Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3379

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-10-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 09-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3379, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201808725/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:3379:DOC

201808725/1/A1.Datum uitspraak: 9 oktober 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak in het geding tussen:[appellante], wonend te Den Haag,enhet college van burgemeester en wethouders van Den Haag,verweerder.ProcesverloopBij besluit van 21 juni 2018 heeft het college zijn beslissing om op 3 juni 2018 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.Bij besluit van 24 september 2018 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.Het college heeft een verweerschrift ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2019, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. F. Naghi-Zadeh, zijn verschenen.Overwegingen1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 13 juni 2018 ter hoogte van de Valkenboslaan 267 te Den Haag naast een ondergrondse afvalcontainer is aangetroffen. Omdat op de doos een sticker met de naam- en adresgegevens van [appellante] is aangetroffen, gaat het college ervan uit dat de doos van haar afkomstig is en dat zij deze daar in strijd met de Afvalstoffenverordening heeft achtergelaten.2.    [appellante] betwist dat zij het aangetroffen stuk karton naast de inzamelvoorziening heeft geplaatst. Haar partner heeft verklaard dat hij het stuk karton voor haar in de inzamelvoorziening heeft gedaan. Zij stelt dat het stuk karton alleen naast de inzamelvoorziening kan zijn aangetroffen doordat iemand het stuk karton uit de inzamelvoorziening heeft gehaald. Verder voert zij aan dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de aangetroffen doos tot haar herleidbaar is, omdat volgens haar slechts een stuk karton ter inzameling is aangeboden. De bewoordingen van en de foto’s in de rapportage bij het besluit van 21 juni 2018 wekken volgens haar de indruk dat het college ten aanzien van meerdere aangetroffen en met karton gevulde dozen kosten aan haar in rekening heeft gebracht. Tot slot betoogt zij dat de kosten die bij haar in rekening zijn gebracht voor het verwijderen van een doos onredelijk hoog zijn.2.1.    Artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt: "De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen."    Artikel 5:1, tweede lid, luidt: "Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt."    Artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening luidt: "Het college kan aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt."    Artikel 9, eerste lid, luidt: "Het is de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, tweede lid een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot."2.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 1 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:523) zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie een aangetroffen afvalstof kan worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.    Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2882) is de overtreder in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, doch aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt.2.3.    Vaststaat dat het aangetroffen stuk karton, een opgevouwen doos van Pampers, van [appellante] afkomstig is en dat deze niet op juiste wijze ter inzameling is aangeboden. Voor de vraag of artikel 9 van de Afvalstoffenverordening is overtreden is niet van belang of het aangebodene een stuk karton of een doos is, bepalend is of sprake is van een huishoudelijke afvalstof. Oud papier en karton zijn huishoudelijke afvalstoffen, zodat het college het onjuist ter inzameling aanbieden van het karton als overtreding van de Afvalstoffenverordening heeft aangemerkt.    Wat betreft de door [appellante] gestelde onduidelijkheid over de hoeveelheid dozen waarvan haar wordt verweten deze naast de inzamelvoorziening te hebben aangeboden overweegt de Afdeling als volgt. In het besluit van 21 juni 2018 staat dat een toezichthouder van de gemeente één doos naast een inzamelvoorziening heeft aangetroffen en dat de kosten die bij haar in rekening worden gebracht betrekking hebben op het met spoed verwijderen van één doos. In het besluit van 24 september 2018 staat in reactie op het bezwaar van [appellante] vermeld dat het stuk karton, de opgevouwen doos van Pamers, met daarop haar naam- en adresgegevens in een doos is aangetroffen en dat dit poststuk en daarmee de doos herleidbaar is tot [appellante]. De Afdeling begrijpt dat de bewoordingen van het besluit van 24 september 2018 weliswaar tot verwarring kunnen leiden, maar het college heeft in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat [appellante] enkel is aangeschreven voor de aangetroffen opgevouwen doos van Pampers en niet voor een doos met inhoud waarin de opgevouwen doos is aangetroffen. Het bedrag dat aan haar in rekening is gebracht is gebaseerd op het onjuist ter inzameling aanbieden van één doos, de opgevouwen doos die tot haar herleidbaar is.    Dat niet [appellante] maar haar partner de opgevouwen doos ter inzameling heeft aangeboden, leidt niet tot het oordeel dat het college [appellante] ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Haar partner heeft de aangetroffen opgevouwen doos met medeweten van [appellante] ter inzameling aangeboden, waardoor het verkeerd ter inzameling aanbieden daarvan aan [appellante] kan worden toegerekend. De enkele stelling dat de opgevouwen doos mogelijk door een derde uit de inzamelvoorziening is verwijderd en naast de inzamelvoorziening is geplaatst, is onvoldoende voor het oordeel dat het college niet van het hiervoor onder 2.2 weergegeven bewijsvermoeden mag uitgaan.    Wat betreft het betoog van [appellante] over de hoogte van de in rekening gebrachte kosten overweegt de Afdeling dat uit een door het college in vergelijkbare zaken verstrekte gespecificeerde kostenberekening blijkt dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang niet alleen bestaan uit de kosten voor het feitelijk verwijderen van de op onjuiste wijze ter inzameling aangeboden opgevouwen doos, maar ook uit onder meer de kosten voor het onderzoek en het opstellen van een rapportage, afgezet tegen het aantal daaraan besteden minuten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2428). De Afdeling heeft in vergelijkbare zaken op basis van de kostenberekening geen grond gezien voor het oordeel dat de in rekening gebrachte kosten onredelijk hoog zijn. De Afdeling ziet thans geen aanleiding voor een ander oordeel.    Het betoog faalt.2.4.    Gelet op het vorenstaande kan [appellante] voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden. Het college heeft dan ook terecht [appellante] als overtreder aangemerkt en heeft in redelijkheid een gedeelte van de kosten van de toepassing van spoedeisende bestuursdwang op haar kunnen verhalen.3.    Het beroep is ongegrond.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:verklaart het beroep ongegrond.Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.w.g. Van Ravels    w.g. Soedelid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2019270-855.