Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3348

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-10-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 04-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3348, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201805537/1/V1 en 201805537/3/V1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:3348:DOC

201805537/1/V1 en 201805537/3/V1.Datum uitspraak: 4 oktober 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,appellant,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 juni 2018 in zaken nrs. NL18.3086 en NL18.3088 in het geding tussen:[de vreemdelingen], mede voor hun minderjarige kinderen,ende staatssecretaris.ProcesverloopIn zaak nr. 201805537/1/V1Bij besluiten van 22 januari 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover nu van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.Bij uitspraak van 7 juni 2018 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak.Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. A.W. Eikelboom, advocaat te Amsterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend.In zaak nr. 201805537/3/V1De vreemdelingen hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit door de staatssecretaris naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 7 juni 2018.Bij besluiten van 24 augustus 2019 heeft de staatssecretaris de aanvragen alsnog ingewilligd.OverwegingenIn zaak nr. 201805537/1/V11.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000).2.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.In zaak nr. 201805537/3/V13.    Omdat de staatssecretaris alsnog besluiten op de aanvragen heeft genomen, hebben de vreemdelingen geen belang meer bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Daarom verklaart de Afdeling dit beroep niet-ontvankelijk.4.    Daarnaast is de staatssecretaris de vreemdelingen met de besluiten van 24 augustus 2019 geheel tegemoetgekomen en hebben zij ook geen belang bij een beroep tegen die besluiten. Daardoor is tegen die besluiten geen beroep van rechtswege ontstaan als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, waarop nog moet worden beslist. Wel moet de staatssecretaris de proceskosten vergoeden.5.    De hoogte van die vergoeding voor de in hoger beroep gemaakte proceskosten is vastgesteld op basis van 1 punt voor het indienen van de schriftelijke uiteenzetting (met toepassing van wegingsfactor 1). De hoogte van de vergoeding voor de in beroep gemaakte proceskosten is vastgesteld op basis van 1 punt voor het indienen van een beroep wegens niet-tijdig beslissen (met toepassing van wegingsfactor 0,5).BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;II.    verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van besluiten op de aanvragen niet-ontvankelijk;III.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 768,00 (zegge: zevenhonderdachtenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.w.g. Hoogvliet    w.g. Schuurmanlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2019282-862.