Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3071

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-09-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 06-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3071, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201906330/2/V2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:3071:DOC

201906330/2/V2.Datum uitspraak: 6 september 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:[de vreemdeling],verzoeker,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 augustus 2019 in zaak nr. NL19.16740 in het geding tussen:de vreemdelingende staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.ProcesverloopBij besluit van 18 juli 2019 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.Bij uitspraak van 14 augustus 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D.W.M. van Erp, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.Overwegingen1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.2.    Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).3.    De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.BeslissingDe voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier.w.g. Borman    w.g. Bosmavoorzieningenrechter    griffierUitgesproken in het openbaar op 6 september 2019572-894.