Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3360

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-10-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 07-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3360, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201903446/1/V2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:3360:DOC

201903446/1/V2.Datum uitspraak: 7 oktober 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:1.    de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,2.    [de vreemdeling],appellanten,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 25 april 2019 in zaak nr. NL19.7289 in het geding tussen:de vreemdelingende staatssecretaris.ProcesverloopBij besluit van 23 maart 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.Bij uitspraak van 25 april 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.M. Veld, advocaat te Drachten, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.Vervolgens is het onderzoek gesloten.OverwegingenInleiding1.    De vreemdeling heeft de Afghaanse nationaliteit en heeft op 17 april 2014 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en bij terugkeer naar zijn land van herkomst vreest voor vervolging. In het besluit van 19 januari 2015 en een later besluit van 6 oktober 2017 heeft de staatssecretaris de seksuele gerichtheid van de vreemdeling geloofwaardig geacht, maar zijn aanvraag afgewezen omdat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde zou vormen. Deze besluiten zijn beide vernietigd, waardoor de staatssecretaris opnieuw op de aanvraag moest beslissen. Hiervoor heeft hij op 8 januari 2019 de vreemdeling aanvullend gehoord. In dat gehoor kwam diens seksuele gerichtheid opnieuw aan de orde. In een nieuw voornemen, mede gebaseerd op dit gehoor, en in het nu bestreden besluit, heeft de staatssecretaris de seksuele gerichtheid van de vreemdeling niet langer geloofwaardig gevonden. De rechtbank heeft dit besluit vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris, door na vijf jaren terug te komen van zijn standpunt en alsnog de gestelde seksuele gerichtheid ongeloofwaardig te vinden, het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel geschonden.In het hoger beroep van de staatssecretaris2.    De staatssecretaris klaagt dat de rechtbank dit ten onrechte heeft overwogen. Volgens hem zou deze toepassing van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel ertoe leiden dat hij nooit meer nader onderzoek kan doen en terug kan komen van eerder ingenomen standpunten in besluiten die zijn vernietigd. Hij betoogt dat hij, ook zonder dat nieuwe feiten of omstandigheden zich voordoen, een gewijzigd standpunt mag innemen. Bovendien is zijn standpunt over de geloofwaardigheid van de gestelde seksuele gerichtheid ook nooit in rechte vast komen te staan omdat de eerdere besluiten zijn vernietigd. In deze zaak bestond ook aanleiding om terug te komen van zijn eerdere standpunt, omdat niet eerder toepassing was gegeven aan werkinstructies 2015/9 of 2018/9 en uit het aanvullende gehoor ook nieuwe informatie naar voren kwam.Beoordeling grief2.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling staat het de staatssecretaris steeds vrij om terug te komen van een eerder ingenomen geloofwaardigheidsstandpunt. Nieuwe feiten en omstandigheden zijn alleen nodig als dat eerdere standpunt niet alleen is ingenomen in een eerder besluit, maar dat standpunt ook in een procedure bij de rechter is getoetst. Dat doet zich hier niet voor. In de zaken over de vorige besluiten op deze aanvraag heeft de rechtbank of de Afdeling nooit uitdrukkelijk en zonder voorbehoud de gestelde seksuele gerichtheid beoordeeld. In een geval als dit moet de staatssecretaris wel deugdelijk motiveren waarom hij aanleiding ziet om terug te komen van een eerder ingenomen standpunt (zie de uitspraken van de Afdeling van 21 april 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD1121, en van 6 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1165).2.2.    De staatssecretaris heeft in de huidige procedure uiteengezet dat hij aanleiding zag de vreemdeling aanvullend te horen, omdat de geloofwaardigheid van diens gestelde seksuele gerichtheid nog niet eerder beoordeeld was volgens de nieuwe werkinstructies. Hij heeft bovendien in zijn nieuwe voornemen gesteld dat er uit dit gehoor nieuwe informatie naar voren is gekomen, die aanleiding gaf om terug te komen van zijn eerder ingenomen standpunt. De staatssecretaris heeft daarmee voldaan aan de hierboven beschreven motiveringsplicht. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris, door pas na verloop van vijf jaren de gestelde seksuele gerichtheid ongeloofwaardig te achten, het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel heeft geschonden. De rechtbank zal, nu de zaak zal worden teruggewezen, nog wel moeten beoordelen of de staatssecretaris zijn inhoudelijke standpunt over de geloofwaardigheid van de gestelde seksuele gerichtheid deugdelijk heeft gemotiveerd.2.3.    De grief slaagt.In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vreemdeling3.    Wat de vreemdeling heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000).Conclusie4.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond. Het hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;II.    verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond;III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 25 april 2019 in zaak nr. NL19.7289;IV.    wijst de zaak naar de rechtbank terug.Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.w.g. Verheij    w.g. Van de Sluisvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2019802-936.