Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:2992

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 03-09-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 09-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:2992, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201809449/1/V3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:2992:DOC

201809449/1/V3.Datum uitspraak: 9 september 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,appellant,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 november 2018 in zaak nr. NL18.19609 in het geding tussen:[de vreemdeling]ende staatssecretaris.ProcesverloopBij besluit van 23 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.Bij uitspraak van 20 november 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.J.W. Melchers, advocaat te Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.Vervolgens is het onderzoek gesloten.Overwegingen1.    In grief 1 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet heeft uitgelegd waarom aan de verklaringen van medereizigers van de vreemdeling over de behandeling van de Sloveense politie geen bewijswaarde kan worden toegekend en dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling en zijn gezin zich, in hun specifieke omstandigheden, bij de Sloveense autoriteiten hadden moeten melden. De staatssecretaris betoogt in verband daarmee dat de rechtbank heeft miskend dat hij ten aanzien van Slovenië terecht van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat en dat de vreemdeling zich bij voorkomende problemen tot de Sloveense hogere autoriteiten moet wenden.1.1.    De rechtbank heeft onbestreden vastgesteld dat de staatssecretaris ten aanzien van Slovenië in beginsel terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.    In de omstandigheid dat de vreemdeling, zijn vrouw en hun twee medereizigers hebben verklaard dat zij slecht zijn behandeld door de Sloveense politie heeft de rechtbank ten onrechte aanleiding gezien te overwegen dat de staatssecretaris beter had moeten motiveren dat de vreemdeling en zijn gezin zich, in hun specifieke omstandigheden, niettemin bij de Sloveense autoriteiten hadden moeten melden. De rechtbank heeft in het licht van het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet onderkend dat uit deze enkele confrontatie met de Sloveense politie niet de algemene conclusie kan worden getrokken dat het voor de vreemdeling bij voorbaat zinloos of gevaarlijk is om zich tot de hogere autoriteiten van Slovenië te wenden. Er was voor de staatssecretaris dan ook geen reden om uit te leggen waarom aan de verklaringen van medereizigers van de vreemdeling over de behandeling van de Sloveense politie geen bewijswaarde kan worden toegekend. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 23 oktober 2018 terecht en afdoende gemotiveerd, zij het summier, op het standpunt gesteld dat de vreemdeling zich bij voorkomende problemen in Slovenië kan wenden tot de daartoe aangewezen autoriteiten van dat land en dat niet is gebleken dat zij hem niet zouden kunnen of willen helpen.    De grief slaagt.2.    In grief 2 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het betoog van de vreemdeling dat hij op dit moment in Nederland onder medische behandeling staat, moet betrekken bij zijn besluitvorming in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening (PB 2013 L 180). De staatssecretaris betoogt in verband daarmee dat de rechtbank hiervoor ten onrechte een brief van het Universitair Medisch Centrum Groningen van 1 oktober 2018 relevant heeft geacht.2.1.    Eerst ter zitting van de rechtbank heeft de vreemdeling naar voren gebracht dat hij op dit moment in Nederland onder medische behandeling staat en heeft hij bovenvermelde brief van 1 oktober 2018 getoond. Hieruit heeft de rechtbank opgemaakt dat de artsen de medische problematiek van de vreemdeling voortvarend hebben opgepakt.    De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de omstandigheid dat de artsen de medische problematiek van de vreemdeling voortvarend oppakken geen bijzondere, individuele omstandigheid is op grond waarvan hij de asielaanvraag van de vreemdeling onverplicht aan zich zou moeten trekken. Dat deze brief, zoals de rechtbank heeft overwogen, de eerdere verklaring van de vreemdeling onderbouwt dat hij dringende medische klachten heeft en dat een medische behandeling aan zijn arm noodzakelijk is, leidt niet tot een ander oordeel. De staatssecretaris heeft zich namelijk in zijn besluit van 23 oktober 2018 terecht op het standpunt gesteld dat er geen aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat Nederland het meest aangewezen land is om de vreemdeling te behandelen en dat Slovenië dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland en daarom in staat moet worden geacht eventuele medische problemen goed te kunnen behandelen. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat Slovenië niet in staat moet worden geacht zijn medische probleem te behandelen.    Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris in het licht van bovenvermelde brief van 1 oktober 2018 de door de vreemdeling geschetste en door de medereizigers ondersteunde situatie in Slovenië en zijn verklaring dat men in Slovenië geen andere optie zag dan zijn arm geheel te amputeren, had moeten betrekken bij zijn besluitvorming in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening. De in hoger beroep ingediende nadere stukken, die zien op de operaties van de vreemdeling en de bij hem geconstateerde TBC, kunnen evenmin als bijzondere, individuele omstandigheden worden aangemerkt op grond waarvan de staatssecretaris de asielaanvraag van de vreemdeling onverplicht aan zich zou moeten trekken.    De grief slaagt.3.    Nu de grieven 1 en 2 slagen, klaagt de staatssecretaris in grief 3 terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat redelijkerwijs niet valt in te zien waarom de staatssecretaris, gelet op de specifieke omstandigheden van dit geval als hiervoor onder 1. en 2. weergegeven, geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De grief slaagt.4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 23 oktober 2018 alsnog ongegrond verklaren. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep gegrond;II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 november 2018 in zaak nr. NL18.19609;III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, griffier.w.g. Steendijk    w.g. Bakkervoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 9 september 2019395.