Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3110

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-09-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 11-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3110, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201900890/1/A3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:3110:DOC

201900890/1/A3.Datum uitspraak: 11 september 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te [woonplaats],tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 januari 2019 in zaak nr. 17/5845 in het geding tussen:[appellant]ende burgemeester van Gouda.ProcesverloopBij besluit van 7 februari 2017 heeft de burgemeester de aan [appellant] verleende exploitatievergunning voor een seksinrichting en de exploitatievergunning voor een openbare inrichting in het pand aan [locatie 1]-[locatie 2] te Gouda ingetrokken.Bij besluit van 17 juli 2017 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 18 januari 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2019, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.C.P. van Paassen en M. van Moolenbroek, is verschenen.OverwegingenInleiding1.    Op 21 mei 2014 heeft [appellant] een huurovereenkomst voor het pand [locatie 1] te Gouda gesloten met de toenmalige eigenaar [bedrijf]. In het pand was sinds vele jaren [seksinrichting] gevestigd. Nadat de Belastingdienst beslag op het pand heeft gelegd is het pand op 13 juni 2014 eigendom geworden van de Staat, vertegenwoordigd door het Rijksvastgoedbedrijf. Op 8 oktober 2018 zijn aan [appellant] een vergunning voor de exploitatie van een openbare inrichting op grond van artikel 2:15 van de Algemene plaatselijke verordening Gouda 2009 (hierna: de Apv), een vergunning op grond van artikel 3:3 van de Apv voor de exploitatie van een seksinrichting en een vergunning op basis van artikel 3 van de Drank- en Horecawet verleend.    In het kader van de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan Binnenstad West door de raad op 21 januari 2015 is bij de raad een motie ingediend. In de motie verzoekt de raad aan het college om: ‘Bij de exploitant zo mogelijk aan te dringen om geluidswerende maatregelen te treffen in de panden in het kader van de handhaving van de exploitatievergunning. Te faciliteren in het afsluiten van een beheersconvenant tussen bewoners en exploitant, teneinde overlast tegen te gaan. Dat, mocht overlast worden geconstateerd, hiertegen handelend op te treden in het kader van de exploitatievergunning en het begeleidend schrijven daarbij.’ De motie is aangenomen en is daarna telefonisch en per e-mail onder de aandacht van [appellant] gebracht.    Op 8 juni 2015 is een voornemen tot intrekken van de verleende Apv-vergunningen aan [appellant] gestuurd, omdat ruim zes maanden na verlening van de vergunningen is gebleken dat [appellant] geen gebruik van zijn vergunningen had gemaakt. De vergunning op grond van de Drank- en Horecawet is van rechtswege vervallen omdat  binnen 6 maanden na het onherroepelijk worden van deze vergunning, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van deze vergunning. Naar aanleiding van de zienswijze van [appellant] op het voornemen tot intrekking van de Apv-vergunningen is een termijn tot 1 oktober 2015 gesteld, waarbinnen de noodzakelijke werkzaamheden om tot exploitatie te kunnen overgaan, dienden te zijn uitgevoerd en [appellant] gebruik diende te maken van de verleende Apv-vergunningen. Deze termijn was gebaseerd op de door [appellant] aangegeven planning. In oktober 2015 heeft de burgemeester op verzoek van [appellant], de termijn om over te gaan tot exploitatie van de inrichting en gebruik van de verleende vergunningen met drie maanden verlengd, tot 1 februari 2016. Op 22 maart 2016 is een hernieuwd voornemen tot intrekking van de verleende vergunningen verstuurd. Op 12 december 2016 is [appellant] per brief een laatste termijn gesteld om over te gaan tot gebruik van de verleende vergunningen en daadwerkelijke exploitatie van de inrichting. Op 9 januari 2017 heeft [appellant] in een e-mail medegedeeld dat de exploitatie van de inrichting op zich laat wachten vanwege structurele bouwkundige gebreken aan de panden. Op 7 februari 2017 heeft de burgemeester besloten de op 8 oktober 2014 verleende vergunningen voor de exploitatie van een openbare inrichting en de vergunning voor de exploitatie van een seksinrichting in te trekken.Bestreden uitspraak2.    De burgemeester heeft [appellant] naar het oordeel van de rechtbank voldoende in de gelegenheid gesteld de noodzakelijke stappen te zetten om exploitatie van de inrichting te starten. De burgemeester heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellant] niet binnen een redelijke termijn gebruik heeft gemaakt van zijn vergunningen. De stelling van [appellant] dat het hem niet te verwijten valt dat hij nog geen gebruik heeft gemaakt van de vergunningen volgt de rechtbank niet. Ter zitting heeft [appellant] toegelicht dat er een conflict is tussen het Rijksvastgoedbedrijf en een curator over de eigendom van het pand en dat daardoor het probleem met het onderhoud van het pand niet kan worden opgelost. Deze omstandigheid dient voor rekening en risico van [appellant] te komen. De burgemeester heeft aangevoerd dat [appellant] een nieuwe aanvraag kan indienen voor de benodigde vergunningen als er een oplossing is gevonden.    De rechtbank oordeelt dat de burgemeester gelet op het voorgaande bevoegd was om de vergunningen in te trekken. De burgemeester heeft in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken. De enkele stelling van [appellant] dat hij bij het stopzetten van de exploitatie zijn huurovereenkomst kwijt is en daardoor schade zal lijden maakt niet dat de burgemeester niet tot intrekking van de vergunning mocht overgaan, mede gelet op de lange termijn die [appellant] heeft gehad om gebruik te maken van de vergunningen en de omstandigheid dat niet aannemelijk was dat [appellant] op korte termijn gebruik zou gaan maken van de vergunningen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de burgemeester in het bestreden besluit de bezwaargronden niet afdoende heeft behandeld of onvoldoende heeft gemotiveerd dat [appellant] niet binnen een redelijke termijn gebruik heeft gemaakt van de vergunning, aldus de rechtbank.    De burgemeester heeft voorts volgens de rechtbank terecht gesteld dat de motie van de raad ziet op de situatie, dat het pand feitelijk als seksinrichting of horeca-inrichting zou worden geëxploiteerd. Nu de exploitatie niet is gestart, valt niet in te zien, hoe bij de besluitvorming inzake de intrekking van de vergunningen rekening had dienen te worden gehouden met de raadsbehandeling en het uitvoeren van de motie.    Ten slotte heeft de burgemeester zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het zoeken naar een alternatieve locatie geen relatie heeft met het besluit tot intrekking van de vergunningen en heeft hij ook overigens in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien voor een informeel overleg alvorens een besluit op het bezwaar te nemen.Hoger beroep3.    [appellant] betoogt dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een redelijke termijn zou zijn verstreken waarbinnen [appellant] gebruik had moeten hebben gemaakt van de aan hem verleende exploitatievergunning voor een seksinrichting. Hij stelt dat het niet aan hem te verwijten is dat de exploitatie niet kan worden gestart. Dat de exploitatie nog niet gestart is komt door een conflict tussen het Rijksvastgoedbedrijf en de curator over de eigendom van het pand. Hierdoor kan het probleem met het onderhoud van het pand niet worden opgelost. De overweging van de rechtbank dat deze omstandigheid voor het risico van [appellant] komt is te kort door de bocht en onredelijk. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte geen rekening gehouden met de motie van de raad van 21 januari 2015 met betrekking tot de exploitatie van de seksinrichting en heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het in overleg gaan over een alternatieve locatie geen relatie heeft met het bestreden besluit, aldus [appellant].3.1.    De rechtbank heeft in de bestreden uitspraak gemotiveerd hoe zij tot haar oordeel is gekomen. [appellant] volstaat met het herhalen van zijn gronden en de enkele stelling dat de oordelen van de rechtbank onjuist zijn, zonder te motiveren waarom deze onjuist zijn. De Afdeling ziet in de hoger beroepsgronden geen aanleiding om de bestreden uitspraak onjuist te achten.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Rietberg, griffier.w.g. Daalder    w.g. Rietberglid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 11 september 2019725.