Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3719

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-11-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 06-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3719, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201900543/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:3719:DOC

201900543/1/A1.Datum uitspraak: 6 november 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te Amsterdam,tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2018 in zaken nrs. 18/1455 en 18/1753 in het geding tussen:[appellant]enhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.ProcesverloopBij besluit van 6 oktober 2016 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om de steiger, het vlot en de berging aan de [locatie] (hierna: het perceel) te verwijderen en geheel verwijderd te houden.Bij besluit van 10 maart 2017 heeft het college geweigerd om aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het vernieuwen van de steiger en de berging aan de voorzijde van het perceel.Bij besluit van 6 februari 2018 heeft het college de door [appellant] tegen de besluiten van 6 oktober 2016 en 10 maart 2017 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 30 november 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 februari 2018 vernietigd, voor zover het de formulering van de last betreft, de last zelf voorziend geherformuleerd en bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 6 februari 2018. Deze uitspraak is aangehecht.Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2019, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door M.H.J. Stelwagen en W.C. Karreman, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende] als partij gehoord.Overwegingen    Inleiding1.    [appellant] is sinds februari 2015 eigenaar van de woonark die gelegen is op het perceel. De woonark ligt aan een steiger, met daarop een berging. Aan de lange voorzijde van de woonark ligt een vlot. Bij besluit van 14 september 2007 is aan de rechtsvoorganger van [appellant] een persoons-, plaats- en objectgebonden ontheffing verleend als bedoeld in artikel 2.5.2, tweede lid, van de "Verordening op de haven en het binnenwater 2006" (hierna: de Vhb) voor het afmeren en plaatsen van een steiger inclusief loopplank van 11 m lang en 6,50 m breed en een vlot van 6 m lang en 3,10 m breed.    Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Rivierenbuurt" (hierna: het bestemmingsplan). Op het perceel rust de bestemming "Water" met de functieaanduiding "Ligplaats", waar per woonboot steigers en vlotten zijn toegestaan met een gezamenlijke maximale oppervlakte van 25 m2.    Vast staat en niet in geschil is dat [appellant] zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) de steiger en de berging heeft vernieuwd. Het college stelt zich op het standpunt dat [appellant] in strijd met artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo handelt door de steiger, het vlot en de berging in stand te laten. Volgens het college zijn de steiger en het vlot in strijd met het bestemmingsplan, omdat de gezamenlijke oppervlakte 68,9 m2 bedraagt. Daarmee wordt de op grond van artikel 19.2.2, onder a, onder 2, van de planregels maximaal toegestane gezamenlijke oppervlakte aan steigers en vlotten per woonboot van 25 m2 met 43,9 m2 overschreden. Bovendien is de berging in strijd is met artikel 19.2.3 van de planregels, omdat de berging ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan niet op de steiger aanwezig was, aldus het college. [appellant] heeft op 2 november 2016 ter legalisering van de strijdigheden een aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo ingediend. Het college heeft zich in het besluit van 10 maart 2017 op het standpunt gesteld dat het geen medewerking wil verlenen aan legalisatie van de steiger, het vlot en de berging, omdat het bouwplan lijnrecht tegenover de ruimtelijke wensen van de stad ten aanzien van de Amstel en het gebruik van de oevers staat. De vervanging van de oude, al illegale, steiger door een nieuwe steiger met nagenoeg dezelfde afmetingen wordt door het college niet als positief beoordeeld.Aangevallen uitspraak2.    De rechtbank heeft overwogen dat de ontheffing van 14 september 2007 niet kan worden aangemerkt als een vergunning als bedoeld in artikel 31.3 van de planregels, omdat de ontheffing persoons-, plaats- en objectgebonden is en daarom alleen voor de rechtsvoorganger van [appellant] gold. De ontheffing is volgens de rechtbank duidelijk niet bedoeld om de steiger en het vlot definitief te legaliseren. Met betrekking tot de last onder dwangsom heeft de rechtbank overwogen dat de last te verstrekkend is, omdat door het verwijderen van de steiger ook de bestaande afmeervoorziening moet worden verwijderd, terwijl deze voorziening niet in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien door de opgelegde last onder dwangsom te herformuleren, in die zin dat de last niet betreft het hebben van een toegangs- en afmeervoorziening, zoals voorzien in de "Beleidsregels voor de Amstel op grond van de Verordening op de haven en het binnenwater 2006" (hierna: de beleidsregels).Wettelijk kader3.    Artikel 2.5.2 van de Vhb luidt:"1. Het is verboden met een object een ligplaats in te nemen of een object in, op of boven het water te plaatsen.2. Het college kan van het eerste lid ontheffing verlenen indien de overige vereiste vergunningen of ontheffingen voor het aanbrengen of plaatsen van die objecten zijn verleend.3. Het college kan categorieën objecten aanwijzen waarop het verbod in het eerste lid niet van toepassing is.[…]."    Artikel 1.2 van de beleidsregels luidt:"In deze beleidsregels wordt verstaan onder:[…];l. toegangsconstructie: een loopplank of steiger van maximaal 2 meter breed en met een maximale lengte die gelijk is aan de kortst mogelijke afstand tussen de oever en de toegang tot de woonboot;[…]."    Artikel 5.1 luidt:"Als categorieën objecten in de zin van artikel 2.5.2, derde lid, van de Vhb worden aangewezen:a. maximaal twee toegangsconstructies tot een woonboot, waarbij vereist is dat de tweede toegangsconstructie toegang biedt tot een tweede toegangsdeur;b. maximaal twee afmeerpalen per woonboot;[…]."    Artikel 31.3 van de planregels luidt:"Bestaande bebouwing, die in overeenstemming met een verleende vergunning is gebouwd en afwijkt van dit bestemmingsplan mag geheel of gedeeltelijk worden vervangen of vernieuwd, mits de afwijking van dit bestemmingsplan naar aard en omvang niet wordt vergroot, tenzij daarvoor met toepassing van enige in dit bestemmingsplan geregelde afwijkingsbevoegdheid een omgevingsvergunning wordt verleend."Hoger beroep4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de gevraagde omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd. Hij voert daartoe aan dat de ontheffing die op 14 september 2007 aan zijn rechtsvoorganger is verleend, aangemerkt dient te worden als een verleende vergunning als bedoeld in artikel 31.3 van de planregels. Volgens [appellant] is voor de toepassing van artikel 31.3 van de planregels, dat volgens hem een bouwvoorschrift is, alleen van belang dat de steiger ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan in overeenstemming met een verleende vergunning is gebouwd. De omstandigheid dat de ontheffing van 14 september 2007 persoons-, plaats- en objectgebonden is, betekent niet dat hij geen beroep kan doen op artikel 31.3 van de planregels, aldus [appellant].4.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college de gevraagde omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd, nu de ontheffing van 14 september 2007 niet kan worden aangemerkt als een verleende vergunning waarmee de bebouwing in overeenstemming is gebouwd als bedoeld in artikel 31.3 van de planregels. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de ontheffing van 14 september 2007 een ontheffing is als bedoeld in artikel 2.5.2, tweede lid, van de Vhb, die, zoals ter zitting door het college is toegelicht bedoeld is als een uitsterfconstructie, hetgeen betekent dat indien de eigendom wordt overgedragen, de nieuwe eigenaar de objecten moet terugbrengen naar de toegestane omvang. Uit de toelichting bij de artikelen 5.3, derde lid, en 5.4, eerste lid, van de beleidsregels volgt dat voor zowel de steiger als de berging op de steiger een vergunning voor de activiteit bouwen noodzakelijk is. Omdat de ontheffing niet kan worden aangemerkt als een verleende vergunning als bedoeld in artikel 31.3 van de planregels, kan [appellant] alleen daarom al geen beroep doen op dat artikel.    Het betoog faalt.5.    [appellant] betoogt voorts dat de door de rechtbank gewijzigde last in strijd is met de rechtszekerheid. Hij voert daartoe aan dat de last niet kan worden opgelegd ten aanzien van de afmeerpalen, ongeacht de vraag of deze in overeenstemming zijn met de beleidsregels. De afmeerpalen zijn op zichzelf geen bouwwerk. Zij behoren tot de woonark, omdat de woonark zonder afmeerpalen geen plaatsgebonden object is en derhalve geen bouwwerk is. Daarnaast voert [appellant] aan dat onvoldoende duidelijk is welk deel van de steiger de toegangsconstructie betreft. Daarom is onvoldoende duidelijk welk gedeelte van de steiger verwijderd moet worden, aldus [appellant].5.1.    Voor zover [appellant] betoogt dat de afmeerpalen niet zonder omgevingsvergunning en in strijd met het bestemmingsplan zijn gebouwd, omdat zij niet als bouwwerken kunnen worden aangemerkt, overweegt de Afdeling dat het college ter zitting heeft bevestigd dat de afmeerpalen geen onderdeel uitmaken van de last. Omdat de afmeerpalen geen onderdeel uitmaken van de last, faalt het betoog alleen al daarom in zoverre.    Uit de aangevallen uitspraak volgt dat met de gewijzigde last wordt beoogd dat [appellant] de steiger, het vlot en de berging moet verwijderen, met uitzondering van de toegangsconstructie en de afmeerpalen, voor zover deze noodzakelijk zijn voor het veilig betreden en afmeren van de woonark en in overeenstemming zijn met de beleidsregels. In artikel 1.2, onder l, van de beleidsregels staat dat de toegangsconstructie een loopplank of steiger is van maximaal 2 m breed en met een maximale lengte die gelijk is aan de kortst mogelijke afstand tussen de oever en de toegang tot de woonboot. De last houdt, gelet op deze uitzondering, dus in dat het vlot en de berging verwijderd moeten worden en dat de steiger dient te worden teruggebracht tot een steiger van maximaal 2 m breed en met een lengte die gelijk is aan de kortst mogelijke afstand tussen de oever en de toegang tot de woonboot. In wat [appellant] naar voren heeft gebracht kan geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat de door de rechtbank gewijzigde last in strijd is met de rechtszekerheid.    Het betoog faalt.Conclusie6.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Graaff-Haasnootlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 6 november 2019531-884.