Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3718

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-11-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 06-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3718, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201810352/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:3718:DOC

201810352/1/A1.Datum uitspraak: 6 november 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te Zoetermeer,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 november 2018 in zaak nr. 18/1317 in het geding tussen:[appellant]enhet college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer.ProcesverloopBij besluit van 16 mei 2017 heeft het college aan de gemeente Zoetermeer omgevingsvergunning verleend voor het kappen van bomen op het perceel de Lissenvaart tegenover de huisnummers 5 tot en met 8 te Zoetermeer.Bij besluit van 5 januari 2018 heeft het college het door onder meer [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 16 mei 2017 herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd.Bij besluit van 13 juli 2018 heeft het college de motivering van het besluit van 5 januari 2018 aangevuld.Bij tussenuitspraak van 3 augustus 2018 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in de besluiten van 5 januari 2018 en 13 juli 2018 te herstellen.Naar aanleiding van de tussenuitspraak van de rechtbank heeft het college bij besluit van 19 september 2018 de tegen het besluit van 16 mei 2017 gemaakte bezwaren alsnog ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 5 november 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen de besluiten van 5 januari 2018 en 13 juli 2018 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het tegen het besluit van 19 september 2018 door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 oktober 2019, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. K. Hoogenboom en R.W.A. Heerings, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A] en [belanghebbende B] als partij gehoord.OverwegingenInleiding1.    Op 1 mei 2017 heeft de gemeente Zoetermeer een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het kappen van acht populieren op het perceel aan de Lissenvaart tegenover de huisnummers 5 tot en met 8. [appellant] is woonachtig aan de [locatie 1]. De aanvraag ziet op acht Italiaanse populieren van ongeveer 35 meter hoog. De afstand van de bomen tot de woningen aan de Lissenvaart 5 tot en met 8 bedraagt tussen de 10 en 20 meter. Volgens de aanvraag is sprake van (uit)zichtbelemmering en beperking van lichttoetreding. De aanleiding voor het doen van de aanvraag is gelegen in een verzoek van de bewoners van de Lissenvaart 16 tot en met 22. Het verzoek van de bewoners is voorgelegd aan de Adviescommissie Bomen, die in een rapport van 19 januari 2017 heeft geadviseerd de acht populieren te verwijderen en te vervangen door andere kleiner blijvende bomen.    Bij besluit van 5 januari 2018 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat in het rapport van de Adviescommissie Bomen van 19 januari 2017 onvoldoende is onderbouwd waarom de bomen overlast veroorzaken in de vorm van (uit)zichtbelemmering en beperking van lichttoetreding. In het besluit van 13 juli 2018 is nader toegelicht waarom het rapport van de Adviescommissie Bomen niet aan het besluit van 5 januari 2018 ten grondslag kon worden gelegd.    In de tussenuitspraak van 3 augustus 2018 heeft de rechtbank overwogen dat het op de weg van het college had gelegen om de Adviescommissie Bomen te verzoeken zich nader gemotiveerd uit te laten over (uit)zichtbelemmering en beperking van lichttoetreding. Volgens de rechtbank heeft het college in het besluit van 13 juli 2018 ten onrechte het standpunt ingenomen dat het rapport van de Adviescommissie Bomen terzijde moet worden geschoven omdat objectieve criteria voor (uit)zichtbelemmering en beperking van lichttoetreding ontbreken. Daarmee wordt volgens de rechtbank voorbijgegaan aan paragraaf 5.2. van het in de gemeente Zoetermeer gevoerde bomenbeleid, waaruit volgt dat de Adviescommissie Bomen van geval tot geval dient te bezien of van de regels over de aanleiding tot kappen en overlast dient te worden afgeweken en waarin niet is vermeld dat dit aan de hand van objectieve criteria moet gebeuren.    Bij besluit van 19 september 2018 heeft het college, onder verwijzing naar een nieuw advies van de Adviescommissie Bomen van 17 september 2018, alsnog besloten het besluit van 16 mei 2017 te handhaven. In voormeld advies heeft de Adviescommissie Bomen geconcludeerd dat geen sprake is van uitzichtbelemmering door de populieren maar wel van een overmatige beperking van lichttoetreding tot de woningen aan de Lissenvaart 5 tot en met 8. De Adviescommissie Bomen heeft dit geconcludeerd naar aanleiding van de onderzoeksresultaten die zijn verkregen uit de door haar toegepaste methode zoals neergelegd in de "Opzet methodiek hinder daglichttoetreding door bomen".    Bij uitspraak van 5 november 2018 heeft de rechtbank overwogen dat de Adviescommissie Bomen haar standpunt met het aanvullende advies van 17 september 2018 toereikend heeft gemotiveerd en dat geen grond bestaat voor de conclusie dat het besluit van 19 september 2018 om omgevingsvergunning te verlenen voor de kap van de populieren onredelijk is. Het college heeft het gebrek in de besluitvorming volgens de rechtbank bij besluit van 19 september 2018 op juiste wijze hersteld.Het hoger beroep van [appellant]2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college een tweede dendroloog om advies had moeten vragen. Ter zitting heeft hij toegelicht dat hij met deze grond heeft beoogd te betogen dat het college een nader advies bij een andere persoon of instantie had moeten inwinnen.2.1.    De Adviescommissie Bomen bestaat uit een landschapsarchitect, een dendroloog en een gebiedsadviseur. Op 17 september 2018 heeft de Adviescommissie Bomen een nader advies uitgebracht, waarin is geconcludeerd dat de acht bomen dienen te worden gekapt omdat sprake is van overmatige hinder van daglichttoetreding ten aanzien van de woningen gelegen aan de Lissenvaart 5 tot en met 8.    Hoewel het college niet aan een deskundigenadvies is gebonden, mag het aan dit advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het volgen van dat advies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij een belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is anders, indien het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het college dit niet, of niet zonder meer, aan zijn besluit ten grondslag had mogen leggen. [appellant] heeft geen advies van een andere deskundige overgelegd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college in het gemotiveerde advies van de Adviescommissie Bomen geen aanleiding hoeven zien een tweede dendroloog om advies te vragen, nu niet is gebleken dat het advies van 17 september 2018 blijk geeft van gebreken die voor het college aanleiding hadden moeten zijn om dit advies niet aan het besluit van 19 september 2018 ten grondslag te leggen.    Het betoog faalt.3.    Volgens [appellant] is het verzoek van de bewoners van [locatie 2] om de bomen te kappen door anderen met handtekeningen ondersteund, terwijl een deel van die ondertekenaars zelf geen redelijk belang heeft bij de kap of op de hoogte waren van de hoogte van de Italiaanse populieren in hun volle omvang toen zij hun woningen kochten. Inmiddels zijn enkele mede-ondertekenaars van het verzoek overleden of verhuisd. Gelet op het voorgaande bestaat onvoldoende draagvlak voor de kap. Het verzoek om de bomen te kappen is onredelijk, aldus [appellant].3.1.    De Afdeling stelt vast dat door middel van een enquête voorafgaand aan het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning is geïnventariseerd hoeveel omwonenden overlast ervaren van de bomen en zodoende voorstander zijn van het kappen van de bomen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat, zoals [appellant] ook stelt, niet iedere voorstander van de kap zelf ook overlast ervaart van de bomen. Op grond van onderzoek van de Adviescommissie Bomen is gebleken dat de bewoners van Lissenvaart 5 tot en met 8 overlast ervaren. De Adviescommissie Bomen heeft voorts geconcludeerd dat de daglichttoetreding in de toekomst nog verder zal afnemen. Het college heeft gelet hierop geconcludeerd dat de bomen moeten worden verwijderd en vervangen door een kleinere soort.    Uit het vorenstaande volgt dat geen grond bestaat voor de conclusie dat de omgevingsvergunning is verleend terwijl daarvoor onvoldoende draagvlak bestaat.    Het betoog faalt.4.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte de bewering van de bewoner van [locatie 2] heeft overgenomen dat deze te weinig licht en te weinig uitzicht heeft in zijn woonkeuken met het raam gericht op de Italiaanse populieren. De Adviescommissie Bomen heeft de situatie aan de [locatie 2], en dan met name in de woonkeuken, volgens [appellant] ten onrechte niet ter plaatse onderzocht. De lichttoetreding in de woonkeuken is ten onrechte uitsluitend berekend op grond van het keukenraam aan de voorzijde en niet op grond van het totaal aan aanwezige lichtpartijen. De keuken bevindt zich in het deel van het huis dat bestaat uit een enkele bouwlaag met een zadeldak. In dat zadeldak bevinden zich twee dakramen. Er is feitelijk sprake van meer zicht en lichttoetreding dan waar de Adviescommissie Bomen van is uitgegaan.    Verder is de Adviescommissie Bomen ten onrechte uitgegaan van NEN-normen voor daglicht die niet golden ten tijde van de bouw van de woningen en daarom niet van toepassing zijn, aldus [appellant].4.1.    De Afdeling stelt vast dat de Adviescommissie Bomen in het advies van 17 september 2018, dat deel uitmaakt van het besluit van 19 september 2018, heeft geconcludeerd dat geen sprake is van uitzichtbelemmering door de populieren, maar wel van een overmatige beperking van lichttoetreding tot de woningen aan de Lissenvaart 5 tot en met 8. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat niet in geschil was dat geen sprake is van uitzichtbelemmering. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank derhalve niet het standpunt van de bewoner van [locatie 2] overgenomen dat hij als gevolg van de bomen te weinig uitzicht heeft vanuit zijn woonkeuken.4.2.    Tussen partijen is voorts niet in geschil dat voor het vaststellen van de mate van hinder van daglichttoetreding in woningen door bomen geen norm bekend is. Voor het analyseren van de beperking van de daglichttoetreding heeft de Adviescommissie Bomen gebruik gemaakt van de methode zoals omschreven in de "Opzet methodiek hinder daglichttoetreding door bomen". Hierbij is aansluiting gezocht bij de norm voor daglichttoetreding van nieuwbouwwoningen, de NEN 2057 (NEN 2057:2011). Daarbij is in aanmerking genomen dat een boom of rij bomen met een dichte bladerkroon qua hinder van daglichttoetreding hetzelfde effect kan hebben als een gebouw van dezelfde afmetingen.    De methodiek van de Adviescommissie Bomen houdt in dat de daglichttoetreding wordt bepaald aan de hand van een aantal parameters, waaronder een (verticale) belemmeringshoek ten gevolge van belemmeringen, binnen een bepaalde (horizontale) zichthoek. Een belangrijke voorwaarde hierbij is dat het moet gaan over de hinder van daglichttoetreding in de belangrijkste verblijfsruimte in de woning (de woonkamer en/of eventueel de woonkeuken). In het geval van een woning, waarbij de belangrijkste verblijfsruimte zowel aan de voor- als achterkant van de woning grenst, geldt dat de hinder van daglichttoetreding door bomen aan een van deze zijden gecompenseerd wordt indien er aan de andere zijde geen sprake is van hinder, aldus de "Opzet methodiek hinder daglichttoetreding door bomen".    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat de Adviescommissie Bomen, bij het ontbreken van bestaande normen, in het kader van het beoordelen van de mate van hinder een richtlijn heeft kunnen opstellen die gebruik maakt van een aantal uitgangspunten uit de NEN 2057. Dat deze NEN-norm niet gold ten tijde van de bouw van de woningen aan de Lissenvaart doet hier niet aan af, reeds omdat de Adviescommissie Bomen deze norm niet rechtstreeks heeft toegepast, maar is aangesloten bij de in die norm gebruikte rekenmethodiek.    Voorts heeft het college toegelicht dat de Adviescommissie Bomen omwonenden heeft gevraagd bouwtekeningen van hun woningen aan te leveren en schriftelijk te verklaren dat zij hun keuken gebruiken als woonkeuken en daarbij met betrekking tot de lichtinval hinder ondervinden van de populieren. Daarnaast is de Adviescommissie Bomen zowel voorafgaand aan het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning als na de tussenuitspraak van de rechtbank op locatie komen kijken. Anders dan [appellant] betoogt, bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de situatie ter plaatse niet is bekeken.         Hoewel ter zitting is komen vast te staan dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de woonkeuken aan de [locatie 2], anders dan in het advies van de Adviescommissie Bomen van 17 september 2018 is vermeld, vanuit zowel de voor- als achterzijde en niet slechts van de kant van de populieren daglicht krijgt, heeft de Adviescommissie Bomen in het advies, dat ten grondslag is gelegd aan het besluit van 19 september 2018, terecht geconcludeerd dat sprake is van een overmatige beperking van daglichttoetreding tot de woningen aan de Lissenvaart 5 tot en met 8. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de Adviescommissie Bomen overeenkomstig de NEN 2057 het criterium heeft gehanteerd dat sprake is van een ernstige belemmering indien sprake is van een belemmeringshoek van 63o. De Adviescommissie Bomen heeft vastgesteld dat bij de woning aan de [locatie 2] sprake is van een verticale belemmeringshoek van 65,9o waarmee sprake is van ernstige hinder. De situatie van [locatie 2] is volgens het college representatief voor de woningen aan de Lissenvaart 5, 6 en 8, omdat deze woningen dezelfde indeling hebben als de [locatie 2]. Ter zitting is in dit verband voorts komen vast te staan dat de hinder van daglichttoetreding door bomen aan de zijde waar het raam gericht is op de populieren onvoldoende wordt gecompenseerd door daglichttoetreding van de andere zijde van de woonkeuken. In dit verband is er ter zitting op gewezen dat sprake is van een omsloten ruimte met links en rechts bebouwing en dat ook gedurende de dag de verlichting in de woonkeuken aan moet zijn om een krant te kunnen lezen.    Het voorgaande in aanmerking genomen heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling terecht geen grond aanwezig geacht voor het oordeel dat het college het advies van de Adviescommissie Bomen niet aan het besluit van 19 september 2018 ten grondslag heeft mogen leggen.    Het betoog faalt.5.    Volgens [appellant] worden de Italiaanse populieren ten onrechte omschreven als onder meer kwetsbaar en breukgevaarlijk. Italiaanse populieren zijn sterke bomen die probleemloos in staat zijn een hoge leeftijd te bereiken. De bomen vervullen een maatschappelijke, financiële, sociale, ecologische en landschappelijke waarde. Bovendien geven de populieren een gevoel van privacy in een volle omgeving, aldus [appellant].5.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat uitsluitend rechtmatig tot de kap van de bomen kan worden besloten indien zich de aanleiding beperking van lichttoetreding voordoet. Andere vormen van overlast, zoals breukgevaar, kunnen derhalve geen aanleiding vormen om de populieren te kappen en hebben niet de aanleiding gevormd voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen. Zoals hiervoor is overwogen heeft uitsluitend de aangetoonde overlast in de vorm van een beperking van lichttoetreding in de woonkeukens in de woningen aan de Lissenvaart 5 tot en met 8 geleid tot het verlenen van de omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen. Ten aanzien van de beeldbepalende waarde is in het van het besluit van 19 september 2018 deel uitmakende advies van de Adviescommissie Bomen opgenomen dat de bomen dienen te worden vervangen door een kleiner blijvende boomsoort. Voorts heeft het college toegelicht dat de populieren niet zijn geplant om als privacyscherm voor omwonenden te dienen. Het aspect privacy kan gelet hierop geen grond vormen voor het oordeel dat de omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen ten onrechte is verleend.    Het betoog faalt.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.w.g. Daalder    w.g. Melenhorstlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 6 november 2019490.