Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3717

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-11-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 06-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3717, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201805571/1/A3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:3717:DOC

201805571/1/A3.Datum uitspraak: 6 november 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak in het geding tussen:1.    de Vereniging Amsterdamse Rondvaartrederijen (hierna: de vereniging), gevestigd te Amsterdam, en anderen,2.    Het Comité Singelgracht, gevestigd te Amsterdam,appellanten,enhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,verweerder.ProcesverloopBij besluit van 20 februari 2015 heeft het college een keerverbod voor schepen in het deel van de Singelgracht in Amsterdam tussen brug nummer 174 (Leidsebrug) en brug nummer 82 (Museumbrug) (hierna: het rak) ingesteld.Bij besluit van 25 mei 2018 heeft het college opnieuw op het hiertegen gemaakte bezwaar van de vereniging en anderen besloten. Op 25 mei 2018 is in het Gemeenteblad een nieuw verkeersbesluit gepubliceerd, dat deel uitmaakt van het besluit op bezwaar (hierna gezamenlijk: het besluit van 25 mei 2018).Tegen het besluit van 25 mei 2018 hebben de vereniging en anderen en het comité ieder voor zich beroep ingesteld.Het college heeft een verweerschrift ingediend.De vereniging en anderen en het comité hebben ieder voor zich nadere stukken ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 augustus 2019, waar de vereniging en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], bijgestaan door mr. L.L. Bremmer en mr. V.J.C. van der Gaag, beiden advocaat te Amsterdam, het comité, vertegenwoordig door N. Bakker, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door [gemachtigde B] en [gemachtigde C], en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J.C. Brussee en mr. K. van Driel, bijgestaan door R. Staal, zijn verschenen.Overwegingen    Inleiding1.    Bij het besluit van 20 februari 2015 heeft het college een keerverbod voor schepen in het rak ingesteld, dat jaarlijks in de periode tussen 1 april en 1 oktober van toepassing is. Het verbod is niet van toepassing voor passagiersschepen met een lengte tot 14 m, voor zover het betreft het deel van de vaarweg tussen de Museumbrug en het deel van de Singelgracht ter hoogte van de Jan Luijkenstraat.    Bij besluit van 17 juli 2015 heeft het college het bezwaar van de vereniging en anderen tegen het besluit van 20 februari 2015 ongegrond verklaard.    Bij uitspraak van 4 november 2016 heeft de rechtbank Amsterdam het door de vereniging en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 juli 2015 vernietigd en het college opgedragen binnen zes weken na verzending van die uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar.    Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft het college hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 10 april 2017 heeft college, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Het college heeft het hoger beroep ingetrokken.    Bij uitspraak van 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:670, heeft de Afdeling het van rechtswege ontstane beroep van de vereniging en anderen tegen het besluit van 10 april 2017 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaald dat tegen het te nemen nieuwe besluit op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.    Bij het besluit van 25 mei 2018 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 februari 2015 ongegrond verklaard. Op 25 mei 2018 is in het Gemeenteblad een nieuw verkeersbesluit gepubliceerd, dat deel uitmaakt van het besluit op bezwaar. Bij het verkeersbesluit is het besluit van 20 februari 2015 ingetrokken en besloten om een nieuw keerverbod voor schepen in te stellen dat kenbaar wordt gemaakt door een verkeersteken. Het nieuwe keerverbod is van toepassing op alle schepen in de Singelgracht tussen brug no. 174 ("Leidsebrug"; Singelgracht/Leidseplein) en het gedeelte van die gracht ter hoogte van de Jan Luijkenstraat. Het vorige keerverbod, voor zover dat betrekking had op de Singelgracht tussen het deel van die gracht ter hoogte van de Jan Luijkenstraat en de Museumbrug (hierna: het vaarweggedeelte), is niet meer gehandhaafd. Voorts is het nieuwe keerverbod niet meer beperkt tot een jaarlijkse periode tussen 1 april en 1 oktober.    De vereniging en anderen verzorgen rondvaarten door de grachten van Amsterdam. Zij kunnen zich niet verenigen met het nieuwe keerverbod. Het comité, waarvan de leden bestaan uit omwonenden van de Singelgracht, kan zich daarentegen niet verenigen met het besluit om het keerverbod niet te handhaven voor het vaarweggedeelte.Wettelijk kader2.    Artikel 3, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet luidt: "Toepassing van de artikelen 4, 11 en 12 kan, behoudens het bepaalde in het tweede lid, slechts geschieden in het belang van:a. het verzekeren van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer; […];c. het voorkomen of beperken van schade door het scheepvaartverkeer aan de waterhuishouding, oevers en waterkeringen, of werken gelegen in of over scheepvaartwegen;[…].    Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer luidt: "In dit besluit wordt verstaan onder verkeersbesluit1°. een besluit tot het aanbrengen of verwijderen van een verkeersteken dat een gebod of verbod dan wel de opheffing van een gebod of verbod aangeeft;2°. een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken als bedoeld onder 1°.    Artikel 5 luidt: "De motivering van een verkeersbesluit vermeldt in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het besluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 3 van de wet genoemde belangen aan het besluit ten grondslag liggen."Het beroep van de vereniging en anderen3.    De vereniging en anderen betogen dat het verkeersbesluit ten onrechte vermeldt dat een keerverbod is ingesteld voor schepen tussen de Leidsebrug en het deel van de Singelgracht ter hoogte van de Jan Luijkenstraat. Indien wordt uitgegaan van dit keerverbod mag alleen in een deel van de Singelgracht worden gekeerd dat, vanwege een aanwezige steiger, voor schepen niet voldoende breed is om te keren. Omdat de plek waar het verkeersbord daadwerkelijk is geplaatst, waarmee het keerverbod kenbaar is gemaakt, wel juist is, had die plek in het verkeersbesluit nader aangeduid moeten worden.3.1.    Uit een kaart die het college heeft overgelegd blijkt, dat het verkeersbord langs de Singelgracht tussen het verlengde van de P.C. Hooftstraat en het verlengde van de Jan Luijkenstraat is geplaatst. Het college heeft daarbij toegelicht dat het verkeersbord ongeveer tien meter ten westen van het verlengde van de Jan Luijkenstraat staat. Bij het vaststellen van het besluit van 25 mei 2018 was het ook de bedoeling dat het verkeersbord op die plek zou komen te staan, aldus het college. Niet in geschil is dat het verkeersbord op de plek behoort te staan waar het daadwerkelijk is geplaatst, zoals weergegeven op voormelde kaart. De formulering van het keerverbod laat evenwel ruimte om het verkeersbord in het verlengde van de Jan Luijkenstraat te plaatsen, in welk geval schepen in het vaarweggedeelte onvoldoende ruimte hebben om te keren. Nu het college heeft erkend dat de plek waar het verkeersbord daadwerkelijk is geplaatst in het verkeersbesluit had moeten worden aangeduid met de overgelegde kaart, is het besluit van 25 mei 2018 in zoverre rechtsonzeker.3.2.     Het betoog slaagt.Het beroep van het comité4.    Het comité betoogt dat het college het keerverbod ten onrechte niet heeft gehandhaafd voor het vaarweggedeelte. Daartoe voert het comité aan dat het keren zal leiden tot schade aan de kade en tot incidenten op het water. Het vaarweggedeelte is niet voldoende breed voor maatgevende schepen om zowel te varen als te keren. Bovendien varen in de Singelgracht ook schepen die een grotere afmeting hebben dan maatgevende schepen. Ook is het zeer druk op de Singelgracht en is het aantal vaarbewegingen in het vaarweggedeelte onderschat. De meetcijfers op basis van metingen van het aantal vaartuigen bij het meetpunt in de Singelgracht ter plaatse van het kantoor van De Nederlandsche Bank zijn niet representatief. Daarbij komt dat de drukte alleen maar zal toenemen door de toename van het aantal hotelgasten in Amsterdam. Verder heeft het college in zijn afweging onvoldoende rekening gehouden met de belangen van omwonenden van het vaarweggedeelte. Als gevolg van het keren in het vaarweggedeelte zal de luchtverontreiniging ter plaatse toenemen. Het college is voorbij gegaan aan de Nota Varen van 19 november 2013, waarin de raad van de gemeente Amsterdam ten doel heeft gesteld de uitstoot van stoffen door vaartuigen terug te dringen in het belang van een verbetering van de luchtkwaliteit, aldus het comité.4.1.    In de uitspraak van 28 februari 2018 heeft de Afdeling overwogen dat uit een aanvullend memo van Marin van 12 juli 2017 volgt dat op basis van peilingen is gebleken dat ten noorden van de Museumbrug, tussen twee steigers, feitelijk meer ruimte aanwezig is dan in een eerdere memo van Marin van 29 maart 2017 is aangenomen. Voor een maatgevend schip is er volgens het memo van 12 juli 2017 voldoende ruimte om te keren. Gelet hierop, en nu ook het college ter zitting heeft verklaard dat vaartuigen daar zonder schade te veroorzaken kunnen keren, heeft de Afdeling overwogen dat het college bij het nemen van het besluit van 10 april 2017 ten onrechte van het tegendeel is uitgegaan.    Vaststaat dat voormeld deel van de Singelgracht tussen twee steigers in het vaarweggedeelte ligt. In de enkele stelling van het comité dat het vaarweggedeelte voor maatgevende schepen onvoldoende breed is om te keren, ziet de Afdeling geen aanleiding om van vorenstaande overweging terug te komen. Voor zover het comité stelt dat in het vaarweggedeelte ook grotere schepen varen, overweegt de Afdeling dat uit de memo van Marin niet eenduidig kan worden geconcludeerd dat schepen met een grotere omvang niet kunnen keren. Dat dit niet mogelijk is, had het comité nader moeten onderbouwen.4.2.    De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college het keerverbod voor het vaarweggedeelte had moeten handhaven om schade door het vaarverkeer te voorkomen of te beperken. Door te stellen dat er schade aan de kade langs een ander deel van de Singelgracht is ontstaan, ter hoogte van het perceel Weteringschans 10, heeft het comité niet aannemelijk gemaakt dat die schade ook aan de kade langs het vaarweggedeelte zal ontstaan. Niet inzichtelijk is gemaakt of die plaatselijke situaties relevant met elkaar overeenkomen.4.3.    De Afdeling ziet evenmin grond voor het oordeel dat het college het keerverbod had moeten handhaven in het belang van de veiligheid en het vlotte verloop van het vaarverkeer. Volgens de vereniging en anderen is de verkeerssituatie voorbij het vaarweggedeelte en achter de Museumbrug te onoverzichtelijk om te keren. Daar kunnen door keerbewegingen gevaarlijke situaties ontstaan. Daarnaast leidt het keren achter de Museumbrug tot een onaanvaardbaar tijdverlies. Daarbij wijzen zij erop dat bij rondvaarten strakke tijdsschema’s worden gehanteerd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college in redelijkheid overwegende betekenis kunnen toekennen aan het belang van de vereniging en anderen om in het vaarweggedeelte te keren. Daarbij heeft het college, anders dan waarvan het voorheen was uitgegaan, in aanmerking kunnen nemen dat het vaarweggedeelte voldoende breed is om te keren. Dat het vaarverkeer in het vaarweggedeelte zodanig druk is dat er een noodzaak is om het keerverbod daar te handhaven, heeft het comité niet aannemelijk gemaakt. Over de zogeheten heatmap, waaruit volgens het comité de aanzienlijke intensiteit van het vaarverkeer in de Singelgracht blijkt, heeft het college ter zitting verklaard dat daarin zowel varende als stilliggende vaartuigen in aanmerking zijn genomen. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan die verklaring te twijfelen.4.4.    De Afdeling ziet verder geen grond voor het oordeel dat het besluit om het keerverbod voor het vaarweggedeelte niet meer te handhaven in strijd is met de Nota Varen. In paragraaf 6.2 van deze nota zijn doelstellingen geformuleerd over de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen door vaartuigen. Uit de Nota Varen volgt niet dat het college ter voorkoming van luchtverontreiniging ter plaatse van het vaarweggedeelte het keren van vaartuigen dient tegen te gaan. Verder stelt het comité, onder verwijzing naar een onderzoeksrapport van de GGD Amsterdam uit 2012, dat het keren tot extra uitstoot van luchtverontreinigende stoffen leidt. Naar het oordeel van de Afdeling is daarmee nog niet aannemelijk gemaakt dat de luchtkwaliteit ter plaatse onaanvaardbaar zal verslechteren. Voor het oordeel dat het college het keerverbod om die reden had moeten handhaven ziet de Afdeling daarom geen grond.4.5.    Het betoog faalt.Slotsom5.    Het beroep van de vereniging en anderen is gegrond. Het besluit van 25 mei 2018 dient te worden vernietigd, voor zover een keerverbod is ingesteld voor alle schepen in de Singelgracht tussen brug no. 174 ("Leidsebrug"; Singelgracht/Leidseplein) en het gedeelte van die gracht ter hoogte van de Jan Luijkenstraat.    De Afdeling ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat een keerverbod wordt ingesteld voor alle schepen in de Singelgracht tussen brug no. 174 ("Leidsebrug"; Singelgracht/Leidseplein) en het gedeelte van die gracht ter hoogte van de Jan Luijkenstraat, zoals dat in de als bijlage bij deze uitspraak aangehechte door het college overgelegde kaart met een verkeersbord is aangeduid. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 25 mei 2018, voor zover dat is vernietigd.    Het beroep van het comité is ongegrond.5.1.    Het college dient ten aanzien van het beroep van de vereniging en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.    Ten aanzien van het beroep van het comité bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het beroep van de Vereniging Amsterdamse Rondvaartrederijen en anderen gegrond;II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 25 mei 2018, voor zover een keerverbod is ingesteld voor alle schepen in de Singelgracht tussen brug no. 174 ("Leidsebrug"; Singelgracht/Leidseplein) en het gedeelte van die gracht ter hoogte van de Jan Luijkenstraat;III.    verklaart het beroep van het Comité Singelgracht ongegrond;IV.    bepaalt dat een keerverbod wordt ingesteld voor alle schepen in de Singelgracht tussen brug no. 174 ("Leidsebrug"; Singelgracht/Leidseplein) en het gedeelte van die gracht ter hoogte van de Jan Luijkenstraat, zoals dat in de als bijlage bij deze uitspraak aangehechte kaart met een verkeersbord is aangeduid;V.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het onder II. vermelde besluit, voor zover dat is vernietigd;VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij de Vereniging Amsterdamse Rondvaartrederijen en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,- (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan de Vereniging Amsterdamse Rondvaartrederijen en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 338,- (zegge: driehonderdachtendertig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.S. Man, griffier.w.g. Borman    w.g. Manvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 6 november 2019629.BIJLAGE 
center
100
2c9653e7-191c-4666-874a-a11333ee02b4
703
500
image/png