Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3745

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-11-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 06-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3745, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201902557/1/A2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:3745:DOC

201902557/1/A2.Datum uitspraak: 6 november 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te [woonplaats],tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 februari 2019 in zaak nr. 18/5241 in het geding tussen:[appellant]ende Belastingdienst/Toeslagen.ProcesverloopBij een eerste besluit van 16 maart 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] toegekende voorschot huurtoeslag over 2015 herzien en vastgesteld op nihil.Bij een tweede besluit van 16 maart 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de definitief berekende huurtoeslag van [appellant] over 2016 opnieuw berekend en vastgesteld op nihil en een bedrag van € 3.093,00 van hem teruggevorderd.Bij besluit van 9 maart 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] toegekende voorschot huurtoeslag over 2017 herzien en vastgesteld op nihil.Bij besluit van 21 maart 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] toegekende voorschot huurtoeslag over 2018 herzien en vastgesteld op nihil.Bij besluit van 20 juni 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 19 februari 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. drs. P. van Wegen, advocaat te Den Haag en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken en drs. R.E. van Huisstede, zijn verschenen.Overwegingen1.    [appellant] huurt een woning aan de [locatie] te Den Haag (hierna: de woning) van Stichting Euro Exchange Benelux (hierna: Stichting EEB). In verband daarmee heeft de Belastingdienst/Toeslagen voorschotten huurtoeslag over de toeslagjaren 2015, 2016, 2017 en 2018 toegekend.    Op 20 februari 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellant] medegedeeld dat zijn huurtoeslag per 1 januari 2015 zal worden beëindigd, omdat uit bewijsstukken die de dienst bij [appellant] had opgevraagd blijkt dat [appellant] bestuurder is van Stichting EEB, zijnde de eigenaar van de woning, en daardoor invloed kan uitoefenen op de huurprijs. Daarnaast blijkt onvoldoende dat de verschuldigde huurprijs is betaald. Als gevolg hiervan heeft de dienst bij besluiten van 9, 16 en 21 maart 2018, als gehandhaafd bij het besluit op bezwaar, de huurtoeslag van [appellant] over de jaren 2015 tot en met 2018 opnieuw berekend.2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] sinds het begin van de oprichting van Stichting EEB als bestuurder betrokken is (geweest) bij deze stichting. Op grond van deze functie kon eiser invloed uitoefenen op de hoogte van de huurprijs, hetgeen maakt dat hij niet als huurder in de zin van artikel 1, aanhef en onder c, sub 1, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: de Wht) kan worden aangemerkt en geen recht heeft op huurtoeslag.3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. Hij voert daartoe aan dat de gevallen in de uitspraken van de Afdeling van 14 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BS8812 en van 18 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2237, waarnaar de rechtbank verwijst, niet vergelijkbaar zijn met zijn geval, aangezien hij geen mede-eigenaar is. De bestuursfunctie die hij heeft gehad bij Stichting EEB rechtvaardigt niet de conclusie dat hij krachtens een andere hoedanigheid in het genot van de woning is. Voor zover hij al invloed kon uitoefenen op de huurprijs, heeft hij deze invloed niet langer, omdat hij medio 2016 is uitgetreden als bestuurslid, aldus [appellant].3.1.    Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie de uitspraak van 14 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1136, en de uitspraak van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2366) volgt dat de betekenis van de term huurder in artikel 1, aanhef en onder c, sub 1, van de Wht gelijk is aan die van die term in de Huursubsidiewet die aan de Wht voorafging. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de bepaling (Kamerstukken II 1996/1997, 25 090, nr. 3, blz. 28) volgt dat bedoeld is dat alleen huurder in de zin van de wet is, diegene die uitsluitend als huurder en niet mede krachtens enige andere hoedanigheid in het genot van de woning is. Zo heeft een eigenaar of mede-eigenaar van de woning geen aanspraak op huursubsidie. De reden daarvoor is dat de aanvrager niet op de een of andere manier invloed op de huurprijs mag kunnen uitoefenen, zo volgt uit die geschiedenis. Vergelijk ook de uitspraken van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:23 en van 7 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2707.3.2.    Uit de huurovereenkomst tussen [appellant] en Stichting EEB, de eigenaar van de woning, gesloten op 15 december 2013, volgt dat [appellant] de woning huurt van deze stichting voor een huurprijs van € 514,00 per maand. Deze huurprijs kan vervolgens op voorstel van verhuurder jaarlijks worden verhoogd. Uit de artikelen 4 en 5 van de statuten van Stichting EEB volgt dat het bestuur uit ten minste twee en ten hoogste zeven leden bestaat en tijdens bestuursvergaderingen besluiten neemt over allerlei onderwerpen met absolute meerderheid van stemmen. Daaronder is ook de verhoging van de huurprijs begrepen.    Gebleken is dat [appellant] medeoprichter was van Stichting EEB en dat hij ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst tot 1 september 2016, naast nog twee andere bestuursleden, waaronder de zoon van [appellant], bestuurslid was van deze stichting. Mede gelet op het geringe aantal bestuursleden had [appellant] als bestuurslid invloed van enige betekenis op de totstandkoming van de huurprijs in 2013 en op de hoogte van de huurprijs in de jaren daarna. Dat [appellant], zoals hij stelt, in het jaar 2016 is uitgetreden als bestuurslid van Stichting EEB, maakt het voorgaande niet anders, nu hij in de betreffende toeslagjaren nog steeds bestuurslid was van Stichting Meet the British. Deze stichting is de secretaris van het bestuur van Stichting EEB. Derhalve kon [appellant] nog steeds invloed van enige betekenis op de hoogte van de huurprijs uitoefenen.    De omstandigheid dat besluiten door het voltallige bestuur worden genomen en hij geen mede-eigenaar is van de woning, maakt het voorgaande niet anders. Voldoende is dat [appellant] invloed van enige betekenis op de huurprijs in de betreffende toeslagjaren kon uitoefenen. De vergelijking van [appellant] met de situatie waarin ouders die eigenaar zijn van een woning en deze aan hun kind verhuren en hun kind wel in aanmerking komt voor huurtoeslag, gaat niet op. Ook in die situatie krijgt het betreffende kind geen huurtoeslag, ingeval hij invloed van enige betekenis kan uitoefenen op de huurprijs.    Het betoog faalt.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.w.g. Van Ravels    w.g. Naleslid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 6 november 2019680.