Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:3069

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-09-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 06-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:3069, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201801522/1/V3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:3069:DOC

201801522/1/V3.Datum uitspraak: 6 september 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:[de vreemdeling],appellant,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 januari 2018 in zaak nr. 17/9855 in het geding tussen:de vreemdelingende staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.ProcesverloopBij besluiten van 21 december 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), waaruit een duurzaam verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen en vastgesteld dat zijn verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan is geëindigd.Bij besluit van 11 april 2017 heeft de staatssecretaris de daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 24 januari 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F. Kiliç-Arslan, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.Vervolgens is het onderzoek gesloten.OverwegingenTweede deel grief 11.    De rechtbank heeft overwogen dat de vreemdeling, die de Turkse nationaliteit heeft, niet heeft betwist dat zijn Bulgaarse partner zich op 5 november 2014 heeft uitgeschreven uit de Basisregistratie personen en dat de relatie op dat moment over was. De in het tweede deel van grief 1 geuite klacht dat de rechtbank daarbij heeft miskend dat vaststaat dat hij onafgebroken een relatie heeft met zijn verblijfsgever heeft hij niet gemotiveerd.1.1.    Het tweede deel van grief 1 faalt.Eerste deel grief 1 en grief 22.    De in het eerste deel van grief 1 en in grief 2 opgeworpen rechtsvraag gaat over de vraag of de vreemdeling die familielid is van een burger van de Unie, voor zover hij niet kan worden aangemerkt als werknemer of zelfstandige als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000), geacht kan worden over voldoende middelen van bestaan te hebben beschikt als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, indien hij geen beroep heeft gedaan op het socialebijstandsstelsel. De Afdeling heeft deze vraag bij uitspraken van 25 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2502, ECLI:NL:RVS:2019:2503 en ECLI:NL:RVS:2019:2504, beantwoord. De overwegingen in die uitspraken zijn ook in deze zaak van toepassing.2.1.    Die overwegingen leiden ertoe dat - anders dan de rechtbank heeft overwogen - de staatssecretaris onvoldoende heeft onderzocht of de vreemdeling rechtmatig verblijf had als werknemer of zelfstandige, of als economisch inactieve, als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a en b, en artikel 8.15, vijfde lid, van het Vb 2000 en of hij duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen als bedoeld in artikel 8.17 van het Vb 2000. De staatssecretaris heeft namelijk de omstandigheid dat de vreemdeling geen beroep heeft gedaan op het socialebijstandsstelsel, niet bij zijn beoordeling betrokken. De staatssecretaris heeft alleen al daarom niet deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling niet heeft aangetoond dat hij over voldoende middelen van bestaan heeft beschikt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de vreemdeling stukken heeft overgelegd van het arbeidsverleden van zijn partner en van hemzelf.2.2.    Deze redenen leiden tot de slotsom dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf meer heeft vanaf 5 november 2014 en geen aanspraak heeft op het duurzaam verblijfsrecht.2.3.    Het eerste deel van grief 1 en grief 2 slagen.Grief 33.    De in grief 3 opgeworpen rechtsvraag of de opbouw van rechten ingevolge artikel 6, eerste lid, van Besluit nr. 1/80 eerst wordt doorbroken op het moment waarop de staatssecretaris vaststelt dat het verblijfsrecht van de desbetreffende vreemdeling is geëindigd, heeft de Afdeling bij uitspraak van 5 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2936, beantwoord. De vraag of deze overwegingen in deze zaak van toepassing zijn, kan de Afdeling nu niet beantwoorden. In deze zaak is immers nog niet vast komen te staan of en, zo ja, wanneer het verblijfsrecht van de vreemdeling is geëindigd. Aan behandeling van de grief komt de Afdeling daarom niet toe.Grief 44.    De staatssecretaris mag slechts krachtens artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Dat is in dit geval niet zo, gelet op wat hiervoor is overwogen.4.1.    Grief 4 slaagt.Conclusie5.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. De Afdeling zal het beroep tegen het besluit van 11 april 2017 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit wordt wegens strijd met de artikelen 3:2, 7:3, aanhef en onder b, en 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.6.    De staatssecretaris moet met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar nemen. Daarbij zal de staatssecretaris, gelet op wat onder 2 en 2.1. is overwogen, de omstandigheid dat de vreemdeling geen beroep heeft gedaan op het socialebijstandsstelsel alsnog bij zijn beoordeling moeten betrekken en hij zal de vreemdeling in de gelegenheid moeten stellen om met stukken te staven dat en hoe hij na 5 november 2014 in zijn levensonderhoud kon voorzien.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep gegrond;II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 januari 2018 in zaak nr. 17/9855;III.    verklaart het beroep gegrond;IV.    vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 11 april 2017, V-nummer […];V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;VI.    gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 421,00 (zegge: vierhonderdeenentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.w.g. Sevenster    w.g. Van Meurs-Heuvelvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 6 september 201947.