijken.
4.4.2.    De door de vreemdeling overgelegde informatie over het risico dat Gülenisten tijdens arrestatie en detentie worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, dan wel dat Turkse autoriteiten hier niet tegen optreden, levert ook op dit punt het beeld op van een complexe en diffuse situatie, waarover de staatssecretaris ter zitting geen duidelijkheid heeft kunnen verschaffen. Het in het hogerberoepschrift ingenomen standpunt van de staatssecretaris dat Gülenisten tijdens arrestatie en detentie niet worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM is zodoende vooralsnog niet gebaseerd op een adequate beoordeling die voldoende wordt ondersteund door betrouwbare en objectieve bronnen (vergelijk het arrest van het EHRM van 23 maart 2016, F.G. tegen Zweden, ECLI:CE:ECHR:2016:0323JUD004361111, § 117). Alleen al daarom heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris zijn standpunt dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel en voorzienbaar risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Wat de vreemdeling verder over zijn ontslag heeft aangevoerd, daargelaten of dat de drempel haalt voor een geslaagd beroep op artikel 3 van het EVRM, behoeft geen bespreking.
    De grief faalt.
Conclusie
5.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is ongegrond. Het door de vreemdeling ingestelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep is daarmee vervallen. De aangevallen uitspraak moet, gelet op wat onder 3.1. is overwogen, worden bevestigd met verbetering van de gronden.
6.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Schuurmanvoorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2019
282-862. BIJLAGE
Overzicht van in de procedure door de Afdeling betrokken stukken:
1.    artikel 'Turkije mishandelt en martelt gevangenen' van 25 juli 2016 van Amnesty International;
2.    rapport 'A new generation of terrorism: an analysis of FETÖ' van november 2017 van de Turkse Nationale Politie Academie;
3.    rapport 'World Report: 2018; events of 2017' van 2017 van Human Rights Watch;
4.    rapport ‘In custody. Police torture and abductions in Turkey’ van oktober 2017 van Human Rights Watch;
5.    rapport van 18 december 2017 van de Speciaal Rapporteur tegen foltering van de Verenigde Naties;
6.    rapport 'Country policy and information note: Gülenism, Turkey' van 19 februari 2018 van het UK Home Office;
7.    verklaring van 1 maart 2018 van de Speciaal Rapporteur tegen foltering van de Verenigde Naties voor de 37e vergadering van de Mensenrechtenraad;
8.    rapport van maart 2018 van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties;
9.    rapport ‘Country Reports on Human Rights Practices for 2017: Turkey’ van 20 april 2018 van het ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten;
10.    artikel '104 sentenced to life in prison in FETÖ's coup attempt trial' van 21 mei 2018 van dagblad Daily Sabah;
11.    artikel '10 jailed for links to terrorist group behind 2016 coup attempt' van 22 juni 2018 van dagblad Daily Sabah;
12.    rapport 'Press Country Profile Turkey' van juli 2018 van het EHRM.