Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3692

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-11-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 05-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3692, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201905421/1/A3 en 201905421/2/A3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:3692:DOC

201905421/1/A3 en 201905421/2/A3.Datum uitspraak: 5 november 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:[appellant], wonend te Amsterdam,appellant,tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 12 juli 2019 in zaak nrs. 19/2086 en 3218 in het geding tussen:[appellant]enhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.ProcesverloopBij besluit van 16 januari 2019 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen.Bij besluit van 4 april 2019 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 12 juli 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.[appellant] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.[appellant] heeft nadere stukken ingediend.De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 oktober 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Ruijs, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.H.G. van den Boorn, zijn verschenen.OverwegingenInleiding1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.2.    [appellant] is dakloos. Hij heeft een urgentieverklaring aangevraagd omdat het beter is voor zijn gezondheid om een woning te hebben en omdat zijn oudste dochter in het kader van gezinshereniging naar Nederland is gekomen en zijn minderjarige kinderen naar Nederland zullen komen. Inmiddels zijn de minderjarige kinderen in Nederland. Het college heeft de aanvraag afgewezen.Aangevallen uitspraak3.    De rechtbank overweegt dat [appellant] aanvoert dat de hardheid is gelegen in zijn gezinssituatie. Het college heeft zich, onder verwijzing naar de Huisvestingverordening 2016 en zijn beleid, op het standpunt gesteld dat gezinshereniging geen reden is om urgentie te verlenen, laat staan om de hardheidsclausule toe te passen. Alle omstandigheden die [appellant] in zijn beroepschrift naar voren brengt, zijn onderdeel van de weigeringsgronden die op hem van toepassing zijn. Geen van die omstandigheden is uniek of onvoorzienbaar. Er is dan ook geen reden om in afwijking van de regels toch een urgentie toe te kennen. De rechtbank volgt dit standpunt van het college en heeft het beroep ongegrond verklaard.Hoger beroep4.    [appellant] betoogt dat het beroep op de hardheidsclausule niet alleen is gebaseerd op de omstandigheid dat zijn kinderen naar Nederland komen, maar ook op de psychosociale omstandigheden waarin hij zich bevindt. Hij is vanwege zijn medische en psychische problemen ontheven van arbeidsinschakeling. Het college had een onderzoeksplicht om te onderzoeken of de grond voor deze ontheffing ook reden was voor toepassing van de hardheidsclausule. De omstandigheden zijn uniek en onvoorzienbaar en hadden reden moeten zijn voor de toepassing van de hardheidsclausule, aldus [appellant].5.    Wat betreft de psychosociale problemen heeft het college in het besluit op bezwaar overwogen dat in de bezwaarfase weliswaar een verklaring van de huisarts is overgelegd, maar daaruit niet blijkt niet dat [appellant] in behandeling was voor medische problemen. De psychische klachten zijn in 2012 voor het laatst behandeld. Dat [appellant] minder stress en psychische en sociale problemen zal hebben zodra hij over een vaste verblijfplaats beschikt, is begrijpelijk en voorstelbaar, maar hieruit blijken geen zeer ernstige aandoeningen die een directe verhuizing naar een zelfstandige woonruimte noodzakelijk maken. Ook de sociale omstandigheden, het feit dat [appellant] ontheffing heeft van de arbeidsverplichtingen bij zijn uitkering en dat hij zijn gezin graag onder één dak wil hebben, vormen geen reden voor voorrang op de woningmarkt. Van een kennelijke hardheid is volgens het college voorts geen sprake omdat de geschetste situatie zich veelvuldig voordoet en het college in de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (hierna: de Huisvestingsverordening) en Beleidsregel 5 Urgenties (hierna: de Beleidsregel) gekozen heeft in dergelijke gevallen geen voorrang te geven.6.    [appellant] erkent dat de gezinshereniging geen grond vormt voor urgentie op grond van artikel 2.6.5, eerste lid, onder c en e, van de Huisvestingsverordening en paragraaf 3, onder c en e, van de Beleidsregel. En tevens dat de psychosociale problemen geen grond zijn voor urgentie op grond van artikel 2.6.8, eerste lid, onder b, van de Huisvestingsverordening en paragraaf 10 tot en met 12a van de Beleidsregel.    De vraag die voorligt is of de psychosociale problemen tezamen met de gezinshereniging aanleiding hadden moeten geven voor toepassing van de hardheidsclausule die in artikel 2.6.11 van de Huisvestingsverordening is opgenomen.    De rechtbank heeft terecht het standpunt van het college gevolgd dat de gronden die [appellant] aanvoert om de hardheidsclausule toe te passen, al beoordeeld zijn bij de vraag of [appellant] in een urgentiecategorie valt en dat dit laatste niet het geval is. Mede gelet daarop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat deze gronden niet zodanig uniek en onvoorzienbaar zijn dat deze in samenhang tot toepassing van de hardheidsclausule hadden moeten leiden.    Het betoog faalt.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.8.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;II.    wijst het verzoek af.Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D. Rietberg, griffier.w.g. Borman    w.g. Rietbergvoorzieningenrechter    griffierUitgesproken in het openbaar op 5 november 2019725.