Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3378

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-10-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 09-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3378, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201806978/2/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:3378:DOC

201806978/2/A1.Datum uitspraak: 9 oktober 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak in het geding tussen:[appellante], wonend te Einighausen, gemeente Sittard-Geleen,encollege van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen.ProcesverloopBij tussenuitspraak van 3 juli 2019 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen acht weken na de verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen daar is overwogen het gebrek in het besluit 20 december 2017 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.Bij besluit van 16 juli 2019 heeft het college de omgevingsvergunning geweigerd.[appellante] heeft op 21 augustus 2019 een bericht verstuurd.Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.OverwegingenInleiding1.    Bij besluit van 20 december 2017 heeft het college aan [appellante] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een paardenbak en het gebruik van grond als zorgboerderij in afwijking van het bestemmingsplan. De rechtbank heeft het door [belanghebbende] daartegen ingediende beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 december 2017 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het college bij besluit van 18 april 2019 het besluit van 20 december 2017 herroepen en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd.Tussenuitspraak2.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de rechtbank ten onrechte aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure. Ten aanzien van het besluit van 20 december 2017 heeft de Afdeling geoordeeld dat het college, gelet op de mogelijkheid van vergunningvrij bouwen in artikel 2, aanhef en onder 3, aanhef en b, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, niet toereikend heeft gemotiveerd dat ter plaatse van het perceel van [belanghebbende] ook in dat geval een aanvaardbaar woon- een leefklimaat kan worden gerealiseerd. Ook is geoordeeld dat het besluit van 18 april 2019 niet in stand kan blijven.3.    Gelet op de tussenuitspraak is het hoger beroep van [appellante] gegrond. Omdat echter de beslissing van de rechtbank juist is, dient de aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden waarop deze rust te worden bevestigd. Het beroep van [appellante] tegen het besluit van 18 april 2019 is gegrond. Dit besluit moet worden vernietigd.Het besluit van 16 juli 20194.    Het besluit van 16 juli 2019 wordt, gelet op de artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.    Het college heeft bij dit besluit de omgevingsvergunning andermaal geweigerd. Daarbij heeft het college betrokken dat volgens de VNG-brochure voor de beoogde activiteiten in gemengd gebied een richtafstand van 30 meter is aanbevolen tussen de paardenbak en de gevel van de dichtstbijzijnde woning en dat in het achtererfgebied behorende bij de woning van [belanghebbende] zonder omgevingsvergunning een mantelzorgwoning kan worden opgericht. Hierdoor ligt de paardenbak op minder dan 30 meter van de gevel van de dichtstbijzijnde woning die vergunningvrij kan worden gebouwd.    [appellante] heeft in de brief van 21 augustus 2019 bericht verder geen argumenten in het geding te brengen. Dit betekent dat zij geen beroepsgronden tegen dit besluit heeft aangevoerd. Het van rechtswege ontstane beroep van [appellante] tegen het besluit van 16 juli 2019 is daarom ongegrond.Proceskosten5.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellante] te worden veroordeeld.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep van [appellante] gegrond;II.    bevestigt de aangevallen uitspraak;III.    verklaart het beroep van [appellante] tegen het besluit van 18 april 2019 gegrond;IV.    verklaart het beroep van [appellante] tegen het besluit van 16 juli 2019 ongegrond;V.    veroordeelt college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 768,00 (zegge: zevenhonderdachtenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;VI.    gelast dat college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 253,00 (zegge: tweehonderddrieënvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.w.g. Drop    w.g. Soedelid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2019270.