Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3097

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-09-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 11-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3097, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201804279/1/R1


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RVS:2019:3097:DOC
nl

201804279/1/R1.Datum uitspraak: 11 september 2019
1. appellant sub 1], wonend te Eerbeek, gemeente Brummen, en anderen,2. [ appellant sub 2], wonend te Eerbeek, gemeente Brummen,3. [ appellant sub 3], wonend te Eerbeek, gemeente Brummen,4. [ appellant sub 4], wonend te Eerbeek, gemeente Brummen,5. [ appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5]),6. [ appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen,7. Gelderse Natuur en Milieufederatie (hierna: GNMF), gevestigd te Arnhem,8. [ appellant sub 8A] en [appellant sub 8B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen,9. [ appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen,10. [ appellant sub 10A] en [appellant sub 10B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 10]),11. [ appellant sub 11A] en [appellant sub 11B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 11]),12. [ appellant sub 12A] en [appellant sub 12B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 12]),13. [ appellant sub 13A] en [appellant sub 13B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 13]),14. [ appellant sub 14A] en [appellant sub 14B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 14]),15. [ appellant sub 15], wonend te Brummen,16. [ appellant sub 16A] en [appellant sub 16B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 16]),17. [ appellant sub 17A] en [appellant sub 17B], beiden wonend te Delft (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 17]),18. [ appellant sub 18], wonend te Oegstgeest,19. [ appellant sub 19A] en [appellant sub 19B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 19]),20. [ appellant sub 20A] en [appellant sub 20B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 20]),21. [ appellant sub 21], wonend te Klarenbeek, gemeente Apeldoorn,22. [ appellante sub 22], gevestigd te Eerbeek, gemeente Brummen, en anderen,23. Romvan B.V., gevestigd te Eerbeek, gemeente Brummen, en [appellante sub 23A], gevestigd te Wetteren, België (hierna tezamen en in enkelvoud: Romvan B.V.),24. [ appellant sub 24A] en [appellant sub 24B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 24]),25. [ appellante sub 25], h.o.d.n. [bedrijf A], gevestigd te Eerbeek, gemeente Brummen, en anderen (hierna: [appellante sub 25] en anderen),
1. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brummen (hierna: het college),2. de raad van de gemeente Brummen,verweerders.
1. De (wettelijke) bepalingen en relevante planregels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
2. Vaststaat dat de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing is op het plan. Een aantal appellanten heeft na afloop van de beroepstermijn nieuwe beroepsgronden aangevoerd. Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. De Afdeling zal daarom de beroepsgronden die na afloop van de beroepstermijn zijn aangevoerd buiten beschouwing laten.
3. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is ingediend namens
4. Het college betoogt dat het beroep van [appellant sub 1] en anderen niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zij alleen een pro forma zienswijze naar voren hebben gebracht.
5. [ appellant sub 1] en anderen kunnen zich niet verenigen met de vaststelling van de hogere waarde voor de woning aan de [locatie 5].
6. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen, voor zover gericht tegen het hogerewaardenbesluit, is ongegrond.
7. [ appellant sub 2] is eigenaar van en woonachtig op het perceel [locatie 3] te Eerbeek. Het perceel heeft een oppervlakte van 10.078 m². [appellant sub 2] wenst op onbebouwde delen van zijn perceel twee woningen te bouwen. De onbebouwde gedeelten van het perceel worden hierna aangeduid als [locatie 2] en [locatie 1]. Het college heeft op 13 februari 2013 aan [appellant sub 2] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woning op het perceel Juliana van Stolberglaan ongenummerd (naast [locatie 3]). Dit betreft de gronden aangeduid als [locatie 1].
8. Het college is met het hogerewaardenbesluit van 9 juli 2019 geheel tegemoetgekomen aan het beroep van [appellant sub 2], voor zover gericht tegen het hogerewaardenbesluit van 9 januari 2018. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 eerste lid, van de Awb heeft [appellant sub 2] derhalve geen belang bij een beroep tegen het hogerewaardenbesluit van 9 juli 2019 en is geen beroep van rechtswege ontstaan.
9. Het hogerewaardenbesluit van 9 juli 2019 wordt met deze uitspraak onherroepelijk. Hieruit volgt dat het hogerewaardenbesluit van 9 januari 2018 geen betekenis meer heeft voor de gronden van [appellant sub 2]. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang, heeft [appellant sub 2] geen belang meer bij een inhoudelijke bespreking van zijn beroep tegen het hogerewaardenbesluit van 9 januari 2018. Het beroep van [appellant sub 2], voor zover gericht tegen het hogerewaardenbesluit van 9 januari 2018, is in zoverre niet-ontvankelijk.
10. Het beroep van [appellant sub 2], voor zover gericht tegen het hogerewaardenbesluit van 9 januari 2018, is niet-ontvankelijk.
11. In Eerbeek zijn van oudsher papierfabrieken gevestigd. Door de vraag naar arbeid in de papierfabrieken, groeide het aantal woningen. Deze werden dicht rondom de fabrieken gebouwd. Fabrieken en woningen staan hierdoor nog steeds dicht bij elkaar. Het bestemmingsplan "Eerbeek" biedt een juridisch-planologisch kader voor delen van de kern van Eerbeek waaronder het industrieterrein Eerbeek-Zuid en de woningen aan de Tullekenweg. Met het plan wordt tevens de bestaande geluidzone rondom het industrieterrein aangepast.
12. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.
13. Het zogenoemde Burgersterrein, met een omvang van ongeveer 6 hectare, ligt ten noorden van de kruising van de spoorlijn met de Loubergweg in het noordoostelijke deel van het plangebied. Uit het deskundigenbericht volgt dat ter plaatse tot ongeveer 2009 een transport- en distributiebedrijf gevestigd was. In 2012 is de bedrijfsbebouwing van dit bedrijf gesloopt. Sindsdien is het Burgersterrein braakliggend. Uit paragraaf 2.2 van de plantoelichting volgt dat verschillende bedrijven op het bedrijventerrein "Eerbeek-Zuid" te kennen hebben gegeven het Burgersterrein te willen gebruiken ten behoeve van hun logistieke activiteiten. Om die reden voorziet het bestemmingsplan ter plaatse in een logistiek centrum. [appellant sub 4], [appellanten sub 6], [appellant sub 5] en [appellant sub 3] kunnen zich niet met deze invulling van het Burgersterrein verenigen.
14. [ appellant sub 3] woont aan de [locatie 6] ten zuidoosten van het plangebied, op een afstand van ongeveer 1 km van het Burgersterrein. Hij vreest een aantasting van zijn woon- en leefklimaat als gevolg van het voorziene logistieke centrum op het Burgersterrein door een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van zijn woning.
15. [ appellant sub 4] woont aan de [locatie 7] op een afstand van ongeveer 480 m van het Burgersterrein.
16. [ appellant sub 5] woont aan de [locatie 8] direct ten zuiden van het Burgersterrein. [appellanten sub 6] zijn sinds 2006 eigenaar van de percelen [locatie 9]-[locatie 10] die op een afstand van ongeveer 75 m ten zuidwesten van het Burgersterrein liggen. Blijkens de verbeelding is aan deze percelen de bestemming "Gemengd" toegekend. [appellanten sub 6] exploiteren ter plaatse een bedrijf in kunststoffabricage en wonen in de bijbehorende bedrijfswoning. [appellant sub 5] en [appellanten sub 6] vrezen een aantasting van hun woon- en leefklimaat onder meer als gevolg van de voorziene activiteiten op het Burgersterrein.
17. [ appellant sub 5] en [appellanten sub 6] betogen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar alternatieve locaties voor een logistiek centrum ten behoeve van de papierindustrie in Eerbeek. Hiertoe voeren zij aan dat het Burgersterrein een ongeschikte locatie is, gezien de ligging midden in een woongebied. [appellanten sub 6] wijzen er in dit verband nog op dat [belanghebbende C] en [belanghebbende] te kennen hebben gegeven dat de locatie van het gewenste logistieke centrum voor hen van ondergeschikt belang is.
18. [ appellant sub 5] en [appellanten sub 6] betogen dat het plan voor het Burgerterrein voorziet in te ruime en te globale bouwmogelijkheden.

19. [ appellant sub 5] en [appellanten sub 6] vrezen verkeersoverlast als gevolg van het voorziene logistieke centrum op het Burgersterrein.
20. [ appellant sub 5] betoogt dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid die is neergelegd in artikel 4, lid 4.8, van de planregels, niet is aangetoond.
21. Aan het perceel van [appellant sub 5] is onder meer de aanduiding "milieuzone - geurzone 2" toegekend. [appellant sub 5] stelt dat in artikel 31, lid 31.4.4, van de planregels, welk artikel ziet op de verwijdering van de aanduiding "milieuzone - geurzone 2", in de zinsnede "dan wel de vergunde geurbelasting is beperkt" onvoldoende waarborg te vinden is.
22. In hetgeen [appellant sub 5] en [appellanten sub 6] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" voor het zogenoemde Burgersterrein, in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb is vastgesteld.
23. Om onomkeerbare gevolgen te voorkomen ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat voor het Burgersterrein het voorbereidingsbesluit, dat is vastgesteld door de raad bij besluit van 26 oktober 2017, kenmerk BR17.0060, in werking treedt en te bepalen dat deze voorlopige voorziening vervalt op het moment dat de raad een nieuw bestemmingsplan heeft vastgesteld voor het Burgersterrein en dit in werking is getreden. De Afdeling is zich ervan bewust dat het besluit van de raad van 26 oktober 2017, anders dan deze voorlopige voorziening, niet zag op het Burgersterrein.
24. GNMF kan zich niet verenigen met de voorziene uitbreiding van de papierindustrie in het plangebied. Zij richt zich in het bijzonder tegen artikel 4, leden 4.2.2, 4.2.5, 4.4, 4.5.2 en 4.6, van de planregels. Hiermee wordt volgens GNMF voorzien in uitbreidingen van onder meer de papierfabrieken Mayr Melnhof en [belanghebbende C] die gepaard gaan met extra grondwateronttrekkingen. Grondwateronttrekkingen leiden volgens haar tot een verdere verdroging van de bodem, met extra verzuring tot gevolg.
25. GNMF stelt dat de voorziene uitbreiding van de papierindustrie in strijd is met de Omgevingsverordening Gelderland, omdat verdere verdroging van de bodem nadelige gevolgen heeft voor de te beschermen kernkwaliteiten en de omgevingscondities van het Gelders Natuur Netwerk.
26. GNMF vreest voorts significant negatieve effecten voor de Natura 2000-gebieden Veluwe en Landgoederen Brummen als gevolg van de extra grondwateronttrekkingen die gepaard gaan met de voorziene uitbreiding van de papierindustrie.

27. In hetgeen GNMF heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 2.8, derde lid, van de Wnb is vastgesteld, voor zover het betreft artikel 4, lid 4.1, onder am, van de planregels, wat betreft de zinsnede "behoudens ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - mer-plichtig' waar de uitbreiding van een industriële installatie bestemd voor het vervaardigen van papier of karton overeenkomstig categorie C20.2 in onderdeel C van de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage, is toegestaan, met dien verstande dat de totale productiecapaciteit na uitbreiding niet meer mag bedragen dan 275.000 ton per jaar", artikel 4.5.2, onder b, van de planregels alsmede de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - mer-plichtig", "specifieke vorm van bedrijf - papier- en kartonfabriek", "specifieke vorm van bedrijf - golfkartonfabriek", "bedrijf tot en met categorie 3.1", "bedrijf tot en met categorie 3.2", "bedrijf tot en met categorie 4.1", voor zover met die aanduidingen is voorzien in papier- en kartonfabrieken die leiden tot extra grondwateronttrekkingen waarvoor ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan geen vergunning op grond van de Wnb (voorheen: Natuurbeschermingswet 1998) was verleend.
28. De beroepen van [appellanten sub 8], [appellant sub 4], [appellanten sub 6] en [appellanten sub 9] zijn mede gericht tegen het planologische regime voor de papierfabriek Mayr Melnhof aan de Coldenhovenseweg 12. [appellanten sub 8] wonen op het perceel [locatie 11] dat grenst aan de zuidkant van het terrein van Mayr Melnhof. [appellant sub 4] woont op het perceel [locatie 7] op een afstand van ongeveer 110 meter ten zuiden van het terrein van Mayr Melnhof. [appellanten sub 6] wonen op het perceel [locatie 9]-[locatie 10] op een afstand van ongeveer 10 meter ten oosten van het terrein van Mayr Melnhof. [appellanten sub 9] wonen aan de [locatie 12], eveneens op een afstand van ongeveer 10 meter ten oosten van het terrein van de papierfabriek. Zij vrezen allen een aantasting van hun woon- en leefklimaat.
29. [ appellanten sub 8], [appellant sub 4], [appellanten sub 6] en [appellanten sub 9] betogen dat voorzien is in te ruime bouwmogelijkheden. Hun belangen zijn volgens hen onvoldoende bij de besluitvorming betrokken. De omstandigheid dat voorheen voor het terrein van Mayr Melnhof geen planologisch regime gold kan de voorziene uitbreiding van de bouwmogelijkheden op het terrein van Mayr Melnhof volgens hen niet rechtvaardigen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1814, stellen zij dat de raad had moeten volstaan met het als zodanig bestemmen van de bestaande (legale) situatie. Een stedenbouwkundige onderbouwing van de voorziene uitbreidingen ontbreekt volgens [appellanten sub 8] en [appellanten sub 6].

30. [ appellanten sub 8], [appellanten sub 6], [appellant sub 4] en [appellanten sub 9] richten zich voorts tegen de bestemming "Water", voor zover daarmee de Eerbeekse beek als zodanig is bestemd. Zij betogen dat het behoud van de Eerbeekse beek met die bestemming onvoldoende is gewaarborgd in de planregels.
31. Over het betoog van [appellanten sub 6] en [appellant sub 4] dat het plan is vastgesteld in strijd met de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) in verband met de aanwezigheid van diersoorten overweegt de Afdeling het volgende. Op 1 januari 2017 is de Wnb in werking getreden en zijn de Nbw 1998 en Ffw ingetrokken. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. [appellanten sub 6] hebben geen gegevens overgelegd die een begin van bewijs leveren dat zich ter plaatse te beschermen planten- en diersoorten bevinden. De enkele stelling dat zij ter plaatse geregeld beschermde diersoorten waarnemen acht de Afdeling in dit verband onvoldoende. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Wnb niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
32. [ appellanten sub 8] en [appellanten sub 6] betogen dat ten onrechte niet voorzien is in milieuzonering op het terrein van Mayr Melnhof. Met het voorziene planologische regime voor Mayr Melnhof kunnen zware milieubelastende activiteiten zich volgens [appellanten sub 8] uitbreiden tot hun perceelsgrens.
33. [ appellanten sub 8], [appellant sub 4], [appellanten sub 6] en [appellanten sub 9] vrezen voor extra verkeeroverlast als gevolg van de voorziene uitbreiding van Mayr Melnhof. De voorziene uitbreiding genereert volgens [appellanten sub 8] een toename van 200 naar 376 vrachtwagenbewegingen. Zij stellen in de bestaande situatie al hinder te ondervinden van wachtend vrachtverkeer en zwaar vrachtwagenverkeer dat op korte afstand van hun woning langs rijdt. Een beoordeling van de verkeersveiligheid ontbreekt volgens [appellanten sub 8]. Voorts vrezen [appellanten sub 8] een nieuwe ontsluiting achter hun woning. Het verkeersonderzoek is volgens [appellanten sub 6] onvoldoende, omdat het is gebaseerd op bureauonderzoek waarbij 2012, een tijd van economische recessie, als referentiejaar is gebruikt. [appellanten sub 9] betogen dat voor zover de raad wijst op afspraken die de gemeente zou hebben gemaakt in een samenwerkingsovereenkomst met Mayr Melnhof, die afspraken door derden niet kunnen worden afgedwongen.
34. Voor zover [appellanten sub 8] betogen dat in verband met de voorziene uitbreiding van Mayr Melnhof een voorwaardelijke verplichting voor de aanleg en instandhouding van parkeer/wachtplaatsen voor vrachtverkeer op het terrein van Mayr Melnhof ontbreekt, overweegt de Afdeling ten overvloede, onder verwijzing naar artikel 30, lid 30.3, van de planregels dat dit betoog feitelijke grondslag mist. Op grond van artikel 30, lid 30.3, mogen gronden slechts worden bebouwd of gebruikt onder de voorwaarde dat op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden alsmede voor het laden en lossen van goederen voldoende voorzieningen worden getroffen op eigen terrein.
35. [ appellanten sub 6], [appellanten sub 8] en [appellanten sub 9] vrezen een aantasting van hun woon- en leefklimaat als gevolg van de voorziene uitbreiding van Mayr Melnhof door geluidhinder en trillingen. Dat de hinder binnen de normen blijft, maakt volgens [appellanten sub 9] en [appellanten sub 8] niet dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegeven is. Voor zover uit akoestisch onderzoek zou volgen dat het maximale binnenniveau 38 dB bedraagt, is volgens [appellanten sub 8] niet duidelijk waarom dit als een aanvaardbaar binnenniveau kan worden aangemerkt, omdat wettelijke normen op dit punt volgens hen ontbreken.
36. Gelet op hetgeen onder 29.3, 32.2 en 33.4 is overwogen ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 8], [appellanten sub 6], [appellanten sub 9] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" voor het terrein van Mayr Melnhof aan de Coldenhovenseweg, in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb is vastgesteld.
37. Om onomkeerbare gevolgen te voorkomen ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat voor het terrein van Mayr Melnhof het voorbereidingsbesluit, zoals dat is vastgesteld door de raad bij besluit van 26 oktober 2017, kenmerk BR17.0060, weer in werking treedt en te bepalen dat deze voorlopige voorziening vervalt op het moment dat de raad een nieuw bestemmingsplan heeft vastgesteld voor het terrein van Mayr Melnhof en dit besluit in werking is getreden.
38. [ appellanten sub 6] hebben ter zitting toegelicht dat ondanks dat zij in hun beroepschrift betogen dat de raad ten aanzien van het terrein van [belanghebbende C] aansluiting had moeten zoeken bij de bedrijven- en milieuzonering op basis van de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering 2009", hun beroep geen betrekking heeft op het terrein van [belanghebbende C]. De Afdeling beschouwt deze beroepsgrond dan ook als ingetrokken.
39. [ appellant sub 10] woont aan de [locatie 13], direct ten zuiden van het terrein van de papierfabriek van Mayr Melnhof, nabij de Coldenhovenseweg. Hij kan zich niet verenigen met de juridisch-planologisch voorziene uitbreiding van de papierfabriek Mayr Melnhof.
40. [ appellant sub 10] heeft ter zitting de beroepsgrond dat zijn zienswijze ten onrechte niet is beantwoord in de nota van zienswijzen, ingetrokken.
41. De Afdeling begrijpt het beroep van [appellant sub 10], mede naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken, zo dat zijn gemachtigde ten onrechte niet op de hoogte is gebracht van de vaststelling van het bestemmingsplan. Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.
42. [ appellant sub 10] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van zijn zienswijze van 9 augustus 2017. Gedurende de zienswijzentermijn heeft [appellant sub 10] drie verschillende zienswijzen naar voren gebracht bij de raad, waarvan twee zienswijzen door [appellant sub 10] zelfstandig zijn ingediend en die van 9 augustus 2017 door zijn gemachtigde. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen, in het bijzonder onder nr. 56 van de nota van zienswijzen. Artikel 3:46 Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is afgegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. [appellant sub 10] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Evenmin is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet elders in de nota van zienswijzen of de overwegingen van het besluit zijn betrokken.
43. Het beroep van [appellant sub 10] is ongegrond.
44. Ten overvloede overweegt de Afdeling dat de raad voor het eerst ter zitting heeft gewezen op zijn besluit van 20 december 2018 waarbij hij het bestemmingsplan "Verleggen gastransportleiding N-559-05" heeft vastgesteld. Uit de plantoelichting bij dat bestemmingsplan volgt dat N.V. Nederlandse Gasunie voornemens is om de gastransportleiding N-559-05 die gedeeltelijk onder de Coldenhovenseweg/Loubergweg ligt, te verleggen. De bestaande leiding is blijkens de toelichting van dat plan van onvoldoende kwaliteit en het is niet mogelijk om de bestaande gastransportleiding op dezelfde plek te vervangen. Gelet op artikel 5 van de planregels van het nieuwe bestemmingsplan is voor het perceel van [appellant sub 10] de (dubbel)bestemming "Leiding - Gas" uit het voorliggende bestemmingsplan voor zijn gronden vervangen door de aanduiding "overige zone - leiding gas uitgesloten". [appellant sub 10] heeft toegelicht zich te kunnen verenigen met dit nieuwe bestemmingsplan.
45. [ appellanten sub 8] wonen aan de [locatie 11] direct ten zuiden van de papierfabriek Mayr Melnhof. Het beroep van [appellanten sub 8] is voorts gericht tegen het plandeel voor hun eigen perceel. Zij betogen dat hun bouwmogelijkheden ten onrechte zijn beperkt. Zo is de maximale bouwhoogte op hun perceel 10 meter, terwijl op het terrein van Mayr Melnhof bouwhoogtes van 12 meter en 15 meter zijn toegestaan.
46. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellanten sub 8] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.
47. In hetgeen [appellanten sub 8] voor het overige hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening of voor het oordeel dat het besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
48. Gezien hetgeen onder 36 is overwogen is het beroep van [appellanten sub 8] gegrond, zodat het bestreden besluit, wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" voor het terrein van Mayr Melnhof aan de Coldenhovenseweg, dient te worden vernietigd.
49. Voor zover [appellant sub 4] heeft aangevoerd dat hij niet is uitgenodigd voor een informatieavond over de bouwmogelijkheden van de papierfabriek Mayr Melnhof en dat hij derhalve niet in de gelegenheid is gesteld om in te spreken op dit punt, heeft hij ter zitting toegelicht dat dit geen beroepsgrond betreft.
50. In hetgeen [appellant sub 4] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening of voor het oordeel dat het besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
51. Gezien hetgeen onder 36 is overwogen is het beroep van [appellant sub 4] gegrond, zodat het bestreden besluit, wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" voor het terrein van Mayr Melnhof aan de Coldenhovenseweg, dient te worden vernietigd.
52. [ appellanten sub 6] voeren verder nog aan dat twee raadsleden van beraadslaging en één raadslid van stemming zijn uitgesloten. Het betreft de raadsleden J. Alberts, M. Wartena en M. Douma. Ondanks dat dit nadien (in een laat stadium) is gecorrigeerd, heeft dit volgens hen de procedure beïnvloed.
53. Het beroep van [appellanten sub 6] is voorts gericht tegen het plandeel "Gemengd" wat betreft hun percelen [locatie 9]-[locatie 10]. Zij betogen dat de gebruiksmogelijkheden van hun percelen ten onrechte zijn beperkt, hetgeen het voor hen lastig maakt om te schakelen naar een andere bedrijfsvoering. Voorts betogen zij dat zij een bedrijf exploiteren met milieucategorie 4.1, terwijl op hun percelen alleen activiteiten met milieucategorie 3.1 zijn toegestaan.

54. [ appellanten sub 6] betogen dat de nieuwe geluidzone in strijd met artikel 41, tweede lid, van de Wgh is vastgesteld. Hiertoe voeren zij aan dat door de aanpassing van de zone hun uitbreidings- en groeimogelijkheden worden beperkt.
55. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de percelen van [appellanten sub 6] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.
56. In hetgeen [appellanten sub 6] voor het overige hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening of voor het oordeel dat het besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
57. Gezien hetgeen onder 22, 36, 53.3.2 en 53.3.3 is overwogen is het beroep van [appellanten sub 6] gegrond, zodat het bestreden besluit, wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" voor het zogenoemde Burgersterrein, het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" voor het terrein van Mayr Melnhof aan de Coldenhovenseweg en het plandeel met de bestemming "Gemengd" voor de percelen [locatie 9]-[locatie 10], wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.
58. [ appellanten sub 9] wonen aan de [locatie 12] ten oosten van de papierfabriek Mayr Melnhof. Hun beroep is voorts gericht tegen het plandeel voor hun eigen perceel. Zij betogen dat hun bouwmogelijkheden ten onrechte zijn beperkt.
59. In hetgeen [appellanten sub 9] voor het overige hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening of voor het oordeel dat het besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
60. Gezien hetgeen onder 36 is overwogen is het beroep van [appellanten sub 9] gegrond, zodat het bestreden besluit, wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" voor het terrein van Mayr Melnhof aan de Coldenhovenseweg, dient te worden vernietigd.
61. Het beroep van [appellant sub 5] is voorts gericht tegen het plandeel voor zijn perceel [locatie 8]. [appellant sub 5] betoogt dat aan zijn woning ten onrechte de aanduiding "overige zone - wonen op bedrijventerrein" is toegekend. Volgens hem is niet onderbouwd waarom zijn woning moet worden aangemerkt als een woning op een bedrijventerrein.
62. [ appellant sub 5] heeft in het beroepschrift voorts verwezen naar de inhoud van zijn zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. Voor zover [appellant sub 5] de beantwoording van zijn zienswijze inhoudelijk heeft bestreden in zijn beroep, is dit in deze uitspraak aan de orde gekomen. Voor het overige heeft [appellant sub 5] in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.
63. In hetgeen [appellant sub 5] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening of voor het oordeel dat het besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
64. Gezien hetgeen onder 22 en 61.2 is overwogen is het beroep van [appellant sub 5] gegrond, zodat het bestreden besluit, wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" voor het zogenoemde Burgersterrein, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 en, wat betreft het planonderdeel met de aanduiding "overige zone - wonen op bedrijventerrein" voor het perceel [locatie 4], wegens strijd met artikel 2.17, eerste en derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer dient te worden vernietigd.
65. [ appellant sub 11] is eigenaar van de woning aan de [locatie 14]. [appellant sub 12] is eigenaar van de woning aan de [locatie 15].
66. [ appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20] en [appellant sub 21] betogen dat de raad met het aannemen van amendement 8 het plan ten onrechte gewijzigd heeft vastgesteld door aan de desbetreffende percelen geen woonbestemming meer toe te kennen, maar de bestemming "Recreatie" met de functieaanduiding "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht 1". Volgens hen zijn de woningen (bouwkundig) geschikt voor permanente bewoning en worden de meeste woningen ook al vele jaren permanent bewoond. Zij wijzen erop dat aan het wijzigen van de bestemming geen enkele motivering ten grondslag ligt en dat zij voorafgaand aan de vaststelling van het plan nooit zijn geïnformeerd over het amendement. Tevens wijzen zij erop dat aan tientallen voormalige bedrijfswoningen op het bedrijventerrein Eerbeek-Zuid wel een woonbestemming is toegekend, zodat het toekennen van de recreatiebestemming aan hun percelen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.
67. In hetgeen [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20] en [appellant sub 21] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Recreatie" met de functieaanduiding "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht 1" voor de percelen [locatie 16] tot en met [locatie 25], in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld.
68. Het beroep van [appellante sub 22] en anderen is ingediend namens [appellante sub 22] en [bedrijf C], beide gevestigd aan de [locatie 26] te Eerbeek, [bedrijf D], gevestigd aan de [locatie 27] te Eerbeek, en [bedrijf E] en [bedrijf F], beide gevestigd aan de [locatie 28] te Eerbeek. [appellante sub 22] exploiteert ter plaatse een bedrijf in papier- en plasticrecycling. [bedrijf F]. exploiteert ter plaatse een bedrijf dat verpakkingen van vouwkarton, vouwkunstof of een combinatie hiervan produceert. Hun beroep is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd" voor het perceel [locatie 29], voor zover aan de woning op dit perceel de functieaanduiding "wonen" is toegekend, en tegen het toekennen van de bestemming "Wonen" aan een deel van de gronden, kadastraal bekend als gemeente Hall, sectie E, nummer 6911 (hierna: het perceel 6911).
69. Het beroep van [appellante sub 22] en anderen is onder meer gericht tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd" met de functieaanduiding "wonen" voor het perceel [locatie 29]. Het beroep van [appellante sub 22] en anderen, voor zover ingediend door [bedrijf E] en [bedrijf F], steunt in zoverre echter niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.
70. [ appellante sub 22] en anderen voeren aan dat aan de woning aan de [locatie 29] ten onrechte de functieaanduiding "wonen" is toegekend in plaats van de functieaanduiding "bedrijfswoning". Volgens hen is sprake van een bedrijfswoning en is dit ook onderkend in de door het college bij besluit van 16 april 2018 vastgestelde maatwerkvoorschriften.
71. [ appellante sub 22] en anderen voeren verder aan dat aan een deel van het perceel 6911 ten onrechte de bestemming "Wonen" is toegekend. Zij wijzen erop dat aan het overgrote deel van het perceel 6911 de bestemming "Bedrijventerrein" is toegekend, zodat onduidelijk is waarom aan een klein deel van dit perceel de bestemming "Wonen" is toegekend. De woonbestemming heeft volgens hen ook tot gevolg dat dit deel van het perceel 6911 niet meer gebruikt kan worden voor uitbreiding van hun bedrijfsactiviteiten.
72. De raad heeft verder aan de Afdeling verzocht om een gebrek in de planregeling ten behoeve van een nog op te richten geluidscherm tussen het bedrijfsterrein van [appellante sub 22] en het perceel [locatie 30] te herstellen. Nu het beroep van [appellante sub 22] en anderen echter niet is gericht tegen de planregeling ten behoeve van dit geluidscherm, dient het verzoek van de raad te worden afgewezen.
73. In hetgeen [appellante sub 22] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Gemengd" met de functieaanduiding "wonen" voor het perceel [locatie 29] en het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel 6911, in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld.
74. Romvan B.V. heeft in haar beroepschrift gesteld dat zij rechtsopvolger onder bijzondere titel is van [bedrijf E] en [bedrijf F], beide gevestigd aan de [locatie 28] te Eerbeek, nu zij na de terinzagelegging van het ontwerpplan bestuurder en enig aandeelhouder is geworden van [bedrijf E]
75. Het beroep van Romvan B.V. is niet-ontvankelijk.
76. [ appellant sub 24] woont aan de [locatie 31] te Eerbeek. Haar beroep is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd" met de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodatie" voor het naastgelegen perceel [locatie 32], welk perceel in eigendom is van [belanghebbende D] en [belanghebbende E]. Op het perceel [locatie 32] exploiteert [belanghebbende F], h.o.d.n. [bedrijf G], een groepsaccommodatie voor maximaal 18 personen met een bed & breakfast. [appellant sub 24] vreest dat het mogelijk maken van een groepsaccommodatie en bed & breakfast ter plaatse leidt tot een aantasting van haar woon- en leefklimaat.
77. [ appellant sub 24] voert aan dat het mogelijk maken van een groepsaccommodatie en bed & breakfast op het perceel [locatie 32] op zeer korte afstand van haar woning leidt tot een aantasting van haar woon- en leefklimaat. Zij vreest voor ernstige geluidhinder, ook indien wordt voldaan aan de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder verwijzing naar de in opdracht van haar opgestelde notitie van Tauw van 12 april 2018 "Beoordeling geluidonderzoek [locatie 32] Eerbeek, kenmerk 16011, d.d. 7 december 2017" betoogt [appellant sub 24] dat er verschillende gebreken kleven aan het door Adviesburo Van der Boom B.V. opgestelde rapport "Akoestisch onderzoek groepsaccommodatie Octavo te Eerbeek" van 5 oktober 2017 (hierna: het akoestisch onderzoek van 5 oktober 2017), welk rapport als bijlage 19 bij de plantoelichting is gevoegd. Zo is volgens haar geen rekening gehouden met het rijden van personenauto’s in de nachtperiode, wordt er ten onrechte van uitgegaan dat een binnenniveau van 80 dB(A) een ‘worst case-scenario’ is en dat deuren en ramen gesloten zullen blijven, is er geen inzicht geboden in de werkelijke gevelisolatie en is onduidelijk of de positionering van de geluidbronnen juist is. [appellant sub 24] betoogt verder dat de beoordeling van het aspect geluid door de raad ten onrechte is beperkt tot de vraag of aan de geluidgrenswaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer kan worden voldaan, terwijl in het kader van het bestemmingsplan een ruimere beoordeling dient plaats te vinden. Ten slotte voert zij aan dat de voorschriften die aan de verleende omgevingsvergunning zijn verbonden en vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk worden geacht, niet in het plan zijn geborgd.
- er komen/gaan hooguit 25 personenauto’s op het terrein. Verondersteld is dat deze tussen 07:00 en 19:00 uur het terrein oprijden en in de avond tussen 19:00 en 23:00 uur het terrein weer verlaten;
- er kunnen gesprekken worden gevoerd op de drie terrassen met in totaal hooguit 44 personen;
- er kan binnen muziek worden gedraaid; uitgegaan is van een ‘worst case’ gemiddeld binnenniveau van 80 dB(A) (niveau café), gesloten ramen en deuren en een geluidwering van ongeveer 27 dB(A), overeenkomend met dubbel glas en goede kierdichting glas.
2. Op de terrassen mogen alleen aantallen bezoekers aanwezig zijn, zoals aangegeven op de hierboven genoemde situatietekening (BESLUIT-2015-3225-situatietekening);
3. Het gebruik van de drie terrassen is tussen 23:00 uur en 7:00 uur (nachtperiode) niet toegestaan;
4. Er mogen geen speeltoestellen in de buitenruimte worden geplaatst dan wel aanwezig zijn, zoals trampolines etc.;
5. Binnen is het gebruik van een muziekinstallatie toegestaan, tot een binnen(geluids)niveau van maximaal 80 dB(A) - niveau café -, mits alle ramen en deuren zijn gesloten en wordt gezorgd voor een geluidwering van minimaal 27 dB(A), overeenkomend met dubbel glas en een goede kierdichting;
6. In afwijking van het gestelde onder 5. is het gebruik van een muziekinstallatie tussen 23:00 uur en 7:00 uur (nachtperiode) niet toegestaan;
7. Buiten is het gebruik van een muziekinstallatie niet toegestaan;
8. Het gebruik van de overnachtingsmogelijkheid van de groepsaccommodatie is toegestaan tot maximaal 18 personen, verdeeld over zes gastenkamers."
78. In hetgeen [appellant sub 24] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Gemengd" met de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodatie" voor het perceel [locatie 32], in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld.
79. [ appellante sub 25], h.o.d.n. [bedrijf A], exploiteert aan de [locatie 33] en [locatie 34] te Eerbeek een aannemersbedrijf. Deze gronden zijn in eigendom van [bedrijf H]. Het beroep van [appellante sub 25] en anderen is gericht tegen de planregeling voor de percelen [locatie 33], [locatie 34] en [locatie 35]. Volgens hen is aan deze percelen ten onrechte geen detailhandelsbestemming toegekend. Zij wensen onder meer de gronden te verkopen aan een ontwikkelaar, die er ter plaatse een discountsupermarkt wil realiseren.
80. Het beroep van [appellante sub 25] en anderen, voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd" voor het perceel [locatie 35], steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.
81. Bij brief van 17 april 2019 hebben [appellante sub 25] en anderen een beroepsgrond aangevoerd over strijd met de Dienstenrichtlijn. Deze beroepsgrond hebben zij niet in hun beroepschrift naar voren gebracht. Ingevolge artikel 1.6a van de Chw dient deze beroepsgrond derhalve buiten beschouwing te worden gelaten.
82. [ appellante sub 25] en anderen voeren aan dat het plan ertoe leidt dat een deel van de bestaande bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 25] op de percelen [locatie 33] en [locatie 34], zijnde de verkoop van bouwmaterialen, niet meer is toegestaan. Deze activiteiten zijn volgens hen echter onlosmakelijk verbonden met het ter plaatse gevestigde aannemersbedrijf. Zij wijzen erop dat het ingediende amendement 6 is ingetrokken, terwijl dit amendement er juist op zag dat de bestaande activiteiten als zodanig zouden worden bestemd. Voorts voeren zij aan dat het plan ten onrechte niet voorziet in een verruiming van de detailhandelsactiviteiten op de percelen [locatie 33] en [locatie 34], terwijl er plannen zijn om ter plaatse een discountsupermarkt te realiseren en deze plannen ook bij de raad bekend zijn.
83. Het beroep van [appellante sub 25] en anderen, voor zover ontvankelijk, is ongegrond.
84. [ appellant sub 1] en anderen zijn eigenaar van de percelen [locatie 4] en [locatie 5], welke percelen deel uitmaken van één kadastraal perceel bekend als gemeente Hall, sectie E, nummer 6524, en van de gronden ten noorden hiervan kadastraal bekend als gemeente Hall, sectie E, nummer 3537 (hierna: het perceel 3537). [appellant sub 1] exploiteert op het perceel [locatie 4] een autohandel en woont aan de [locatie 5]. Hun beroep is onder meer gericht tegen de planregeling voor hun gronden en tegen de planregeling voor het perceel [locatie 36] waar [belanghebbende] [bedrijf I] een transportbedrijf exploiteert.
85. Ter zitting hebben [appellant sub 1] en anderen de beroepsgrond die ziet op het niet als zodanig bestemmen van de bestaande bedrijfsactiviteiten op het perceel [locatie 4], ingetrokken.
86. [ appellant sub 1] en anderen betogen dat in het bestaande gebouw op het perceel [locatie 4] ten onrechte geen bewoning en horeca activiteiten zijn toegestaan, terwijl deze functies al tientallen jaren aanwezig zijn. Verder voeren zij aan dat de woning op het perceel [locatie 5] ten onrechte is bestemd als bedrijfswoning, terwijl op dit perceel nooit een bedrijf was gevestigd en de woning sinds 1947 in gebruik is geweest als burgerwoning.
87. Verder voeren [appellant sub 1] en anderen aan dat aan het perceel [locatie 5] ten onrechte de bestemming "Gemengd" is toegekend, terwijl dit perceel volgens hen geen deel uitmaakt van het nabijgelegen bedrijventerrein Eerbeek-Zuid waaraan eveneens de bestemming "Gemengd" is toegekend. Volgens hen had onderscheid gemaakt dienen te worden tussen de verschillende gebieden. Zij vrezen hierdoor voor extra geluidhinder ter plaatse van de woning aan de [locatie 5].
88. Verder betogen [appellant sub 1] en anderen dat aan het perceel 3537 ten onrechte de bestemming "Tuin" is toegekend in plaats van een woonbestemming. Zij wijzen erop dat op grond van het vorige bestemmingsplan de bouw van een woning wel was toegestaan op dit perceel. Verder voeren zij aan dat het perceel 3537 niet in gebruik is als tuin, zodat de bestemming "Tuin" ook om die reden niet passend is.
89. [ appellant sub 1] en anderen betogen dat aan het perceel [locatie 36] ten onrechte de functieaanduiding "transportbedrijf" is toegekend waardoor ter plaatse een goederenwegvervoerbedrijf met milieucategorie 3.2 is toegestaan. Volgens hen worden daardoor de bestaande, illegale bedrijfsactiviteiten ten onrechte als zodanig bestemd. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat vanwege de aanwezigheid van de naastgelegen woning aan de [locatie 5] bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 3.2 ter plaatse niet wenselijk zijn. Verder betogen zij dat voor het perceel [locatie 36] ten onrechte een maximum bouwhoogte van 10 m is opgenomen.
90. [ appellant sub 1] en anderen betogen ten slotte dat ter plaatse van de functieaanduidingen "specifieke vorm van gemengd - 1" en "specifieke vorm van gemengd - 2" ten onrechte bedrijfsactiviteiten in categorie C, zoals het vervaardigen van textiel, zijn toegestaan.
91. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Tuin" voor het perceel 3537, in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld.
92. [ appellant sub 2] is eigenaar van en woonachtig op het perceel [locatie 3] te Eerbeek. [appellant sub 2] wenst op de gronden [locatie 2] en [locatie 1], welke gronden deel uitmaken van het perceel [locatie 3], twee woningen te bouwen. Het beroep van [appellant sub 2] is gericht tegen de aan zijn gronden toegekende gebiedsaanduidingen "geluidzone - industrie" en "milieuzone - geurzone 2". Hij vreest dat hierdoor de bouw van twee woningen op de gronden [locatie 2] en [locatie 1] niet meer is toegestaan.
93. [ appellant sub 2] betoogt dat onduidelijk is of het plan voorziet in de bouw van twee woningen op de gronden [locatie 2] en [locatie 1], nu aan deze gronden de gebiedsaanduiding "geluidzone - industrie" is toegekend en geen onderliggende bestemmingen. Verder voert [appellant sub 2] aan dat onduidelijk is of de op grond van het voorheen geldende planologische regime vastgestelde geluidzone is komen te vervallen met de vaststelling van het voorliggende plan.
94. [ appellant sub 2] voert aan dat onduidelijk is of het toekennen van de gebiedsaanduiding "geluidzone - industrie" aan de gronden aan de [locatie 1] en [locatie 2] aan de bouw van woningen ter plaatse in de weg staat.
95. [ appellant sub 2] betoogt verder dat ook het toekennen van de gebiedsaanduiding "milieuzone - geurzone 2" aan de gronden aan de [locatie 2] en de [locatie 1] aan de bouw van woningen ter plaatse in de weg lijkt te staan. Allereerst voert [appellant sub 2] aan dat onduidelijk is of bij de bouw van de twee woningen wel sprake is van nieuwe geurgevoelige objecten, nu voor deze woningen omgevingsvergunningen zijn verleend. Verder voert hij aan dat in de plantoelichting staat dat bij een te bouwen woning kan worden afgezien van compenserende maatregelen indien de geurbelasting per saldo afneemt, maar dat dit uitgangspunt niet in artikel 31, lid 31.4.3, van de planregels is opgenomen. Volgens hem had ook in het kader van de vaststelling van het plan moeten worden onderzocht op welke plekken de geurbelasting afneemt, zodat de onderzoeksplicht niet bij de grondeigenaar wordt gelegd.
96. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft artikel 31, lid 31.1, van de planregels - voor zover dat artikel betrekking heeft op het perceel [locatie 3] -, in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is vastgesteld.
97. Om onomkeerbare gevolgen te voorkomen ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat voor het gehele perceel [locatie 3] artikel 31, lid 31.1, van de planregels blijft gelden en eveneens de bestemmingen en planregels uit het bestemmingsplan "Partiële hervaststelling bestemmingsplan Wilhelminapark - Palisiumpark" van 27 juni 2013, met uitzondering van de daarin toegekende gebiedsaanduiding "geluidzone - industrie".
98. Verschillende appellanten en de raad hebben de Afdeling verzocht zelf in de zaak te voorzien.
99. Gezien de hoeveelheid gebreken in het bestreden besluit, die de raad bovendien zelf heeft onderkend, en de verdere omvang en reikwijdte van het bestreden besluit, ziet de Afdeling in dit geval geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien.
a. [appellant sub 3];
b. [appellant sub 4], voor zover dat is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" voor het zogenoemde Burgersterrein en tegen het plandeel met de bestemming "Water";
c. Romvan B.V. en [appellante sub 23A];
d. [appellante sub 22] en anderen, voor zover dat is ingediend door [bedrijf E] en [bedrijf F] en voor zover dat is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd" en de functieaanduiding "wonen" voor het perceel [locatie 29];
e. [appellante sub 25] en anderen, voor zover dat is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd" voor het perceel [locatie 35];
a. [appellant sub 4], voor zover ontvankelijk;b. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B];c. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B];d. Gelderse Natuur en Milieufederatie;e. [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B];f. [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B];g. [appellant sub 11A] en [appellant sub 11B];h. [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B];i. [appellant sub 13A] en [appellant sub 13B];j. [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B];k. [appellant sub 15];l. [appellant sub 16A] en [appellant sub 16B];m. [appellant sub 17A] en [appellant sub 17B];n. [appellant sub 18];o. [appellant sub 19A] en [appellant sub 19B];p. [appellant sub 20A] en [appellant sub 20B];q. [appellant sub 21];r. [appellante sub 22] en anderen, voor zover ontvankelijk;s. [appellant sub 24A] en [appellant sub 24B];t. [appellant sub 1] en anderen;u. [appellant sub 2];
a. het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" voor het zogenoemde Burgersterrein;
b. het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" voor het terrein van Mayr Melnhof aan de Coldenhovenseweg;
c. de aanduiding "overige zone - wonen op bedrijventerrein" voor het perceel [locatie 8];
d. artikel 4, lid 4.1, onder am, van de planregels, wat betreft de zinsnede "behoudens ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - mer-plichtig' alwaar de uitbreiding van een industriële installatie bestemd voor het vervaardigen van papier of karton overeenkomstig categorie C20.2 in onderdeel C van de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage, is toegestaan, met dien verstande dat de totale productiecapaciteit na uitbreiding niet meer mag bedragen dan 275.000 ton per jaar";
e. artikel 4.5.2, onder b, van de planregels;
f. voor zover met onderstaande aanduidingen is voorzien in
- " specifieke vorm van bedrijf - mer-plichtig";- " specifieke vorm van bedrijf - papier- en kartonfabriek";- " specifieke vorm van bedrijf - golfkartonfabriek";- " bedrijf tot en met categorie 3.1";- " bedrijf tot en met categorie 3.2";- " bedrijf tot en met categorie 4.1";
g. het plandeel met de bestemming "Gemengd" voor de percelen [locatie 9]-[locatie 10];
h. de plandelen met de bestemming "Recreatie met de functieaanduiding "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht 1" voor de percelen [locatie 16] tot en met 38;
i. het plandeel met de bestemming "Gemengd" met de functieaanduiding "wonen" voor het perceel [locatie 29];
j. het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel 6911;
k. het plandeel met de bestemming "Gemengd" met de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodatie" voor het perceel [locatie 32];
l. het plandeel met de bestemming "Tuin" voor het perceel 3537;
m. artikel 31, lid 31.1, van de planregels, voor zover dit artikel betrekking heeft op het perceel [locatie 3];
a. [appellante sub 25], h.o.d.n. [bedrijf A], en anderen, voor zover ontvankelijk;
b. [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B];
a. voor het Burgersterrein het voorbereidingsbesluit, zoals dat is vastgesteld door de raad bij besluit van 26 oktober 2017, kenmerk BR17.0060, in werking treedt;
b. voor het terrein van Mayr Melnhof het voorbereidingsbesluit, zoals dat is vastgesteld door de raad bij besluit van 26 oktober 2017, kenmerk BR17.0060, weer in werking treedt;
c. voor het perceel [locatie 3] het planonderdeel genoemd onder V., onder f, blijft gelden en eveneens de bestemmingen en planregels uit het bestemmingsplan "Partiële hervaststelling bestemmingsplan Wilhelminapark - Palisiumpark" van 27 juni 2013, met uitzondering van de daarin toegekende gebiedsaanduiding "geluidzone - industrie";
- [ appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] tot een bedrag van € 1.280,00 (zegge: twaalfhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- [ appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] tot een bedrag van € 504,00 (zegge: vijfhonderdvier euro), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- [ appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] tot een bedrag van € 232,28 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro en achtentwintig cent), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- [ appellant sub 11A] en [appellant sub 11B] tot een bedrag van € 48,90 (zegge: achtenveertig euro en negentig cent), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- [ appellant sub 12A] en [appellant sub 12B] tot een bedrag van € 48,90 (zegge: achtenveertig euro en negentig cent), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- [ appellant sub 19A] en [appellant sub 19B] tot een bedrag van € 48,90 (zegge: achtenveertig euro en negentig cent), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- [ appellant sub 20A] en [appellant sub 20B] tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende bijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- [ appellante sub 22] en anderen tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- [ appellant sub 24A] en [appellant sub 24B] tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- [ appellant sub 2] tot een bedrag van € 1.280,00 (zegge: twaalfhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- € 170,00 ( zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 4];
- € 170,00 ( zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- € 170,00 ( zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- € 338,00 ( zegge driehonderdachtendertig euro) voor de Gelderse Natuur en Milieufederatie;
- € 170,00 ( zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- € 170,00 ( zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- € 170,00 ( zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 11A] en [appellant sub 11B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- € 170,00 ( zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- € 170,00 ( zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 13A] en [appellant sub 13B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- € 170,00 ( zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- € 170,00 ( zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 15], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- € 170,00 ( zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 16A] en [appellant sub 16B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- € 170,00 ( zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 17A] en [appellant sub 17B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- € 170,00 ( zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 18], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- € 170,00 ( zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 19A] en [appellant sub 19B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- € 170,00 ( zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 20A] en [appellant sub 20B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- € 170,00 ( zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 21];
- € 338,00 ( zegge: driehonderdachtendertig euro) voor [appellante sub 22] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- € 170,00 ( zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 24A] en [appellant sub 24B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- € 170,00 ( zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- € 170,00 ( zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 2].
a. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' bedrijfsactiviteiten behorend bij milieucategorie 1 en 2 van de in bijlage 2 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten;
b. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' bedrijfsactiviteiten behorend bij milieucategorie 1 tot en met 3.1 van de in bijlage 2 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten;
c. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2' bedrijfsactiviteiten behorend bij milieucategorie 1 tot en met 3.2 van de in bijlage 2 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten;
d. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.1' bedrijfsactiviteiten behorend bij milieucategorie 1 tot en met 4.1 van de in bijlage 2 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten;
h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - papier- en kartonfabriek' uitsluitend voor een papier- en/of kartonfabriek, SBI-2008 1712-3 als genoemd in de in bijlage 2 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten;
i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - golfkartonfabriek' uitsluitend voor een golfkartonfabriek, SBI-2008 17212-2 als genoemd in de in bijlage 2 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten;
j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - papier- en kartonfabriek opslag' uitsluitend voor opslag ten behoeve van een papier- en/of kartonfabriek, SBI-2008 1712-3 als genoemd in de in bijlage 2 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten met inachtneming van het bepaalde in artikel 4.5.4;
k. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - logistiek centrum' uitsluitend voor een logistiek centrum met een goederenwegvervoerbedrijf (zonder schoonmaken tanks), SBI-2008 494-0 als genoemd in de in bijlage 2 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten en bedrijfsactiviteiten ten behoeve van log