Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3349

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-10-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 04-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3349, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201902977/1/V3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:3349:DOC

201902977/1/V3.Datum uitspraak: 4 oktober 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,appellant,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 10 april 2019 in zaak nr. NL19.8034 in het geding tussen:[de vreemdeling]ende staatssecretaris.ProcesverloopBij besluit van 4 april 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.Bij uitspraak van 10 april 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.E.J.M. van den Toorn, advocaat te Made, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.Vervolgens is het onderzoek gesloten.Overwegingen1.    De vreemdeling heeft op 3 januari 2019 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van diezelfde datum is de vreemdeling krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in vreemdelingenbewaring gesteld. Op 22 maart 2019 is zijn beroep gericht tegen het besluit waarbij zijn asielaanvraag is afgewezen ongegrond verklaard. Om die reden heeft de staatssecretaris op 4 april 2019 de bij besluit van 3 januari 2019 opgelegde maatregel van bewaring opgeheven en de vreemdeling diezelfde dag krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.    De vreemdeling heeft op 27 maart 2019 beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van 3 januari 2019. Op 5 april 2019 heeft hij beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring van 4 april 2019. Bij uitspraak van 10 april 2019 heeft de rechtbank de ingestelde beroepen gegrond verklaard, de maatregel van bewaring van 4 april 2019 opgeheven en aan de vreemdeling schadevergoeding toegekend.2.    De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, omdat er een gebrek kleeft aan de maatregel van 3 januari 2019, de maatregel van 4 april 2019 al om die reden van aanvang af onrechtmatig is. Daarover voert hij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de voorliggende zaak niet vergelijkbaar is met de situatie in de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2083. Anders dan in die uitspraak bestaat hier volgens de staatssecretaris daarom geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat een aan de eerste maatregel klevend gebrek niet maakt dat een daaropvolgende maatregel al om die reden van aanvang af onrechtmatig is (uitspraken van de Afdeling van 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2005 en van 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:67).2.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2016 volgt dat als uitgangspunt geldt dat een aan de eerste maatregel van bewaring klevend gebrek de daaropvolgende maatregel niet alleen al daarom van aanvang af onrechtmatig maakt. Op dit uitgangspunt is in de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2018 een uitzondering gemaakt vanwege een ernstige schending door de rechtbank van het fundamenteel rechtsbeginsel van een daadwerkelijk rechtsmiddel, als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het EVRM (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:756). Van een dergelijke uitzonderlijke situatie is in de voorliggende zaak geen sprake. De staatssecretaris klaagt dan ook terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het aan de maatregel van 3 januari 2019 klevende gebrek maakt dat de maatregel van 4 april 2019 al daarom van aanvang af onrechtmatig is.    De grief slaagt.3.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep tegen het besluit van 4 april 2019 alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep gegrond;II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 10 april 2019 in zaak nr. NL19.8034;III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond;IV.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.w.g. Verheij    w.g. Annenvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2019765-918.