Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3397

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-10-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 09-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3397, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201900852/1/R2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:3397:DOC

201900852/1/R2.Datum uitspraak: 9 oktober 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Lemele, gemeente Ommen,tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 december 2018 in zaak nr. 17/2093 in het geding tussen:[appellant]enhet college van gedeputeerde staten van Overijssel.ProcesverloopBij besluit van 18 juli 2017 heeft het college het provinciaal Natura 2000-beheerplan "Vecht- en Beneden Reggegebied", vastgesteld.Bij uitspraak van 19 december 2018 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het daartegen ingestelde beroep kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2019, waar [appellant A] en [appellant B], en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Hams en A Lassche, zijn verschenen.Buiten bezwaren van verweerder heeft [appellant] ter zitting nog stukken in het geding gebracht.Overwegingen1.    Het beheerplan voor het Natura 2000-gebied "Vecht- en Beneden Reggegebied" is vastgesteld op grond van artikel 2.3 van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Het beheerplan beschrijft het gebied, de te behalen instandhoudingsdoelstellingen en wat er nodig is om deze te realiseren. Het beheerplan geeft ook antwoord op de vraag of en zo ja onder welke voorwaarden (bestaande) activiteiten in en rond het gebied mogen plaatsvinden en het maakt duidelijk welke (bestaande) activiteiten vergunningplichtig zijn.2.    De relevante wetsartikelen zijn als bijlage bij deze uitspraak gevoegd. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.3.    [appellant] is eigenaar en pachter van gronden die gelegen zijn in de nabijheid van de Regge, ten noorden van Lemele. Hij kan zich niet verenigen met delen van het beheerplan die relevant zijn voor landbouwgronden die hij in eigendom heeft en pacht. Daarom heeft hij beroep ingesteld bij de rechtbank.    De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen. Kort gezegd is de reden hiervoor dat het beroep niet is gericht tegen onderdelen van het beheerplan die activiteiten vergunningvrij maken, terwijl dat de enige onderdelen van het beheerplan zijn waar beroep bij de bestuursrechter tegen open staat.4.    [appellant] is van mening dat het oordeel van de rechtbank niet terecht is. Samengevat stelt hij dat activiteiten die verband houden met het zogenoemde Reggeherstelproject Archem-Eerderhooilanden nog zullen worden uitgevoerd en gevolgen voor hem zullen hebben. Hij heeft verschillende onderdelen van het project benoemd, bijvoorbeeld het onderdeel M4b ("Verwerven percelen en inrichten nieuwe natuur EHS buiten Natura 2000-gebied ten behoeve van herinrichting en peilverhoging (tbv herstel waterhuishouding)").    Omdat het Reggeherstelproject wordt genoemd in het beheerplan - het is onder meer een voorwaarde voor het gebruik van de rioolzuiveringsinstallatie Den Ham en maakt deel uit van de zogenoemde PAS-herstelmaatregelen - vreest hij dat het beheerplan gebruikt wordt en kan worden om activiteiten uit te voeren zonder vergunning. Dit kan negatieve gevolgen voor hem hebben.5.    De Afdeling overweegt dat artikel 8.1, tweede lid, van de Wnb de mogelijkheid beperkt om beroep in te stellen tegen een beheerplan. Op grond van dit artikel kan namelijk alleen beroep worden ingesteld tegen bepaalde onderdelen van het beheerplan. In de eerste plaats de beschrijving van die projecten en andere handelingen waarvan artikel 2.9 van de Wnb bepaalt dat deze niet onder de vergunningplicht van artikel 2.7 vallen. In de tweede plaats de beschrijving van handelingen ten aanzien van soorten als bedoeld in artikel 3.3, zevende lid, onderdeel b, artikel 3.8, zevende lid, onderdeel b, al dan niet in samenhang met artikel 3.10, tweede lid.6.    De onderwerpen die [appellant] in het beroepschrift noemt en in hoger beroep heeft ingebracht tegen de uitspraak van de rechtbank gaan over andere onderdelen van het beheerplan dan die op grond hiervan zijn vrijgesteld van de vergunningplicht, dan wel waarvan het beheerplan bepaalt dat verbodsbepalingen in hoofdstuk 3 van de Wnb niet gelden.    Voor zover het Reggeherstelproject een relatie heeft met het beheerplan - dit project wordt genoemd in het beheerplan en, zoals het college ter zitting heeft toegelicht, bestaat er een zekere overlap tussen dit project en maatregelen in het beheerplan - heeft deze relatie niet het (juridische) gevolg dat onderdelen van dit project in het bestreden beheerplan vrijgesteld zouden zijn van de vergunningplicht, in welk geval tegen dat vrijstellen van de vergunningplicht in het beheersplan beroep zou openstaan. Nu dat geval zich niet voordoet, is dus ook in zoverre geen beroep tegen het beheerplan mogelijk en kunnen argumenten over activiteiten die verband houden met het Reggeherstelproject in een vergunningsprocedure of handhavingsprocedure worden ingebracht.    Uit artikel 8.1, tweede lid, van de Wnb, volgt dat de bestuursrechter in het kader van het beroep tegen de vaststelling van dit beheerplan niet bevoegd is om de rechtmatigheid en feitelijke gevolgen van de activiteiten die [appellant] noemt te beoordelen.7.    Voor zover [appellant] om rectificatie verzoekt van enkele feiten die de rechtbank heeft genoemd in de uitspraak van 19 december 2018, overweegt de Afdeling dat, los van de vraag of is gebleken dat de weergave van die feiten onjuist is, hier niet uit kan volgen dat de rechtbank desondanks bevoegd was van het beroep kennis te nemen.    Voor zover hij daarnaast stelt dat de uitvoering van instandhoudingsmaatregelen die in het beheerplan worden genoemd ten onrechte uitblijft en dat het Waterschap Vechtstromen voorschriften uit de Wnb overtreedt, geldt dit ook. Daarop en ook op wat hij overigens heeft aangevoerd kan de Afdeling vanwege het oordeel over de onbevoegdheid van de bestuursrechter, inhoudelijk niet ingaan.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.w.g. Polak    w.g. Scheelelid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2019723. BIJLAGE Wet natuurbeschermingArtikel 2.3, eerste lid, luidt:"Gedeputeerde staten van de provincie waarin een op grond van artikel 2.1 aangewezen Natura 2000-gebied is gelegen, stellen voor dat gebied een beheerplan vast. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de eerste volzin is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder."Artikel 2.9, eerste lid, luidt:"Het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen die zijn beschreven in en worden gerealiseerd, onderscheidenlijk verricht overeenkomstig een beheerplan als bedoeld in artikel 2.3 of een programma als bedoeld in artikel 1.13, eerste, zevende, of achtste lid, of een plan of programma als bedoeld in artikel 2.3, vijfde lid, indien:    a. ten aanzien van het plan of het programma, althans het desbetreffende onderdeel, een passende beoordeling van projecten als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, is uitgevoerd waaruit de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten, onderscheidenlijk rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van andere handelingen als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel b voor het Natura 2000-gebied, en    b. het bestuursorgaan dat het plan of het programma heeft vastgesteld tevens bevoegd is voor de verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, voor een dergelijk project, onderscheidenlijk een dergelijke handeling, of, als dat niet het geval is, het laatstbedoelde bestuursorgaan heeft ingestemd met het onderdeel van het plan of programma dat betrekking heeft op het project, onderscheidenlijk de andere handeling."Artikel 2.7, tweede lid, luidt:Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.Artikel 2.7, derde lid, luidt:Gedeputeerde staten verlenen een vergunning als bedoeld in het tweede lid uitsluitend indien is voldaan aan:a.  artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid, wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, ofb.  artikel 2.8, negende lid, wanneer zij betrekking heeft op andere handelingen dan projecten als bedoeld in onderdeel a.Artikel 3.3, zevende lid: luidt:"De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.2, zesde lid, zijn niet van toepassing op:a. handelingen ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel als bedoeld in artikel 2.2, enb. handelingen die zijn beschreven in en worden verricht overeenkomstig een beheerplan als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, een plan of een programma als bedoeld in artikel 2.3, vijfde lid, of een programma als bedoeld in artikel 1.13, eerste, zevende, of achtste lid, indien:    1°. ten aanzien van het beheerplan, het plan of het programma, althans het onderdeel dat betrekking heeft op de desbetreffende handelingen, is voldaan aan het in het vierde en vijfde lid bepaalde ten aanzien van ontheffingen en vrijstellingen, en    2°. het bestuursorgaan dat het beheerplan, het plan of het programma heeft vastgesteld tevens bevoegd is voor de verlening van een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling als bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid voor dergelijke handelingen, of, als dat niet het geval is, het beheerplan, het plan of het programma is vastgesteld in overeenstemming met het bestuursorgaan dat bevoegd is voor de verlening van de ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling.Artikel 3.8, zevende lid, luidt:"De verboden, bedoeld in de artikelen 3.5 en 3.6, tweede lid, zijn niet van toepassing op:a. handelingen ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel als bedoeld in artikel 2.2, enb. handelingen die zijn beschreven in en worden verricht overeenkomstig een beheerplan als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, een plan of een programma als bedoeld in artikel 2.3, vijfde lid, of een programma als bedoeld in artikel 1.13, eerste, zevende of achtste lid, indien:    1°. ten aanzien van het beheerplan, het plan of het programma, althans het onderdeel dat betrekking heeft op de desbetreffende handelingen, is voldaan aan het in het vijfde lid bepaalde ten aanzien van ontheffingen en vrijstellingen, en    2°. het bestuursorgaan dat het beheerplan, het plan of het programma heeft vastgesteld tevens bevoegd is voor de verlening van een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling als bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid voor dergelijke handelingen, of, als dat niet het geval is, het beheerplan, het plan of het programma is vastgesteld in overeenstemming met het bestuursorgaan dat bevoegd is voor de verlening van de ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling.Artikel 3.10, tweede lid, luidt:"Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen:a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde;b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;h. in het algemeen belang, ofi. bestendig gebruik."