Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3710

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-11-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 06-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3710, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201901700/1/A3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:3710:DOC

201901700/1/A3.Datum uitspraak: 6 november 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te Amsterdam,tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2019 in zaak nr. 18/4889 in het geding tussen:[appellant]enhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.ProcesverloopBij besluit van 6 november 2017 heeft het college het verzoek van [appellant] om correctie van de gegevens over zijn burgerlijke staat in de Basisregistratie Personen (hierna: de brp), afgewezen.Bij besluit van 29 juni 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 15 januari 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.[appellant] heeft een nader stuk ingediend.De Afdeling heeft de zaak op 22 oktober 2019 ter zitting aan de orde gesteld.OverwegingenInleiding1.    [appellant] heeft het college op 28 februari 2017 verzocht de akte uit Pakistan van zijn huwelijk met [echtgenoot] in de brp te laten registreren. Daartoe heeft hij een zogenoemd ‘marriage registration certificate’ overgelegd, alsmede een bijbehorende verklaring als bedoeld in artikel 2.9 van de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet Brp). Het college is aan dit verzoek tegemoet gekomen. Omdat [appellant] - na weduwnaar te zijn geweest - als hertrouwd in de brp geregistreerd stond, heeft de Sociale Verzekeringsbank zijn ANW-uitkering beëindigd en een deel van de door hem ontvangen gelden teruggevorderd. [appellant] heeft op 31 oktober 2017 verzocht om correctie van de gegevens over zijn huwelijk in de brp. Het college heeft dit verzoek afgewezen. Dat besluit heeft het college in bezwaar gehandhaafd.Aangevallen uitspraak2.    De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is [appellant] er niet in geslaagd aan te tonen dat de registratie van het huwelijk in de brp niet juist is. Ook al is de verklaring als bedoeld in artikel 2.9 van de Wet Brp niet gedateerd, [appellant] en [echtgenoot] hebben beiden die verklaring getekend. Voor zover [appellant] heeft gesteld dat de registratie op een vergissing berust, die is veroorzaakt door een beperkt verstandelijk vermogen, acht de rechtbank dit onvoldoende onderbouwd. Dat zij slechts hebben bedoeld in ondertrouw te gaan, verdraagt zich volgens de rechtbank niet met het feit dat [appellant] in het Pakistaanse paspoort van [echtgenoot] als haar echtgenoot vermeld staat. Uit de brief van de Pakistaanse ambassade van 26 juli 2017 kan voorts niet worden afgeleid dat [appellant] niet gehuwd zou zijn, maar slechts dat de voorgelegde huwelijksakte niet zou zijn gelegaliseerd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Islamabad of een vestiging elders.Hoger beroep3.    [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat hij met [echtgenoot] is getrouwd. Aan de wettelijke vereisten voor een huwelijk is volgens hem niet voldaan. Hij en [echtgenoot] wilden pas in Nederland trouwen. Bij de registratie van de akte ging [appellant] van een ondertrouw-situatie uit. Ten onrechte is hij als getrouwd geregistreerd, hetgeen overigens pas bleek nadat de SVB hem hierover had aangeschreven in verband met zijn recht op ANW-pensioen.    In zijn nadere stuk van 11 oktober 2019 voert [appellant] aan dat het feit dat de verklaring als bedoeld in artikel 2.9 van de Wet Brp niet is gedateerd, juist onderstreept dat het college het huwelijk niet had mogen registreren. Ook blijkt uit de brief van de Pakistaanse ambassade dat de huwelijksakte als niet gelegaliseerd dient te worden beschouwd.3.1.    Artikel 2.8 van de Wet Brp luidt:"De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend."    Artikel 2.9 , eerste lid, luidt: "Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, d of e, dan wel artikel 2.8, derde lid, worden geen gegevens ontleend over het huwelijk dat is gesloten tussen echtgenoten van wie er ten minste één vreemdeling is, dan nadat de echtgenoten een verklaring hebben afgelegd dat hun huwelijk niet is aangegaan met het oogmerk om verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen."    Artikel 2.10, tweede lid, luidt: "Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 2.8, derde lid, worden geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten."3.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 11 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:22), moeten de gegevens in de brp zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, moet volgens vaste rechtspraak van de Afdeling voor het wijzigen van eenmaal in de brp geregistreerde gegevens, gelet op het systeem van de Wet Brp, onomstotelijk vaststaan dat deze gegevens onjuist zijn. Het bewijs dat eenmaal in de brp opgenomen gegevens feitelijk onjuist zijn, kan alleen maar worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1707). Daarnaast blijkt uit de memorie van toelichting bij de Wet Brp dat artikel 2.10, tweede lid, van deze wet onder meer ertoe strekt te voorkomen dat gegevens betreffende de burgerlijke staat in de brp worden opgenomen op grond van geschriften die in verband met processueel of materieel Nederlands internationaal privaatrecht in strijd moeten worden geacht met de Nederlandse openbare orde (Kamerstukken II 2011-2012, 33 219, nr. 3, blz. 128). Dit betekent dat een buitenlandse akte er blijk van moet geven op, naar objectieve maatstaven gemeten, betrouwbare gegevens te zijn gebaseerd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1475).3.3.    Op [appellant] rust in dit geval de bewijslast om aan te tonen dat onomstotelijk vaststaat dat de registratie van zijn huwelijk in de brp onjuist is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat hij daarin niet is geslaagd.    Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college bij de registratie van het Pakistaanse ‘marriage registration certificate’ niet van de juistheid daarvan heeft mogen uitgaan. Deze akte is gelegaliseerd door het kantoor van het Pakistaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken in Lahore. Aan de brief van de Pakistaanse ambassade kan niet de betekenis worden gehecht die [appellant] daaraan gehecht wenst te zien, omdat onduidelijk is welke stukken aan die brief ten grondslag hebben gelegen. Dat de verklaring als bedoeld in artikel 2.9 van de Wet Brp niet is gedateerd, heeft de rechtbank terecht niet van belang geacht. Nu de verklaring wel was ondertekend en, zoals uit het besluit van 6 november 2017 blijkt, [appellant] de ondertekening bij het gemeentelijke stadsloket heeft verricht, heeft het college de gegevens over het huwelijk aan het ‘marriage registration certificate’ mogen ontlenen. Voor zover [appellant] betoogt dat aan de wettelijke vereisten voor een huwelijk niet is voldaan, volgt de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat uit de door hem overgelegde literatuur niet volgt dat er geen rechtsgeldig huwelijk zou zijn. Een en ander wordt bevestigd door het feit dat [appellant] in het Pakistaanse paspoort van [echtgenoot] als haar echtgenoot vermeld staat. In beginsel dient van de juistheid van een door de Pakistaanse autoriteiten afgegeven paspoort te worden uitgegaan. Dat [appellant] bij de registratie van de akte per abuis van een ondertrouw-situatie uitging, kan hem niet baten. Daartegen had hij destijds rechtsmiddelen kunnen aanwenden. [appellant] heeft voorts geen brondocumenten overgelegd waaruit blijkt dat hij nooit met [echtgenoot] gehuwd is geweest. Gelet op het vorenstaande heeft het college het verzoek van [appellant] om correctie van zijn in de brp geregistreerde huwelijk terecht afgewezen.    Het betoog faalt.Conclusie en proceskosten4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier.w.g. Hagen    w.g. Soffnerlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 6 november 2019612.