Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3409

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-10-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 09-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3409, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201904471/2/R1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:3409:DOC

201904471/2/R1.Datum uitspraak: 9 oktober 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen:1.    [appellant sub 1], wonend te Bloemendaal,2.    de vereniging "Buurtvereniging Bloemendaal-Noord", gevestigd te Bloemendaal,3.    Stichting Schapenduinen, gevestigd te Bloemendaal, en andere,appellanten,ende raad van de gemeente Bloemendaal,verweerder.ProcesverloopBij besluit van 18 april 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Dennenheuvel" vastgesteld.Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], Buurtvereniging Bloemendaal-Noord en Stichting Schapenduinen en andere beroep ingesteld.De raad heeft een verweerschrift ingediend.Klooster Euphrasia heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.De raad heeft een nader stuk ingediend.Overwegingen1.    Het plan voorziet in de herontwikkeling van het landgoed Dennenheuvel in Bloemendaal, waarop onder andere een klooster staat. In het plan zijn de bestemmingen "Wonen", "Tuin" en "Verkeer" toegekend aan de gronden waarop het klooster en de bijbehorende gebouwen staan. Verder voorziet het plan in volkstuintjes langs de westzijde van de Johan Verhulstweg. Daartoe is de bestemming "Recreatie" aan die gronden toegekend.    [appellant sub 1] woont op het perceel [locatie A]. Buurtvereniging Bloemendaal-Noord zet zich, blijkens haar statuten en samengevat weergegeven, in voor het behoud van cultuurhistorische waarden van de omgeving. Stichting Schapenduinen en andere zetten zich in voor behoud van de cultuurhistorie van de omgeving dan wel zijn bewoner, eigenaar of gebruiker van gronden in de directe omgeving van plangebied.Ontvankelijkheid2.    [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met het plan. Hij keert zich onder meer tegen het plandeel dat voorziet in een tijdelijke kas op de gronden met de bestemming "Recreatie".    Aan het bedoelde stuk grond is de bestemming "Recreatie" en de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - tijdelijke kas" toegekend. Binnen de gronden met deze aanduiding is een bouwvlak opgenomen van ongeveer 180 m2.    Artikel 4, lid 4.2.1, onder a, van de planregels luidt: "Gebouwen mogen alleen binnen een bouwvlak worden gebouwd."    Lid 4.2.3 luidt:"a. Ter plaatse van de "specifieke bouwaanduiding - tijdelijke kas" is één tijdelijke kas toegestaan.b. De oppervlakte mag niet meer zijn dan 40 m2c. De bouwhoogte mag niet meer zijn dan 2,5 meter."    In artikel 1, lid 1.59, is een tijdelijke kas omschreven als een kas die maximaal 9 maanden per jaar aanwezig mag zijn van 15 februari tot 15 november.    In lid 1.39 is een kas omschreven als een gebouw waarvan de wanden en het dak voornamelijk bestaan uit glas (...).    De Afdeling stelt vast dat de afstand van de woning van [appellant sub 1] tot het bouwvlak waarbinnen de tijdelijke kas mag worden opgericht meer dan 200 m bedraagt. Tussen het bouwvlak en de woning van [appellant sub 1] staan bomen, zodat [appellant sub 1] geen zicht zal hebben op de tijdelijke kas. Ook anderszins is niet gebleken dat [appellant sub 1] gevolgen van enige betekenis zal ondervinden. Gelet hierop is [appellant sub 1] geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het bestreden besluit, voor zover dat voorziet in het bouwvlak voor de tijdelijke kas. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, kan hij in zoverre derhalve geen beroep instellen. Het beroep van [appellant sub 1] is in zoverre niet-ontvankelijk.Stikstof3.    [appellant sub 1], Buurtvereniging Bloemendaal-Noord en Stichting Schapenduinen en andere kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover dat voorziet in de woningen. Stichting Schapenduinen en andere betogen dat ten onrechte het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd.4.    Niet in geschil is dat het bestemmingsplan, vanwege het verkeer van en naar de woningen, een toename van de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid zal veroorzaken. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat het plan de wezenlijke kenmerken van dat gebied niet zal aantasten, heeft de raad het rapport "Stikstofdepositie-onderzoek Dennenheuvel", gedateerd 15 mei 2018, aan zijn besluit ten grondslag gelegd. In dat rapport wordt ingegaan op de gevolgen voor het Natura 2000-gebied "Kennemerland-Zuid". In het rapport is vermeld dat een toename van de stikstofdepositie op een bepaald hexagoon binnen dit Natura 2000-gebied optreedt van 0,99 mol/ha/jaar. Omdat in het PAS ontwikkelingsruimte beschikbaar was op 4 mei 2018, is geconcludeerd dat het plan uitvoerbaar is.5.    De Afdeling heeft prejudiciële vragen gesteld over het PAS in zaken over vergunningen voor veehouderijen. Het Hof van Justitie heeft de gestelde vragen over het PAS beantwoord bij arrest van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882. De Afdeling heeft in die zaken vervolgens op 29 mei 2019 uitspraak gedaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603). In die uitspraak heeft de Afdeling vastgesteld dat met de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden die in het PAS zijn opgenomen niet zullen worden aangetast. Dit heeft onder meer tot gevolg dat het niet meer mogelijk is om in een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming ontwikkelingsruimte toe te delen (rechtsoverweging 32.6 en 34.2).6.        Voor een bestemmingsplan zoals het onderhavige zijn tevens de volgende overwegingen van belang:"35.    Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend worden vastgesteld als op grond van een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied niet zal aantasten (artikel 19j, tweede en derde lid, van de Nbw 1998/artikel 2.7, eerste lid en 2.8, derde lid van de Wnb).    Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling die ten opzichte van de feitelijk aanwezige, planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het plan leidt tot een toename van stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, is een plan dat significante gevolgen kan hebben en dat passend beoordeeld moet worden.    De vaststelling van het bestemmingsplan is niet één van de besluiten die genoemd zijn in artikel 19km van de Nbw 1998 of artikel 2.7 van het Bnb, zodat het PAS-beoordelingskader niet van toepassing is. Dit neemt niet weg dat verschillende bevoegde bestuursorganen geen individuele passende beoordeling voor een bestemmingsplan hebben gemaakt, maar voor het aspect stikstof hebben verwezen naar de passende beoordeling die ten grondslag is gelegd aan het PAS. Het kan daarbij onder meer gaan om bestemmingsplannen waarin een concrete ontwikkeling is geregeld of waarin uitbreidingsmogelijkheden zijn geboden die de drempel- of grenswaarde niet overschrijden (zie ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3530, r.o. 4.9).35.1.    De conclusie in deze uitspraak dat de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan het PAS niet voldoet aan de eisen die het Hof daaraan stelt kan gevolgen hebben voor de hiervoor bedoelde bestemmingsplannen waarvan de beroepsprocedure nog niet is afgerond en waarin op dit punt beroepsgronden naar voren zijn gebracht door degene die zich op deze bepalingen kan beroepen. De raad kan/kon bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet verwijzen naar de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan het PAS. De raad heeft in die gevallen het bestemmingsplan of het plandeel dat in de ruimtelijke ontwikkeling voorziet, vastgesteld in strijd met artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998 of artikel 2.8, derde lid, van de Wnb."7.    Gelet op vorenstaande overwegingen is de Afdeling van oordeel dat de raad het plan heeft vastgesteld in strijd met artikel 2.8, derde lid, van de Wet natuurbescherming, aangezien hij daarbij heeft verwezen naar de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan het PAS. De raad heeft een nieuw onderzoeksrapport, gedateerd 17 september 2019, overgelegd, waarin is vermeld dat het plan met zekerheid geen significant verslechterende effecten met zich brengt en dat geen passende beoordeling nodig is. Dat rapport dateert evenwel van na het bestreden besluit, liggen niet aan het bestreden besluit ten grondslag en maken daarvan geen deel uit en doet daardoor niet af aan de conclusie dat ten tijde van het vaststellen van het bestreden besluit niet de zekerheid was verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.8.    Het beroep van stichting Schapenduinen en andere is kennelijk gegrond. Het bestreden besluit moet vanwege strijd met artikel 2.8, derde lid, van de Wnb worden vernietigd, voor zover in het plan de bestemming "Wonen" en de daarmee samenhangende bestemmingen "Tuin" en "Verkeer" zijn toegekend. Hetgeen stichting Schapenduinen en andere voor het overige hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking meer. Gelet op de aard van het gebrek zijn de beroepen van [appellant sub 1], voor zover ontvankelijk, en Buurtvereniging Bloemendaal-Noord eveneens kennelijk gegrond. Hetgeen in die beroepen is aangevoerd, behoeft geen bespreking meer. Verder wijst de Afdeling erop dat om redenen van proceseconomie per beroep alleen is vastgesteld dat ten minste een van de appellanten belanghebbende is bij de bestreden besluiten.9.    Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.10.    Ten aanzien van Buurtvereniging Bloemendaal-Noord en [appellant sub 1] is niet van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen gebleken. Ten aanzien van Stichting Schapenduinen en andere dient de raad op hierna te melden wijze in de kosten te worden veroordeeld.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen de bestemming "Recreatie" en de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - tijdelijke kas";II.    verklaart de beroepen voor het overige gegrond;III.    vernietigt het besluit van 18 april 2019 waarbij de raad van de gemeente Bloemendaal het bestemmingsplan "Dennenheuvel" heeft vastgesteld, voor zover het betreft de bestemmingen "Wonen", "Tuin" en "Verkeer";IV.    draagt de raad van de gemeente Bloemendaal op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel III wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;V.    veroordeelt de raad van de gemeente Bloemendaal tot vergoeding van bij Stichting Schapenduinen en andere in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;VI.    gelast dat de raad van de gemeente Bloemendaal aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,00 (zegge: honderdvierenzeventig euro) voor [appellant sub 1], € 345,00 (zegge: driehonderdvijfenveertig euro) voor Buurtvereniging Bloemendaal-Noord en € 345,00 (zegge: driehonderdvijfenveertig euro) voor Stichting Schapenduinen en andere, met dien verstande dat in dit laatste geval bij betaling aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, vergoedt.Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier.w.g. Helder    w.g. Van Helvoortlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2019361.