Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3407

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-10-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 09-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3407, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201809610/1/A2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:3407:DOC

201809610/1/A2.Datum uitspraak: 9 oktober 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het verzoek van:[verzoeker], wonend te Hoensbroek, gemeente Heerlen,om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2018, in zaak nr. 201800838/1/A2.ProcesverloopBij uitspraak van 26 september 2018 in zaak nr. 201800838/1/A2 heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoeker] tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 januari 2018 in zaak nr. 17/2406 ongegrond verklaard en die uitspraak bevestigd. Eerstgenoemde uitspraak is aangehecht.[verzoeker] heeft de Afdeling bij brief van 29 november 2018 verzocht die uitspraak te herzien.De directie van de Dienst wegverkeer (hierna: de RDW) heeft een verweerschrift ingediend.[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 juli 2019, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door zijn vader, [naam vader van verzoeker], is verschenen.OverwegingenOngeldigverklaring kentekenbewijs per 21 februari 20121.    Bij besluit van 21 februari 2012 is het kentekenbewijs van het voertuig met kenteken [..-..-..] dat op naam van [verzoeker] stond met ingang van die datum ongeldig verklaard. Hierdoor is de tenaamstelling in het kentekenregister per die datum vervallen.2.    Het bezwaar tegen de ongeldigverklaring is bij het besluit op bezwaar van 6 juni 2012 ongegrond verklaard. [verzoeker] is tevergeefs hiertegen opgekomen in beroep en hoger beroep (uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:509; hierna ook: procedure 1).Eerder verzoek om herziening van de uitspraak van 19 februari 20143.    Bij uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2016 in zaak nr. 201600336/2/A3 is het verzoek van [verzoeker] om de uitspraak van 19 februari 2014 te herzien, kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens de onredelijk late indiening hiervan.4.    Het verzet van [verzoeker] tegen deze uitspraak heeft de Afdeling bij uitspraak van 26 oktober 2016 in zaak nr. 201600336/3/A3 ongegrond verklaard.Verzoek terug te komen van het besluit van 21 februari 20125.    Bij brief van 14 april 2017 heeft [verzoeker] de RDW verzocht terug te komen op het besluit van 21 februari 2012 en de ongeldigverklaring van het kentekenbewijs te laten ingaan op 10 februari 2010, de door hem gestelde datum dat het voertuig is gesloopt.6.    De RDW heeft het verzoek bij besluit van 8 mei 2017 afgewezen omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.7.    Dit besluit heeft in bezwaar, beroep en hoger beroep stand gehouden (zie voormelde uitspraak van de Afdeling van 26 september 2018; hierna ook: procedure 2).Huidige verzoek om herziening van de uitspraak van 26 september 20188.    [verzoeker] wil met het verzoek van 29 november 2018 om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2018 bereiken dat de ongeldigverklaring van het kentekenbewijs ingaat op 10 februari 2010. Op de zitting heeft hij gesteld dat hij hier ook een financieel belang bij heeft, gelet op de boetes die hij heeft moeten betalen over de periode van 10 februari 2010 tot 21 februari 2012.Toetsingskader9.    Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, enc. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.De feiten en omstandigheden die aan al deze voorwaarden voldoen worden ‘nova’ genoemd.10.    Bij de beoordeling van een verzoek om herziening als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb is uitsluitend van belang of er feiten en omstandigheden naar voren komen die er al waren vóór de uitspraak, die de verzoeker om herziening niet kende en niet hoefde te kennen, én die mogelijk van invloed zouden zijn geweest op het oordeel in die uitspraak.Het bijzondere rechtsmiddel van herziening dient er niet toe om het geschil waarover bij uitspraak is beslist, opnieuw aan de rechter voor te leggen. Ook is dit rechtsmiddel niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden om argumenten, die in een eerdere procedure naar voren zijn gebracht of hadden kunnen worden gebracht, opnieuw of alsnog naar voren te brengen en daarmee het debat te heropenen, nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Het bijzondere rechtsmiddel van herziening kan ook niet worden gebruikt voor de correctie van een, in de ogen van de verzoeker, rechterlijke misslag, omdat dit niet onder de in artikel 8:119 van de Awb bedoelde feiten en omstandigheden valt.Gronden[verzoeker] betoogt dat de Afdeling heeft miskend dat de opmerking van de vertegenwoordiger van de RDW ter zitting van 23 augustus 2018 bij de Afdeling in procedure 2, dat de situatie van [verzoeker] schrijnend is, een novum is. Voorheen heeft de RDW namelijk ontkend dat de situatie schrijnend is. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ4094, waarin is overwogen dat de RDW ter zitting heeft toegelicht dat zij in het verleden in schrijnende gevallen terugwerkende kracht aan de vervallenverklaring van de tenaamstelling heeft verleend, betoogt [verzoeker] dat het kentekenbewijs op de sloopdatum ongeldig had moeten worden verklaard vanwege de schrijnende situatie.[verzoeker] betoogt verder dat de Afdeling zijn verzoek om de betrokken medewerker van de RDW als getuige te horen ten onrechte heeft afgewezen. Volgens [verzoeker] was de Afdeling tot dit horen gehouden op grond van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.[verzoeker] betoogt tevens dat de Afdeling ten onrechte in haar uitspraak van 26 september 2018 heeft geoordeeld dat hij zijn betoog over het begrip ‘terugwerkende kracht’ aan had kunnen voeren in de eerder gevoerde procedure over de ongeldigverklaring van het kentekenbewijs. [verzoeker] stelt dat hij in 2014 heeft ontdekt dat de RDW dit begrip al tientallen jaren verkeerd heeft gebruikt, dat hij de Afdeling hierop heeft gewezen, en haar erop heeft gewezen dat zij tientallen foute uitspraken heeft gedaan waardoor velen ten onrechte in het ongelijk zijn gesteld. Dit is volgens [verzoeker] dus wel degelijk een nieuw gezichtspunt.[verzoeker] betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1566, dat de Afdeling het begrip ‘terugwerkende kracht’ inmiddels wel juist toepast. Volgens [verzoeker] heeft hij, gelet op die uitspraak, door in 2012 te verzoeken om het gesloopte voertuig "op" de sloopdatum uit het Kentekenregister te verwijderen, geen verzoek met terugwerkende kracht gedaan en had het kentekenbewijs dan ook ongeldig moeten worden verklaard met ingang van de sloopdatum.Volgens [verzoeker] komt, anders dan de RDW stelt, de zuiverheid van het Kentekenregister niet in gevaar als de sloopdatum als ingangsdatum voor de ongeldigverklaring wordt gehanteerd, nu het voertuig volgens hem in juli 2009 is geschorst, in een afgesloten ruimte in Duitsland is opgeslagen en daar in februari 2010 is gesloopt. [verzoeker] verwijst naar de schriftelijke verklaring van [persoon] van 5 december 2018, waarin is bevestigd dat het voertuig op 10 februari 2010 is gesloopt.Dat de zuiverheid hierdoor niet in gevaar komt, geldt volgens [verzoeker] te meer, nu de tenaamstelling niet zichtbaar is in het Kentekenregister.[verzoeker] betoogt verder dat uit diverse uitspraken volgt dat de RDW besluiten neemt met terugwerkende kracht in situaties waarin de relatie tussen het voertuig en de geregistreerde houder van het voertuig ontbreekt. Volgens [verzoeker] geldt dit dus ook voor een situatie als hier aan de orde is, waarin het voertuig is gesloopt.[verzoeker] betoogt voorts, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:240, dat het proces-verbaal en de opgelegde boetes moeten worden vernietigd.Beoordeling10.1.    De RDW heeft in procedure 2 ter zitting gesteld dat de situatie schrijnend is maar geen reden is om terugwerkende kracht toe te passen. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 september 2018 op dit punt overwogen dat de ongeldigverklaring van het kentekenbewijs niet op 10 februari 2010 ingaat op grond van de omstandigheid dat de situatie schrijnend is.Ook eerder, in procedure 1, is de Afdeling ingegaan op het betoog van [verzoeker] dat de situatie schrijnend is. In de uitspraak van 19 februari 2014 heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat de RDW in hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om, in afwijking van het gevoerde beleid, terugwerkende kracht te verlenen aan de ongeldigverklaring van het kentekenbewijs, nu het in de risicosfeer van [verzoeker] ligt dat hij niet eerder hierom heeft verzocht.Anders dan [verzoeker] betoogt, is de erkenning door de RDW ter zitting dat sprake is van een schrijnende situatie dus geen novum in de zin van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb die herziening van de uitspraak van 26 september 2018 rechtvaardigt. De Afdeling heeft zich al twee maal over dit aspect uitgelaten.10.2.    Het verzoek van [verzoeker] om de medewerker van de RDW die gezegd heeft dat de situatie schrijnend is, te horen, heeft de Afdeling in de uitspraak van 26 september 2018 afgewezen, omdat dit niet kan leiden tot een ander oordeel. Dat [verzoeker] het niet eens is met die procedurele beslissing, is geen novum in de zin van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.10.3.    Hetzelfde geldt voor het betoog van [verzoeker] dat hij het niet eens is met het oordeel van de Afdeling in de uitspraak van 26 september 2018, dat hij het betoog over het begrip ‘terugwerkende kracht’ eerder aan had kunnen voeren. Het betoog behelst geen nova in vorenbedoelde zin. Herziening dient er niet toe om een, in de ogen van [verzoeker], rechterlijke misslag te corrigeren.10.4.    Voor zover het betoog over de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2017 zo moet worden begrepen dat de uitspraak blijk geeft van een gewijzigde rechtsopvatting, wat daar ook van zij, die van belang is voor de uitkomst in zijn zaak, treft dit betoog geen doel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:622), biedt een uitspraak waarin de rechter blijk geeft van een gewijzigde rechtsopvatting geen grond voor herziening als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.10.5.    [verzoeker] heropent het debat met het betoog dat de besluiten van de RDW onvoldoende gemotiveerd zijn, dat vanaf de sloopdatum geen relatie meer bestaat tussen [verzoeker] en het voertuig en de ongeldigverklaring mede daarom op die datum in moet gaan, ook omdat de zuiverheid van het Kentekenregister hierdoor niet in gevaar komt, de vertegenwoordiger van de RDW ongefundeerd twijfel heeft gezaaid over de sloop van het voertuig en dat degene die het voertuig heeft gesloopt als getuige kan worden gehoord, Zoals hiervoor is overwogen, dient het middel van herziening niet hiertoe.10.6.    Het middel dient er evenmin toe, vragen aan de Afdeling en de RDW voor te leggen die [verzoeker] graag beantwoord ziet.10.7.    Met dit middel kan [verzoeker] verder niet bereiken dat een proces-verbaal en opgelegde boetes worden vernietigd. Zijn verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 16 februari 2016 treft dus geen doel.10.8.    De aanvullende opmerkingen van [verzoeker] behelzen ook geen nova.Conclusie11.    Gelet op het voorgaande, heeft [verzoeker] geen feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb naar voren gebracht. Het verzoek om herziening dient daarom te worden afgewezen.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:wijst het verzoek af.Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.w.g. Van Ravels    w.g. De Vlieger-Mandourlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2019615.