Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3125

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-09-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 11-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3125, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201809179/1/A3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:3125:DOC

201809179/1/A3.Datum uitspraak: 11 september 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te Zutphen,tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 oktober 2018 in zaak nr. 18/1194 in het geding tussen:[appellant]ende burgemeester van Zutphen.ProcesverloopOp 30 januari 2018 heeft de burgemeester de evenementenkalender 2018 vastgesteld.Bij uitspraak van 10 oktober 2018 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het daartegen ingestelde beroep van [appellant] kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2019, waar [appellant], en de burgemeester, vertegenwoordigd door J.V.H. Nijman, zijn verschenen.OverwegingenInleiding1.    [appellant] woont in het centrum van Zutphen. Hij is het niet eens met de evenementenkalender die de burgemeester heeft vastgesteld. [appellant] ondervindt in zijn woning onduldbare geluidshinder van de evenementen die in de nabijheid van zijn woning mogen worden georganiseerd. Om de totale geluidshinder in 2018 te kunnen aanvechten, heeft hij beroep ingesteld tegen de evenementenkalender.Aangevallen uitspraak2.    De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen. Zij heeft daartoe overwogen dat de evenementenkalender, noch de beslissing tot het vaststellen daarvan, rechtsgevolg heeft. Plaatsing van een evenement op de kalender brengt op zichzelf geen rechtens afdwingbaar recht op een vergunning met zich. Van een toezegging op grond van het vertrouwensbeginsel of van een concretiserend besluit van algemene strekking is volgens de rechtbank geen sprake.Hoger beroep3.    [appellant] kan zich niet met die uitspraak verenigen. Volgens hem heeft de evenementenkalender, in combinatie met de beslissing tot het vaststellen daarvan, wel degelijk rechtsgevolg. Op de evenementenkalender worden, naast gegevens over het evenement zelf, ook de namen van de organisatoren vermeld. Dit sluit eventuele andere gegadigden uit. Voorafgaand aan de plaatsing van een evenement op de kalender heeft ook al een eerste toetsing plaatsgevonden. De daadwerkelijke vermelding op de kalender kan niet anders worden gezien dan als een toezegging dat de burgemeester bereid is de vergunning te verlenen. Gebleken is dat in 2017 alle evenementen op de evenementenkalender een evenementenvergunning hebben gekregen. In 2018 hebben slechts twee van de 100 op de kalender vermelde evenementen geen vergunning gekregen. Het vorenstaande wordt bovendien bevestigd door de motivering van de beslissing van 30 januari 2018, waarin staat dat met de vaststelling van de kalender wordt beoogd om duidelijkheid te geven aan organisatoren. De stelling van de burgemeester dat bij de vergunningverlening zelf nog andere elementen worden beoordeeld, is niet onderbouwd. Volgens [appellant] vindt bij de eerste toets een zorgvuldige beoordeling plaats die niet - zoals gesuggereerd - minder zorgvuldig is dan bij de besluitvorming omtrent de vergunningverlening.3.1.    Artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: "Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling."    Artikel 8:1 luidt: "Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter."    Artikel 2:25, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Zutphen 2011 (hierna: de APV) luidt: "Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren."    Artikel 3 van de Beleidsregels evenementen gemeente Zutphen 2014 (hierna: het evenementenbeleid) luidt:"1. De burgemeester stelt jaarlijks een evenementenkalender vast.[…]4. Een evenement wordt niet op de evenementenkalender geplaatst, indien:- uit toetsing blijkt dat toevoeging van het evenement aan de evenementenkalender niet past binnen de in hoofdstuk 3 omschreven toetsingscriteria;- de locatie van het evenement niet geschikt is voor het betreffende evenement, bijvoorbeeld doordat hier werkzaamheden worden uitgevoerd.5. Indien meer evenementen worden aangevraagd dan op grond van de toetsingscriteria vergund kunnen worden, wordt een keuze gemaakt op basis van de volgende factoren:- het bevorderen van diversiteit in het evenementenaanbod;- de historie van het evenement;- de doelstellingen uit de strategische visie.6. […]."3.2.    Vast staat dat voor het organiseren van een evenement gelet op het bepaalde in artikel 2:25 van de APV een evenementenvergunning vereist is. Bij de besluitvorming omtrent evenementenvergunningen hanteert de burgemeester het evenementenbeleid. Volgens artikel 3, eerste lid, van het evenementenbeleid stelt de burgemeester jaarlijks een evenementenkalender vast.3.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het vaststellen van de evenementenkalender in dit geval niet als besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is aan te merken. Deze vaststelling houdt namelijk geen rechtshandeling in, omdat geen sprake is van een handeling die gericht is op enig rechtsgevolg. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is het niet noodzakelijk dat, alvorens een evenementenvergunning voor een evenement verleend wordt, een evenement op de evenementenkalender vermeld staat. Weliswaar is in 2017 en 2018 feitelijk voor nagenoeg alle op de kalender geplaatste evenementen een evenementenvergunning verleend, maar - anders dan [appellant] kennelijk meent - is er geen sprake van een onlosmakelijke samenhang tussen kalender en vergunning. Zoals de burgemeester ter zitting onweersproken heeft gesteld, komt het regelmatig voor dat er evenementenvergunningen worden verleend voor evenementen die niet op de evenementenkalender staan, bijvoorbeeld omdat het een evenement betreft zonder muziek of een evenement waarvan de betreffende muziekcategorie nog niet vol is. Dat de burgemeester na een eerste toets aan het evenementenbeleid in principe medewerking wenst te verlenen aan een evenement en dit op de kalender plaatst, wil nog niet zeggen dat is beoogd een bevoegdheid, recht of verplichting te doen ontstaan of teniet te doen of de juridische status van een persoon of zaak vast te stellen. Ter zitting heeft de burgemeester toegelicht dat het is voorgekomen dat een evenement wel op de kalender staat, maar dat daarvoor uiteindelijk geen vergunning wordt verleend. Van een onvoorwaardelijke toezegging van de burgemeester dat bij plaatsing op de evenementenkalender de vergunning zal worden verleend, is dan ook geen sprake. Met de vaststelling van de kalender is niet slechts beoogd om aan organisatoren duidelijkheid te verschaffen over de te verwachten evenementen, zoals [appellant] lijkt te betogen. Ook wordt aan omwonenden en ondernemers duidelijkheid gegeven. Daarbij is de vaststelling van de evenementenkalender tevens van belang om knelpunten tijdig te signaleren en om op tijd met hulpdiensten en relevante gemeentelijke afdelingen te kunnen afstemmen over de inzet bij evenementen en geplande (weg)werkzaamheden in de openbare ruimte.    De conclusie is dat het enkele gegeven dat een evenement niet op de evenementenkalender stond rechtens niet als gevolg heeft dat een aanvraag voor een evenementenvergunning buiten behandeling blijft. Omgekeerd brengt het feit dat een evenement wel op de kalender voorkomt op zichzelf geen rechtens afdwingbaar recht op een evenementenvergunning met zich mee. Gelet hierop houdt de beslissing tot vaststelling van de evenementenkalender door de burgemeester geen rechtshandeling in en is daardoor geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Nu de vaststelling van de evenementenkalender in dit geval geen besluit is, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat zij niet bevoegd was van het beroep van [appellant] kennis te nemen.    Het betoog faalt.Conclusie en proceskosten4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.w.g. Hagen    w.g. Koningsvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 11 september 2019612.