Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3129

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-09-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 11-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3129, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201808640/1/A3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:3129:DOC

201808640/1/A3.Datum uitspraak: 11 september 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:de vereniging Koninklijke Nederlandse Toeristenbond ANWB (hierna: de vereniging), gevestigd te Den Haag,appellante,tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 oktober 2018 in zaak nr. 17/7812 in het geding tussen:[wederpartij]ende vereniging.Procesverloop[wederpartij] heeft op 23 oktober 2017 bij de hoofddirecteur van de vereniging een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) ingediend met betrekking tot informatie over de afgifte van internationale rijbewijzen.Bij brief van 9 november 2017 heeft de vereniging meegedeeld dat de vereniging, noch haar hoofddirecteur, onder de reikwijdte van de Wob vallen, omdat zij geen bestuursorganen zijn.Bij brief van 4 december 2017 heeft de vereniging aan [wederpartij] meegedeeld dat zijn bezwaar niet in behandeling wordt genomen, omdat de brief van 9 november 2017 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).Bij uitspraak van 9 oktober 2018 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de vereniging opgedragen binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een besluit te nemen op het verzoek van [wederpartij] van 23 oktober 2017. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft de vereniging hoger beroep ingesteld.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2019, waar de vereniging, vertegenwoordigd door mr. J.H.A. van der Grinten, advocaat te Amsterdam, en [gemachtigde], en [wederpartij] zijn verschenen.OverwegingenWettelijk kader1.    Het wettelijk kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak, die deel uitmaakt van deze uitspraak.Inleiding2.    [wederpartij] heeft de hoofddirecteur, tevens de voorzitter van het bestuur van de vereniging die blijkens de statuten van de vereniging zelfstandig bevoegd is, op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van stukken over de afgifte van internationale rijbewijzen. De vereniging heeft aan [wederpartij] medegedeeld dat zij, noch de hoofddirecteur, onder de Wob vallen. Op het bezwaar van [wederpartij] heeft de vereniging gereageerd dat de voormelde mededeling geen besluit was en daartegen geen bezwaar als bedoeld in de Awb openstaat.Aangevallen uitspraak3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de vereniging moet worden aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Dit betekent dat zij ten onrechte niet heeft beslist op het Wob-verzoek van [wederpartij]. De rechtbank heeft de brief van 4 december 2017 aangemerkt als besluit op bezwaar en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft bepaald dat de vereniging alsnog dient te beslissen op het Wob-verzoek.De rechtbank heeft de vereniging tot een bedrag van € 501,00 veroordeeld in de door [wederpartij] gemaakte proceskosten vanwege door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het indienen van het beroepschrift.Hoger beroep* Is (het bestuur van) de vereniging een bestuursorgaan?4.    De vereniging betoogt dat zij, noch haar hoofddirecteur, een bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Om aangemerkt te kunnen worden als zogeheten b-orgaan is daarvoor een wettelijk voorschrift nodig dat openbaar gezag toekent. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat artikel 117 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) die strekking heeft, aldus de vereniging. De bevoegdheid om internationale rijbewijzen af te geven is niet bij wettelijk voorschrift toegekend. Artikel 117 van de WVW is niet meer dan de implementatie van een verdragsrechtelijke regeling en kent aan de minister een vrije bevoegdheid toe om al dan niet de afgifte van internationale rijbewijzen over te laten aan een organisatie als de ANWB. De minister kan vervolgens de afgifte van internationale rijbewijzen aan een organisatie als de vereniging overlaten. De bevoegdheid om internationale rijbewijzen af te geven is met deze regeling in de wet niet toegekend ‘bij wettelijk voorschrift’ zoals in de jurisprudentie als uitgangspunt geldt. Ook kan de vereniging geen aanspraak maken op het mogen afgeven van de internationale rijbewijzen.Voorts voert de vereniging aan dat met de afgifte van een internationaal rijbewijs de rechtspositie van de verkrijger niet wijzigt. De afgifte heeft slechts een feitelijk karakter; er vindt geen beoordeling door de vereniging plaats. Als een persoon een geldig Nederlands rijbewijs kan tonen, verstrekt de vereniging zonder meer het internationale rijbewijs, dat in feite niet meer dan een vertaling van het nationale rijbewijs is. De besluitvorming voorafgaand aan het verstrekken van een Nederlands rijbewijs impliceert daarom al de afgifte van het internationaal rijbewijs. De vereniging acht deze opvatting in overeenstemming met de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3877. Er is geen rechtsgevolg beoogd.Omdat van een bestuursorgaan geen sprake is en de vereniging niet gehouden was op het verzoek van [wederpartij] te beslissen, had de rechtbank zich onbevoegd moeten verklaren om over deze zaak te oordelen.4.1.    Ter beoordeling staat of (een orgaan van) de vereniging als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb kan worden aangemerkt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraken van de grote kamer van 17 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3379 en ECLI:NL:RVS:2014:3394) is bepalend of aan het betrokken orgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon een publiekrechtelijke bevoegdheid tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten is toegekend. Openbaar gezag kan in beginsel slechts bij wettelijk voorschrift worden toegekend. Als een daartoe strekkend wettelijk voorschrift ontbreekt, is een orgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon in beginsel geen bestuursorgaan.4.2.    Bij brief van 14 januari 1932 heeft de minister van Waterstaat de vereniging gelet op het bepaalde in artikel 20 van de Motor- en Rijwielwet onder bepaalde voorwaarden gemachtigd om internationale rijbewijzen af te geven als bedoeld in artikel 7 van het Internationaal Verdrag nopens het wegverkeer van Parijs van 24 april 1926. Een van die voorwaarden luidt dat de vereniging het verdrag en de daarmee samenhangende wettelijke voorschriften nauwkeurig naleeft. Bij brief van 25 januari 1960 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat de vereniging - naar de Afdeling begrijpt, uitvoering gevende aan artikel 23, vierde lid, van de Wegenverkeerswet (oud) - vervolgens gemachtigd om in alle gevallen waarin zij bevoegd is tot afgifte van internationale rijbewijzen van het in het Internationaal Verdrag nopens het wegverkeer van Parijs van 1926 vastgestelde model ook internationale rijbewijzen af te geven van het model, vastgesteld in het Verdrag nopens het wegverkeer van Genève van 1949.De Afdeling is van oordeel, gelet op de relevante wetteksten van de Motor- en Rijwielwet en de Wegenverkeerswet (oud), dat met de brieven aan de vereniging de bevoegdheid is gegeven om internationale rijbewijzen te verstrekken.4.3.    Naar het oordeel van de Afdeling is bij wettelijk voorschrift aan het bestuur van de vereniging de publiekrechtelijke bevoegdheid tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten toegekend. In dit verband is van belang dat in artikel 117 van de WVW, en daarvoor in artikel 23, vierde lid, van de Wegenverkeerswet (oud) en in artikel 20 van de Motor- en Rijwielwet, de besturen van verenigingen die de behartiging van verkeersbelangen ten doel hebben, expliciet zijn aangewezen om internationale rijbewijzen af te geven. De wetgever heeft, blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 117 van de WVW (TK 1990-1991, 22 030, nr. 3, blz. 129), in ieder geval het oog gehad op de Koninklijke Nederlandse Toeristenbond ANWB, en hij heeft geen inhoudelijke wijziging van de daarvoor geldende regeling beoogd. Het betoog dat de bevoegdheid niet uit een wettelijk voorschrift voortvloeit, omdat artikel 117 van de WVW, als implementatie van een verdragsrechtelijke regeling, aan de minister een vrije bevoegdheid toekent om al dan niet de afgifte van internationale rijbewijzen over te laten aan een organisatie als de ANWB, kan niet worden gevolgd. De grondslag voor het toekennen van de bevoegdheid tot het afgeven van internationale rijbewijzen aan een vereniging die de belangen van verkeersdeelnemers behartigt is immers in deze bepaling neergelegd. De bevoegdheid om internationale rijbewijzen af te geven vloeit daarmee voort uit artikel 117 van de WVW. De vereniging is een vereniging die behartiging van verkeersbelangen ten doel heeft en die bij brieven van 14 januari 1932 en 25 januari 1960 is aangewezen om internationale rijbewijzen te verstrekken. De vereniging is ook de enige organisatie in Nederland die internationale rijbewijzen afgeeft. Overigens heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat inmiddels opnieuw - bij besluit van 15 april 2019 (Stcrt. 2019, nr. 21029) - bepaald dat de hoofddirecteur van de vereniging bevoegd is om ook internationale rijbewijzen af te geven en wel ten aanzien van het model als bedoeld in het Verdrag inzake het wegverkeer van Wenen van 8 november 1968, waartoe Nederland op 8 november 2007 is toegetreden.4.4.    De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat de vereniging met het afgeven van een internationaal rijbewijs eenzijdig de rechtspositie van andere rechtssubjecten bepaalt. Het internationaal rijbewijs geeft een persoon de bevoegdheid een motorvoertuig te besturen in de andere bij de Verdragen van Parijs en Genève aangesloten landen. Dat het internationale rijbewijs samen met het Nederlandse rijbewijs moet worden getoond, doet daaraan niet af. Met een internationaal rijbewijs is een nader examen bovendien niet nodig, zo volgt uit artikel 24, derde lid, van het Verdrag van Genève. In bepaalde landen dient een niet-ingezetene te beschikken over een internationaal rijbewijs om daar auto te mogen rijden.Anders dan de vereniging aanvoert, betreft de afgifte op grond van het voorgaande niet slechts een feitelijk handelen. Bij het afgeven van het internationaal rijbewijs komt bovendien, naast de vaststelling of een persoon over een Nederlands rijbewijs beschikt, een nadere beoordeling kijken. Er moet, gelet op de verschillende verdragen, worden onderzocht welk model internationaal rijbewijs dient te worden afgegeven. Voorts volgt uit de brief van 14 januari 1932 dat aan de bevoegdheid de voorwaarde is verbonden dat de vereniging het Verdrag van Parijs moet naleven. Onder meer moet zij, gelet op de voorwaarden van artikel 6 van dat Verdrag, derhalve beoordelen of een persoon de 18-jarige leeftijd heeft bereikt, hetgeen van belang is nu ook 17-jarigen over een rijbewijs kunnen beschikken. Het internationaal rijbewijs is wat betreft zijn aard niet gelijk te stellen met een vertaling van een nationaal rijbewijs. Voor het internationaal rijbewijs is immers in het internationale recht een specifieke opmaak vastgesteld en daarin is bepaald wie het mag afgeven. Daarnaast is van belang dat een vertaling van een nationaal rijbewijs geldt zolang het rijbewijs geldig is, terwijl een internationaal rijbewijs juist slechts één jaar geldig is.4.5.    Gelet op het vorenstaande dient het bestuur van de vereniging als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb te worden aangemerkt, voor zover het de afgifte van internationale rijbewijzen betreft. De rechtbank is terecht tot dit oordeel gekomen.Het betoog van de vereniging faalt.* Heeft de rechtbank de vereniging terecht in de proceskosten veroordeeld?5.    De vereniging voert aan dat de rechtbank haar ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling van de door [wederpartij] gemaakte proceskosten. [bedrijf A] waarvoor [wederpartij] stelt te werken is volgens het handelsregister een eenmansbedrijf. [wederpartij] heeft zelf de correspondentie gevoerd en is zonder gemachtigde ter zitting verschenen. [gemachtigde], die voor [wederpartij] het beroep heeft ingesteld, heeft hetzelfde adres als voornoemde eenmanszaak. Onder deze omstandigheden is niet aangetoond dat [wederpartij] daadwerkelijk een professionele rechtsbijstandverlener in de arm heeft genomen.5.1.    Voor zover [wederpartij] betoogt dat de vereniging dit betoog reeds bij de rechtbank naar voren had moeten brengen, faalt dit. [wederpartij] stelt op zichzelf terecht dat hij de rechtbank reeds in het beroepschrift heeft verzocht de vereniging in de proceskosten te veroordelen. De vereniging is echter niet gehouden om voorafgaand aan het oordeel van de rechtbank voor te sorteren op dit niet nader toegespitste verzoek. Zij hoefde dan ook nog niet op voorhand te weerleggen waarom er volgens haar geen proceskosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand dienden te worden vergoed.Het betoog van [wederpartij] faalt.5.2.    In de uitspraak van 19 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:916, heeft de Afdeling overwogen dat door een kantoorgenoot, zijnde een advocaat, verleende rechtsbijstand in beginsel kan worden aangemerkt als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De voor door deze kantoorgenoot verleende rechtsbijstand gemaakte proceskosten komen daarom in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Een kantoorgenoot heeft niet zonder meer een persoonlijk belang bij de zaak waarin deze als advocaat optreedt. Dat de betrokken advocaat kantoorgenoot is, laat onverlet dat deze zich beroepsmatig bezighoudt met het voeren van juridische procedures, aldus de Afdeling in voormelde uitspraak.In de volmacht van 18 december 2017, na het instellen van beroep op 6 december 2017, is [gemachtigde], werkzaam bij [bedrijf B], gevestigd aan [locatie] te Oosterhout, door [wederpartij] gemachtigd om hem te vertegenwoordigen inzake het beroep bij de rechtbank. Uit de Algemene Voorwaarden die op de website van [bedrijf B] staan vermeld, volgt dat [bedrijf B] een handelsnaam is van [bedrijf A]. Uit de website van [bedrijf B] blijkt dat zowel [wederpartij] als [gemachtigde] voor [bedrijf B] werkzaam zijn. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat hetgeen in de uitspraak van 19 maart 2014 is overwogen, in dit geval niet tevens zou gelden voor een beroepsmatig rechtsbijstandverlener, niet zijnde een advocaat. [gemachtigde] heeft niet zonder meer een persoonlijk belang bij de zaak waarin hij als rechtsbijstandverlener optreedt. Ter zitting heeft [wederpartij] bevestigd dat hij en [gemachtigde] een zakelijk contact onderhouden en dat zij een betaalafspraak hebben over de kosten die worden gemaakt. Het niet nader onderbouwde vermoeden van de vereniging dat er geen beroepsmatige rechtsbijstand is verleend omdat [wederpartij] en [gemachtigde] samen een bedrijf uitoefenen, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat een derde beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend, die voor vergoeding in aanmerking komt.Het betoog faalt.Conclusie en proceskosten6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Dit betekent dat de vereniging, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, binnen zes weken na verzending van deze uitspraak dient te beslissen op het Wob-verzoek van [wederpartij] van 23 oktober 2017.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.w.g. Hagen    w.g. Koningsvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 11 september 2019612. BIJLAGE | Wettelijk kader Internationaal Verdrag nopens het wegverkeer (Parijs, 1926)Artikel 6 (Voorwaarden, waaraan bestuurders van motorrijtuigen moeten voldoen om in het internationale verkeer op den openbaren weg te worden toegelaten tot het besturen van een motorrijtuig)De bestuurder van een motorrijtuig moet de hoedanigheden bezitten, die voor de openbare veiligheid genoegzamen waarborg schenken.Wat betreft het internationaal verkeer, mag niemand een motorrijtuig besturen, tenzij hij daartoe heeft ontvangen een vergunning, afgegeven door een daartoe bevoegd gezag of door een vereeniging, daartoe door bedoeld gezag gemachtigd, nadat hij bewijs van zijn geschiktheid zal hebben gegeven.De vergunning kan niet worden gegeven aan personen beneden den 18-jarigen leeftijd.Artikel 7 (Afgifte en erkenning van internationale rijbewijzen)Ten einde voor het internationaal verkeer te waarborgen, dat aan de in het vorig artikel bedoelde voorwaarden is voldaan, worden internationale rijbewijzen afgegeven volgens het model en de aanwijzingen, vervat in de bijlagen D en E van dit verdrag.Deze bewijzen zijn voor de categorieën van motorrijtuigen, waarvoor ze zijn afgegeven, geldig gedurende een jaar, te rekenen van den dag van afgifte.Voor het internationaal verkeer zijn de volgende categorieën vastgesteld:A. Motorrijtuigen, waarvan het totaal gewicht, gevormd door het eigen gewicht en door het gewicht van de grootste lading, die ten tijde dat het motorrijtuig tot het verkeer is toegelaten, toelaatbaar is verklaard, niet meer bedraagt dan 3500 kg;B. motorrijtuigen, waarvan het totaal gewicht, berekend als boven is aangegeven, meer bedraagt dan 3500 kg;C. motorrijwielen met of zonder zijspan.De geschreven aanwijzingen die de internationale rijbewijzen bevatten, moeten steeds in Latijnsche letter of zgn. Engelsche schrijfletter gesteld worden.De internationale rijbewijzen, welke zijn afgegeven door het bevoegd gezag van een der verdragstaten, of door eene vereeniging, daartoe door bedoeld gezag gemachtigd, in het laatste geval gewaarmerkt door dat gezag, geven bevoegdheid tot het besturen der motorrijtuigen, behoorende tot de categorie, waarvoor zij zijn afgegeven, in alle overige verdragstaten, en worden in die Staten als geldig erkend zonder dat een nader onderzoek plaats heeft. Evenwel kan het recht tot gebruikmaking van het internationaal rijbewijs worden ontzegd, indien duidelijk blijkt dat aan de voorwaarden, in het vorig artikel gesteld, niet wordt voldaan.Verdrag nopens het wegverkeer (Geneve, 1949)Artikel 241 De Verdragsluitende Staten staan een tot hun grondgebied toegelaten bestuurder, die aan de in Bijlage 8 omschreven voorwaarden voldoet, zonder verder examen toe op zijn wegen motorrijtuigen te besturen van de in de Bijlagen 9 en 10 bedoelde categorie of categorieën, indien hij in het bezit is van een geldig rijbewijs, hem daarvoor, nadat hij een rijvaardigheidsproef heeft afgelegd, uitgereikt door het bevoegde gezag van een andere Verdragsluitende Staat of van een van deszelfs samenstellende delen dan wel door een naar behoren door dat gezag gemachtigde vereniging.2 Niettemin kunnen de Verdragsluitende Staten van een tot hun grondgebied toegelaten bestuurder vorderen, dat hij in het bezit is van een internationaal rijbewijs overeenkomstig het in Bijlage 10 vervatte model, in het bijzonder, wanneer het betreft een bestuurder uit een land, waar geen nationaal rijbewijs is vereist of waar het hem uitgereikte rijbewijs niet overeenstemt met het in Bijlage 9 vervatte model.3 Het internationale rijbewijs moet zijn uitgereikt door het bevoegde gezag van een Verdragsluitende Staat of van een van deszelfs samenstellende delen, dan wel door een naar behoren door dat gezag gemachtigde vereniging, nadat de bestuurder een rijvaardigheidsproef heeft afgelegd, en moet door dat gezag of die vereniging zijn gezegeld of gestempeld. De houder is gerechtigd in alle Verdragsluitende Staten zonder verder examen motorrijtuigen te besturen, behorende tot de categorieën, waarvoor het rijbewijs is afgegeven.4 Zowel het recht tot gebruik van het nationale rijbewijs als dat tot gebruik van het internationale rijbewijs mag worden ontkend, indien de voorwaarden, waaronder zij zijn afgegeven, klaarblijkelijk niet langer worden vervuld.5 Een Verdragsluitende Staat of een van deszelfs samenstellende delen mag een bestuurder het recht tot gebruik van een of beide der bovengenoemde rijbewijzen slechts ontzeggen, indien de bestuurder een verkeersovertreding heeft begaan, welke ingevolge de nationale wetgeving van die Verdragsluitende Staat de intrekking van het rijbewijs met zich brengt. In zodanig geval mag de Verdragsluitende Staat of dat van deszelfs samenstellende delen, welke, onderscheidenlijk hetwelk, het recht tot gebruik van het rijbewijs heeft ontzegd, het rijbewijs intrekken en inhouden tot de periode van ontzegging van het recht is verstreken of tot, indien dit eerder is, de houder het grondgebied van de Verdragsluitende Staat verlaat, en op het rijbewijs van de ontzegging van het recht melding maken, alsmede de naam en het adres van de bestuurder opgeven aan het gezag, dat het rijbewijs heeft afgegeven.6 […]Algemene wet bestuursrechtArtikel 1:11. Onder bestuursorgaan wordt verstaan:a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, ofb. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.Wegenverkeerswet 1994Artikel 117De burgemeester van de gemeente waar de aanvrager op het tijdstip van de aanvraag als ingezetene met een adres was ingeschreven in de basisregistratie personen, is bevoegd tot het afgeven van internationale rijbewijzen ten behoeve van het verkeer met motorrijtuigen in het buitenland. Gelijke bevoegdheid kan door Onze Minister worden verleend aan besturen van verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid, die behartiging van verkeersbelangen ten doel hebben.Wegenverkeerswet (oud)Artikel 231. Op den in het buitenland woonachtigen eigenaar of houder van een motorrijtuig, die als rechthebbende gebruik maakt van een geldig internationaal bewijs voor dat motorrijtuig, afgegeven in het buitenland ingevolge artikel 4 van het internationaal verdrag betreffende het verkeer met motorrijtuigen, op 24 April 1926 te Parijs gesloten en op den in het buitenland woonachtigen bestuurder van dat motorrijtuig, waarvoor een geldig internationaal bewijs als vorengenoemd is afgegeven, zijn artikel 9, eerste lid, aanhef en onder 1e, 2e en 2ebis, dezer wet niet van toepassing, mits de ingevolge de artikelen 3 en 5 van dat verdrag op of aan het motorrijtuig aangebrachte kenteekens behoorlijk zichtbaar aanwezig zijn.2. Op den in het buitenland woonachtigen bestuurder van een motorrijtuig, die als rechthebbende gebruik maakt van een geldig internationaal rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig als waarmede wordt gereden, afgegeven in het buitenland ingevolge artikel 7 van het in het eerste lid bedoelde internationaal verdrag, is artikel 9, eerste lid, aanhef en onder 3e., dezer wet niet van toepassing.3. Indiena.    de in het buitenland woonachtige eigenaar of houder van een motorrijtuig als rechthebbende gebruik maakt van een geldig internationaal bewijs voor het motorrijtuig, waarmede wordt gereden, afgegeven in het buitenland ingevolge artikel 4 van het in het eerste lid bedoelde internationaal verdrag en tevens de in het buitenland woonachtige bestuurder van dat motorrijtuig, als rechthebbende gebruik maakt van een geldig internationaal rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig als waarmede wordt gereden, afgegeven in het buitenland ingevolge artikel 7 van dat verdrag,b.    de in Nederland woonachtige eigenaar of houder van een motorrijtuig als rechthebbende gebruik maakt van een geldig kentekenbewijs, en tevens de in het buitenland woonachtige bestuurder van dat motorrijtuig als rechthebbende gebruik maakt van een geldig internationaal rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig als waarmede wordt gereden, afgegeven in het buitenland ingevolge artikel 7 van het in het eerste lid bedoelde internationaal verdrag,c.    de in het buitenland woonachtige eigenaar of houder van een motorrijtuig als rechthebbende gebruik maakt van een geldig internationaal bewijs voor het motorrijtuig, waarmede wordt gereden, afgegeven in het buitenland ingevolge artikel 4 van het in het eerste lid bedoelde internationaal verdrag en tevens de in Nederland woonachtige bestuurder van dat motorrijtuig als rechthebbende gebruik maakt van een geldig rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig als waarmede wordt gereden,is artikel 22 dezer wet niet van toepassing, mits in de gevallen bedoeld onder a en c de ingevolge de artikelen 3 en 5 van het daar vermelde verdrag en in het geval, bedoeld onder b de ingevolge artikel 9, eerste lid, onder 1e., dezer wet op of aan het motorrijtuig aangebrachte kenteekens behoorlijk zichtbaar aanwezig zijn.4. Onze Minister is bevoegd, besturen van verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid, die behartiging van verkeersbelangen ten doel hebben te machtigen tot het afgeven van internationale bewijzen voor motorrijtuigen en internationale rijbewijzen als bedoeld bij het in het eerste lid bedoelde internationaal verdrag, ten behoeve van het verkeer met motorrijtuigen in het buitenland.Motor- en Rijwielwet (oud)Artikel 20Op den in het buitenland woonachtigen eigenaar, houder of bestuurder van een motorrijtuig, die als rechthebbende gebruik maakt van een geldig internationaal rijbewijs, afgegeven in het buitenland ingevolge art. 3 van het internationale verdrag betreffende het verkeer met automobielen, op 11 October 1909 te Parijs gesloten, zijn art. 9, eerste lid, sub 1°., 2°. en 3°., en art. 19 dezer wet niet van toepassing, mits de ingevolge art. 4 van dat verdrag op of aan het rijtuig aangebrachte beide kenteekens behoorlijk zichtbaar zijn.Onze Minister voornoemd is bevoegd besturen van als rechtspersoon erkende, behartiging van verkeersbelangen ten doel hebbende vereenigingen te machtigen tot het afgeven van internationale rijbewijzen, als bedoeld bij genoemd verdrag, ten behoeve van het verkeer met motorrijtuigen in het buitenland.