Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:296

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 01-02-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 13-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:296, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201800013/1/R1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:296:DOC

201800013/1/R1.Datum uitspraak: 13 februari 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1.    Vereniging Vogelwerkgroep Arnhem en omstreken, gevestigd te Arnhem (hierna: Vogelwerkgroep),2.    Stichting AGA/Presikhaaf, gevestigd te Arnhem,3.    Stichting Wijkraad Mosterdhof Struikendoorn en de Weem, gevestigd te Westervoort (hierna: wijkraad MSW),appellanten,
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland,verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 15 november 2017 heeft het college ten behoeve van de realisatie van een windpark met vier windturbines langs de Pleijweg in Arnhem krachtens de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) vergunning verleend voor een project dat kan leiden tot significante negatieve effecten voor onder meer het Natura 2000-gebied "Rijntakken" en ontheffing verleend voor het opzettelijk doden van beschermde diersoorten.
Tegen dit besluit hebben de Vogelwerkroep, stichting AGA/Presikhaaf en wijkraad MSW beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben de [vennootschap], de raad van de gemeente Arnhem en het college van burgemeester en wethouders van Arnhem een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Vogelwerkroep, stichting AGA/Presikhaaf, wijkraad MSW en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. De Vogelwerkroep, wijkraad MSW, stichting AGA/Presikhaaf en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.
De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaak nr. 201706086/1/R1 ter zitting behandeld op 20 juli 2018, waar de stichting AGA/Presikhaaf, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], wijkraad MSW en de Vogelwerkgroep, beide vertegenwoordigd door [gemachtigde C], en het college, vertegenwoordigd door mr. C.E. Barnhoorn, advocaat te Den Haag, en drs. R. Goderie en K. de Kok, zijn verschenen. Voorts is ter zitting[vennootschap], vertegenwoordigd door mr. R. Benhadi, advocaat te Nijmegen, en [gemachtigde D], [gemachtigde E] en[gemachtigde F], als partij gehoord. Na behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.
Overwegingen
Indeling
1.    Het bestreden besluit is genomen ten behoeve van de realisatie van vier windturbines langs de Pleijweg in Arnhem, als voorzien in het bestemmingsplan "Windpark en zonneveld Koningspleij Noord" vastgesteld door de raad van de gemeente Arnhem bij besluit van 10 juli 2017. Voor de realisatie van het windpark heeft het college van burgemeester en wethouders van Arnhem bij besluit van 11 juli 2017 een omgevingsvergunning verleend voor de bouw en exploitatie van de vier windturbines. Het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning zijn met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gecoördineerd voorbereid en (gelijktijdig) bekendgemaakt. Aan de gecoördineerde voorbereiding van het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning ligt het besluit van de raad van 19 december 2016 ten grondslag. Aan het in deze zaak voorliggende Wnb-besluit ligt een afzonderlijke voorbereidingsprocedure (op grond van afdeling 3.4 van de Wro) ten grondslag. Het Wnb-besluit is niet gelijktijdig met het besluit inhoudende de vaststelling van het bestemmingsplan bekendgemaakt.
2.    De ontheffing is verleend voor het opzettelijk doden van zogenoemde Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten. De grondslag voor de ontheffing is artikel 3.3, eerste lid en artikel 3.5, eerste lid, van de Wnb.
    De vergunning is verleend op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb, vanwege de gevolgen van de vier windturbines voor het Natura 2000-gebied "Rijntakken".
3.    Het Natura 2000-gebied "Rijntakken" is bij besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken van 23 april 2014, gewijzigd bij besluit van 30 maart 2017, aangewezen als - kortheidshalve - Vogel- en Habitatrichtlijngebied. Voor het gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgenomen voor onder meer de wulp, een aantal ganzensoorten en de meervleermuis. De afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied bedraagt ongeveer 200 m.
4.    [vennootschap] is initiatiefnemer van het windpark.
5.    Appellanten in deze zaak hebben eveneens beroep ingesteld tegen de hiervoor genoemde besluiten, omdat zij tegen de realisatie van het windpark zijn. De beroepen tegen het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning zijn bij de Afdeling geregistreerd onder zaak nr. 201706086/1/R1 en ook op die beroepen heeft de Afdeling vandaag uitspraak gedaan (ECLI:NL:RVS:2019:295).
Bijlage
6.    De relevante wettelijke bepalingen en vergunningvoorschriften zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.  
Crisis- en herstelwet
7.      Op het bestreden besluit is de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing. Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.
De beroepen
8.    De Vogelwerkgroep heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 15 november 2017 vanwege de gevolgen van het windpark voor de wulp.
    Stichting AGA/Presikhaaf en wijkraad MSW hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit vanwege de gevolgen van het windpark voor beschermde soorten en het Natura 2000-gebied "Rijntakken".
Bevoegdheid Afdeling
9.    Stichting AGA/Presikhaaf en wijkraad MSW betogen dat het in deze zaak genomen Wnb-besluit ten onrechte niet gecoördineerd is voorbereid met het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning voor het windpark. De Afdeling ziet zich daarom gesteld voor de vraag of zij bevoegd is om in eerste en enige aanleg kennis te nemen van de beroepen tegen het Wnb-besluit, omdat in geval geen sprake is van een gecoördineerde voorbereiding de rechtbank bevoegd is.
9.1.    De raad heeft beoogd de besluiten die noodzakelijk zijn voor de realisatie van het windpark met toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro gecoördineerd voor te bereiden en bekend te maken. De raad heeft daarvoor het besluit van 19 november 2016 genomen, waarin is vastgelegd dat de voorbereiding van het bestemmingsplan voor een windpark met vier windturbines langs de Pleijweg gecoördineerd wordt met de voorbereiding en bekendmaking van de - voor de verwezenlijking van het windpark benodigde - nader genoemde besluiten. In het besluit van 19 november 2016 worden onder meer genoemd de "vergunningen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998" en de "ontheffingen op grond van de Flora- en faunawet".
9.2.    Het ontwerp van het nu voorliggende Wnb-besluit heeft ter inzage gelegen van 21 november 2017 tot en met 2 januari 2018. Aan de vaststelling van het bestemmingsplan "Windpark en zonneveld Koningspleij Noord" is een ten dele aparte voorbereiding vooraf gegaan: het ontwerpplan en de omgevingsvergunning hebben ter inzage gelegen van 20 maart 2017 tot en met 1 mei 2017. Het bestemmingsplan en het Wnb-besluit zijn derhalve in zoverre niet gelijktijdig voorbereid en deze besluiten zijn evenmin gelijktijdig bekendgemaakt. Dit laat naar het oordeel van de Afdeling onverlet dat het bestemmingsplan en het in deze procedure aan de orde zijnde Wnb-besluit geacht moeten worden gecoördineerd te zijn voorbereid als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro, omdat in het besluit van de raad van 19 november 2016 melding is gemaakt van de voor de realisatie van het windpark noodzakelijke toestemmingen op grond van (toentertijd) de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet, die daarna zijn opgegaan in de Wnb. Gelet hierop acht de Afdeling zich bevoegd kennis te nemen van het beroep tegen het Wnb-besluit.
Oneigenlijk gebruik van het Digitaal loket van de Afdeling
10.    Het college stelt dat de (initiële) beroepschriften van twee appellanten en een aantal nadere stukken van stichting AGA/Presikhaaf, wijkraad MSW en/of de Vogelwerkgroep ten onrechte zijn ingediend via het zogenoemde Digitaal loket van de Afdeling. Daarbij is de handelwijze gehanteerd dat verschillende natuurlijke personen namens genoemde appellanten het beroepschrift en/of aanvullende stukken "digitaal" hebben ingediend, waarbij de natuurlijke personen in kwestie gebruik hebben gemaakt van hun persoonsgebonden DigiD. Het gebruik van het Digitaal loket van de Afdeling staat evenwel alleen open voor natuurlijke personen. Een DigiD wordt ook alleen toegekend aan natuurlijke personen, aldus het college.
10.1.    De Afdeling overweegt dat stichting AGA/Presikhaaf haar initiële beroepschrift heeft ingediend via het Digitaal loket van de Afdeling. Het beroepschrift van wijkraad MSW is per post bezorgd. De Vogelwerkgroep heeft weliswaar beroep ingesteld via het Digitaal loket, maar daarnaast heeft het college het beroepschrift van de Vogelwerkgroep per post doorgezonden aan de Afdeling. Nadien is een aantal nadere stukken door één of meer appellanten eveneens via het Digitaal loket ingediend. Het college stelt terecht dat het via het Digitaal loket van de Afdeling instellen van beroep en het indienen van nadere stukken alleen openstaat voor natuurlijke personen. Appellanten zijn na de indiening van de stukken via het Digitaal loket door de Afdeling, binnen de beroepstermijn, echter niet uitdrukkelijk gewezen op de omstandigheid dat het gebruik van het Digitaal loket alleen is opengesteld voor natuurlijke personen. Appellanten zijn niet in de gelegenheid gesteld het beroepschrift (in het geval van stichting AGA/Presikhaaf) en/of nadere stukken daarom alsnog per post in te dienen. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat stichting AGA/Presikhaaf geen beroep heeft ingesteld, dan wel dat zij niet binnen de wettelijke termijn beroep heeft ingesteld. Evenmin bestaat aanleiding voor het buiten behandeling laten van de nadere stukken, voor zover deze (uitsluitend) via het Digitaal loket zijn overgelegd.
Belanghebbendheid Wnb-ontheffing
11.    Stichting AGA/Presikhaaf heeft blijkens artikel 2 van haar akte van oprichting tot doel "het behartigen van de gezamenlijke belangen van de bewoners van de wijk Presikhaaf te Arnhem, het voorkomen van aantasting van het woon- en leefmilieu, het bevorderen van de leefbaarheid van de wijk Presikhaaf, meer speciaal met betrekking tot de kwaliteit van wonen in deze wijk, het voeren van juridische procedures, met name in het kader van de ruimtelijke ordening en voorts het verrichten van al hetgeen daarmede in de meest ruime zin verband houdt of daarvoor bevorderlijk kan zijn".
    Blijkens artikel 2 van haar akte van oprichting heeft wijkraad MSW tot doel "het behartigen van de belangen van de bewoners van de wijken Mosterdhof Struikendoorn en de Weem te Westervoort, meer speciaal met betrekking tot de kwaliteit van wonen in deze wijken en voorts het verrichten van al hetgeen daarmede in de meest ruime zin verband houdt of daarvoor bevorderlijk kan zijn".
11.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:168, is bij de beoordeling of een appellant belanghebbende is bij een ontheffing die op grond van de Wnb (voorheen: Flora- en faunawet) is verleend de ruimtelijke uitstraling van het project dat mede door de ontheffing mogelijk wordt gemaakt - in dit geval een windpark - niet van belang. Bepalend is of de handeling waarvoor de Wnb-ontheffing is verleend ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van appellanten. De handeling waarvoor de ontheffing is verleend is het doden van diersoorten (in het bijzonder vogel- en vleermuissoorten) door het in bedrijf zijn van de windturbines. Een ontheffing die op grond van hoofdstuk 3 van de Wnb is verleend, gaat niet over de bescherming van gebieden, maar over de bescherming van soorten. Een Wnb-ontheffing heeft dan ook een beperkte ruimtelijke uitstraling.
11.2.    De afstand tussen het werkgebied van stichting AGA/Presikhaaf en de windturbine die het dichtstbij haar werkgebied is gepland bedraagt ongeveer 600 m. De windturbines waar ontheffing voor is verleend hebben een (maximale) rotordiameter van 120 m met dus een straal van maximaal 60 m. De aanvaringen van vogels en vleermuizen met een windturbine vinden dus plaats op een afstand van ongeveer 540 m van het werkgebied van stichting AGA/Presikhaaf. Gelet op deze afstand is de Afdeling van oordeel dat de eventuele sterfte van vogels en vleermuizen ter plaatse geen ruimtelijke gevolgen van enige betekenis zal hebben voor het woon- en leefklimaat in het werkgebied van stichting AGA/Presikhaaf. Het belang van stichting AGA/Presikhaaf wordt daarom niet rechtstreeks getroffen door de bij het besluit van 15 november 2017 verleende ontheffing.
11.3.    De afstand tussen het werkgebied van wijkraad MSW tot de windturbine die het dichtstbij haar werkgebied is gepland bedraagt ongeveer 650 m. De aanvaringen van vogels en vleermuizen met een windturbine vinden dus plaats op een afstand van ongeveer 590 m van het werkgebied van wijkraad MSW. Gelet op deze afstand is de Afdeling van oordeel dat de eventuele sterfte van vogels en vleermuizen ter plaatse geen ruimtelijke gevolgen van enige betekenis zal hebben voor het woon- en leefklimaat in het werkgebied van wijkraad MSW. Het belang van wijkraad MSW wordt daarom niet rechtstreeks getroffen door de bij het besluit van 15 november 2017 verleende Wnb-ontheffing.
11.4.    Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beroepen van stichting AGA/Presikhaaf en wijkraad MSW tegen de bij besluit van 15 november 2017 verleende Wnb-ontheffing niet-ontvankelijk zijn. Gelet hierop komt de Afdeling niet toe aan de inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden van stichting AGA/Presikhaaf en wijkraad MSW die gericht zijn tegen de bij besluit van 15 november 2017 verleende Wnb-ontheffing. Dit betreft in het bijzonder het betoog dat aan de ontheffing voor het opzettelijk doden van vogelsoorten ten onrechte ten grondslag is gelegd dat deze nodig is in het belang van de "volksgezondheid of openbare veiligheid" (artikel 3.3, vierde lid, onder b, van de Wnb) en het betoog dat niet is aangetoond dat geen andere bevredigende oplossing bestaat (artikel 3.3, vierde lid, onder a, van de Wnb (ontheffing voor vogelsoorten) en artikel 3.8, vijfde lid, onder a (ontheffing voor soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn)).
Procedurele beroepsgronden
12.    Stichting AGA/Presikhaaf en wijkraad MSW betogen dat het in deze zaak voorliggende Wnb-besluit van 15 november 2017 ten onrechte niet gelijktijdig ter inzage heeft gelegen en bekend is gemaakt met het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning voor het windpark.
12.1.    Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wro kan bij besluit van de gemeenteraad worden bepaald dat op de besluitvorming over de verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid de coördinatieprocedure van afdeling 3.5 (thans: afdeling 3.6) van toepassing is. De voorbereiding van de daarvoor noodzakelijke besluiten, zoals bijvoorbeeld bouwvergunningen, kapvergunningen, milieuvergunningen (thans: omgevingsvergunningen), of een milieueffectrapportage vindt dan, indien het college van burgemeester en wethouders het vergunningverlenend bestuursorgaan is, zoveel mogelijk gelijktijdig en gecoördineerd plaats. Toepassing van de coördinatieregeling leidt er overigens niet toe dat de bundeling en parallelschakeling van procedures verplicht wordt. Indien van een of meer vergunningen blijkt dat de besluitvorming om enigerlei reden pas later kan worden afgerond dan de besluitvorming omtrent de andere benodigde vergunningen en besluiten, dan belemmert de regeling niet dat deze vergunningen in een later stadium gecoördineerd worden behandeld of buiten de coördinatie worden gehouden (Kamerstukken II, 2002/03, 28 916, nr. 3, blz. 59 en 60).
12.2.    De Afdeling overweegt dat uit de redactie van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wro, niet volgt dat toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling ertoe verplicht dat alle besluiten die benodigd zijn ter uitvoering van een bestemmingsplan gelijktijdig moeten worden voorbereid en bekendgemaakt. Dit blijkt evenmin uit de geschiedenis van de totstandkoming van de gemeentelijke coördinatieregeling. De omstandigheid dat het Wnb-besluit niet gelijktijdig is voorbereid en bekend is gemaakt met het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning voor het windpark heeft dus geen gevolgen voor de rechtmatigheid van dit besluit. De Afdeling wijst in dit verband op haar uitspraak van 8 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3215, waarin zij een gelijkluidend oordeel heeft gegeven over de rijkscoördinatieregeling van artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder a en onder b, van de Wro. De betogen falen.
13.    Voor zover wijkraad MSW betoogt dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde ecologische onderzoeksrapporten, althans de concepten hiervan, voorgelegd hadden moeten worden aan de Vogelwerkgroep, zijnde een deskundige, overweegt de Afdeling dat het college niet verplicht was aan appellerende partijen of anderen de conceptrapporten voor te leggen ter verificatie of validatie. Dit laat onverlet dat op grond van artikel 3:11, eerst lid, van de Awb de (algemene) verplichting bestaat het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage te leggen om belanghebbenden in de gelegenheid te stellen zienswijzen over het ontwerpbesluit - en dus ook over de daarop betrekking hebbende stukken - naar voren te brengen. Niet in geschil is dat de onderzoeksrapporten over de gevolgen van het windpark voor beschermde natuur ter inzage hebben gelegen met het ontwerpbesluit. Het betoog faalt.
14.    Over het betoog van stichting AGA/Presikhaaf dat bij het voorbereiden van het bestreden besluit in strijd is gehandeld met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, omdat het "Aanwijzingsbesluit rustgebieden winterganzen" van 2 februari 2016, niet ter inzage heeft gelegen met het ontwerpbesluit, overweegt de Afdeling als volgt. In de "Omgevingsvisie Gelderland" zijn de zogeheten "rustgebieden voor winterganzen" aangewezen en is voorzien in beleid voor deze gronden. Het "Aanwijzingsbesluit rustgebieden winterganzen" van 2 februari 2016 en de omgevingsvisie zijn geen op het ontwerpbesluit betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. Overigens is de omgevingsvisie (alsook het genoemde aanwijzingsbesluit) een openbaar stuk dat te raadplegen is op internet. Het betoog faalt.
15.    Voor zover wijkraad MSW en stichting AGA/Presikhaaf betogen dat ten onrechte niet alle besluiten zijn genomen die noodzakelijk zijn voor de realisatie en/of de exploitatie van het windpark, waaronder de benodigde vergunning(en) krachtens de Waterwet, overweegt de Afdeling dat dit betoog geen gevolgen kan hebben voor de rechtmatigheid van het in deze zaak voorliggende Wnb-besluit. Hiervoor, onder 12.2, is overwogen dat de coördinatieregeling van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wro niet verplicht tot gelijktijdige voorbereiding en bekendmaking van de noodzakelijke uitvoeringsbesluiten. De betogen falen.
16.    Wat betreft het betoog van wijkraad MSW en stichting AGA/Presikhaaf dat de wijze waarop het college de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb, overweegt de Afdeling dat deze bepaling zich er niet tegen verzet dat de zienswijzen samengevat worden weergegeven. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. De betogen falen.
De beroepen inhoudelijk
Wnb-vergunning
Stikstof en grondwaterstand
17.    Stichting AGA/Presikhaaf betoogt dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de stikstofdepositie vanwege het windpark en naar de gevolgen van het windpark voor de grondwaterstand.
17.1.    Aan de Wnb-vergunning zijn onderzoeksrapporten ten grondslag gelegd die zien op de gevolgen van het project voor beschermde natuurgebieden. Dit betreft (onder meer) de rapporten "Effecten van windpark Koningspleij op beschermde gebieden, oriëntatiefase" van bureau Waardenburg van 27 mei 2016 (hierna: rapport Oriëntatiefase) en het rapport "Effecten van windpark Koningspleij op beschermde gebieden, passende beoordeling" van bureau Waardenburg van 5 juli 2016 (hierna: passende beoordeling).
17.2.    In het rapport Oriëntatiefase staat dat het windpark op enkele honderden meters afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Rijntakken) is voorzien. Er is geen sprake van emissie van stikstof en schadelijke stoffen naar lucht, water en/of bodem of van veranderingen in grond- of oppervlaktewateren. Verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden als gevolg van de aanleg en exploitatie van windpark Koningspleij is daarom met zekerheid uit te sluiten, aldus het rapport Oriëntatiefase. Stichting AGA/Presikhaaf heeft deze conclusie niet inhoudelijk bestreden. Het betoog faalt.
Meervleermuis
18.    Stichting AGA/Presikhaaf en wijkraad MSW betogen dat het windpark leidt tot een wezenlijke aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied "Rijntakken" vanwege de gevolgen daarvan voor de meervleermuis.
18.1.    Het college stelt dat uit onderzoek volgt dat de windturbines geen gevolgen hebben voor de meervleermuis. Significante negatieve gevolgen voor het Natura 2000-gebied zijn in zoverre uitgesloten. Het college verwijst hiertoe naar het rapport Oriëntatiefase, dat heeft gediend als een zogeheten "voortoets". In dit rapport staat dat de meervleermuis mogelijk gebruik maakt van de directe omgeving van het plangebied (water) als foerageergebied. Ook kunnen meervleermuizen de Nederrijn en de IJssel als migratieroute gebruiken. Ten zuiden van Arnhem is een belangrijke voorzwermplaats bekend. Of dieren tijdens de trekperiode in het plangebied voorkomen zal uit het nog lopende onderzoek naar vleermuizen blijken. Aangezien de soort over het algemeen op zeer lage hoogte boven het wateroppervlak vliegt, doorgaans niet hoger dan 0,5 m en dus niet op rotorhoogte, zullen de geplande turbines geen effect hebben op de meervleermuis, aldus het rapport.
    In het deskundigenbericht staat dat geen aanleiding bestaat deze conclusie in twijfel te treken.
    In hetgeen Stichting AGA/Presikhaaf en wijkraad MSW hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat significante negatieve gevolgen voor de meervleermuis zijn uitgesloten. De betogen falen.
Ganzensoorten
19.    Stichting AGA/Presikhaaf en wijkraad MSW betogen dat het windpark leidt tot verstoring van foerageergebied van ganzensoorten. Volgens hen is het plangebied alsook het naastgelegen gebied een belangrijk foerageergebied van onder meer de grauwe gans en de kolgans. Het gebied is in de "Omgevingsvisie Gelderland" aangewezen als rustgebied voor winterganzen. Als gevolg van het geluid van de windturbines wordt een gebied met een oppervlakte van ongeveer 200 ha ongeschikt als foerageergebied, aldus stichting AGA/Presikhaaf en wijkraad MSW.
19.1.    De ligging van de "rustgebieden voor winterganzen" is vastgelegd in de Omgevingsvisie Gelderland. In de Omgevingsvisie staat dat windturbines op gronden die zijn aangewezen als rustgebied niet zijn toegelaten, althans dat de provincie niet meewerkt aan ruimtelijke planvorming voor het plaatsen van windturbines in deze gebieden. In paragraaf 4.2.3.2 van de Omgevingsvisie staat dat in de directe omgeving, binnen 300 m van de rustgebieden voor winterganzen, de provincie vraagt om onderzoek naar de effecten van nieuw op te richten windturbines op de betreffende vogelpopulaties om verstoring te voorkomen.
19.2.    De Afdeling overweegt dat het in deze procedure bij het beoordelen van deze beroepsgrond van stichting AGA/Presikhaaf gaat om de vraag of het vergunde project leidt tot significante negatieve gevolgen voor het Natura 2000-gebied "Rijntakken" vanwege de verstoring van rust- en foerageergebied van ganzensoorten. De vraag of de Omgevingsvisie zich verzet tegen het windpark komt aan de orde in de uitspraak over het bestemmingsplan en de uitvoeringsbesluiten. Overigens volgt uit hetgeen hiervoor in 19.1 is overwogen dat de Omgevingsvisie niet uitsluit dat windturbines worden opgericht in de nabijheid van gronden die zijn aangewezen als rustgebied.
19.3.     Uit de bij de Omgevingsvisie behorende kaart blijkt dat een groot deel van de gronden dat is aangewezen als rustgebied voor winterganzen valt binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied "Rijntakken". De projectlocatie is geen Natura 2000-gebied en evenmin is dit gebied in de Omgevingsvisie aangewezen als rustgebied voor winterganzen.
19.4.    In het rapport Oriëntatiefase staat dat ganzen tot maximaal 30 km afstand van de slaapplaats foerageren. Binnen 10 km van slaapplaatsen in de directe omgeving liggen veel geschikte foerageergebieden. Het is daarom aannemelijk dat het overgrote deel van de ganzen binnen 10 km afstand van deze slaapplaatsen foerageert. Een klein deel van dit foerageergebied kan in de gebruiksfase van het windpark minder geschikt worden voor ganzen. Uitgaande van een verstoringsafstand van 400 m rondom de turbines, wordt binnen het plangebied een oppervlakte van ongeveer 200 ha minder geschikt voor ganzen. Dit is een verwaarloosbaar onderdeel van het totale areaal geschikt foerageergebied in de omgeving van het plangebied (meer dan 10.000 ha). Er is derhalve geen sprake van maatgevende verstoring van foeragerende ganzen. Wanneer rekening gehouden wordt met het potentieel beschikbare foerageergebied voor ganzen van het gehele Natura 2000-gebied "Rijntakken" en omgeving (komkleigebieden in Liemers en Overbetuwe) is de het gedeelte verstoorde gebied van het totaal nog veel lager, aldus het rapport Oriëntatiefase.
19.5.    Stichting AGA/Presikhaaf en wijkraad MSW hebben de hiervoor weergegeven conclusie uit het rapport Oriëntatiefase niet gemotiveerd bestreden. Gelet daarop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het windpark niet leidt tot significante negatieve effecten voor het Natura 2000-gebied "Rijntakken" als gevolg van verstoring van foerageergebied van ganzensoorten. De betogen falen.
Rugstreeppad
20.    Over het betoog van stichting AGA/Presikhaaf en wijkraad MSW dat de gevolgen van het project voor de rugstreeppad onvoldoende in beeld zijn gebracht, overweegt de Afdeling dat voor het Natura 2000-gebied "Rijntakken" geen instandhoudingsdoelstelling geldt voor de rugstreeppad. Het project kan in zoverre geen gevolgen hebben voor de instandhouding van de "Rijntakken". Wat betreft de eventuele gevolgen van het project voor de soort als zodanig, overweegt de Afdeling dat zij niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond, omdat zoals hiervoor is overwogen de beroepen van stichting AGA/Presikhaaf en wijkraad MSW tegen de Wnb-ontheffing niet-ontvankelijk zijn. Overigens staat in het rapport Oriëntatiefase dat windturbines geen negatieve invloed hebben op het leefgebied van grondgebonden zoogdieren als de bever, otter en das, amfibieën als de knoflookpad, kamsalamander en rugstreeppad of reptielen als de ringslang. Het betoog faalt.
Wulp
21.    De Vogelwerkgroep, stichting AGA/Presikhaaf en wijkraad MSW betogen dat het windpark leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied "Rijntakken" vanwege aanvaringen van wulpen met windturbines. Appellanten bestrijden het standpunt van het college dat de beoogde mitigerende maatregel - een stilstandvoorziening op drie van de vier turbines - ertoe leidt dat de additionele vogelsterfte minder zal zijn dan 1 procent van de natuurlijke sterfte van de populatie, de zogenoemde 1 procent-mortaliteitsnorm, en in absoluut aantal minder dan 1 vogel per jaar bedraagt. Volgens appellanten is de berekening die ten grondslag is gelegd aan deze conclusie en die is verricht met het zogenoemde "Flux-collision-model" ondeugdelijk. Aan de berekening zijn onjuiste uitgangspunten ten grondslag gelegd en in het bijzonder is volgens appellanten de omvang van de "flux" ernstig onderschat. Een meer realistische omvang van de flux - een zogenoemde worstcase-benadering - heeft volgens appellanten tot gevolg dat een aantal van meer dan 4 wulpen aanvaringsslachtoffer wordt, hetgeen betekent dat de additionele sterfte van de wulp vanwege het windpark de 1 procent-mortaliteitsnorm overschrijdt. Het verrichte onderzoek berust niet op actuele gegevens over verplaatsingen van de wulp. In dit verband is volgens appellanten van belang dat de Vogelwerkgroep vanaf 2013 in totaal meer dan 340 slaapplaatstellingen heeft verricht en dat bij het onderzoek naar het aantal aanvaringsslachtoffers geen gebruik is gemaakt van deze gegevens. Het is volgens appellanten niet juist dat de vogels zich in het donker nauwelijks, althans in geringe mate, verplaatsen en dat het overgrote deel van de verplaatsingen plaatsvindt binnen een uur na zonsondergang. Van belang is ook dat geen rekening is gehouden met alle relevante slaapplaatsen in de nabijheid van het plangebied. Appellanten voeren verder aan dat ten onrechte niet is voorzien in een stilstandvoorziening voor de meest noordelijke windturbine. Het is volgens hen onjuist dat het aantal vogelverplaatsingen in de nabijheid van deze turbine gering is, zodat een stillegging van deze windturbine niet noodzakelijk zou zijn. Ten slotte betoogt de Vogelwerkgroep dat bij het beoordelen van de cumulatieve gevolgen van het windpark ten onrechte alleen rekening is gehouden met projecten die na 2014 zijn vergund en gerealiseerd. Volgens de Vogelwerkgroep kan er, gelet op de betrekkelijk lange levensduur van de wulp, niet vanuit worden gegaan dat de gevolgen van projecten die voor 2014 zijn gerealiseerd reeds zijn verdisconteerd in de "achtergrondbelasting", in dit geval de gemiddelde populatieomvang van de soort. Om deze reden had in het kader van de cumulatietoets rekening gehouden moeten worden met projecten die zijn gerealiseerd in de afgelopen 10 jaar, aldus de Vogelwerkgroep.
21.1.    Volgens het college volgt uit onderzoek dat het windpark zelf niet leidt tot significante negatieve gevolgen voor de wulp. Het is niet uitgesloten dat het windpark in combinatie met andere projecten significante negatieve gevolgen heeft. Om deze reden is een passende beoordeling verricht. De passende beoordeling heeft uitgewezen dat een mitigerende maatregel in de vorm van stillegging van drie van de vier windturbines bij zonsopgang en - ondergang ertoe leidt dat wulpen slechts incidenteel aanvaringslachtoffer worden. De mitigerende maatregel heeft tot gevolg dat het windpark marginale gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstelling voor de wulp, zodat een wezenlijke aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Rijntakken niet aan de orde is. Gelet hierop is de Wnb-vergunning terecht verleend, aldus het college.
21.2.    Blijkens het aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000-gebied "Rijntakken" geldt voor de wulp als doelstelling behoud van de omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een seizoensgemiddelde populatie van 850 vogels. Het gebied heeft voor de wulp met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De populatiegrootte vertoont een doorgaande toename. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding, aldus het aanwijzingsbesluit.
    Het gemiddelde aantal foeragerende wulpen in het Natura 2000-gebied Rijntakken bedraagt volgens de passende beoordeling 608.
21.3.    In het rapport Oriëntatiefase staat dat het windpark leidt tot een additionele sterfte van 1 tot 5 wulpen per jaar. De 1 procent-mortaliteitsnorm bedraagt volgens het rapport 4 vogels. Geconcludeerd wordt dat de realisatie van windpark Koningspleij op zichzelf bezien geen significant negatief effect heeft op het behalen van de instandhoudingsdoelstelling van de wulp in het Natura 2000-gebied "Rijntakken", omdat het aantal aanvaringsslachtoffers lager is dan 1 procent van de natuurlijke jaarlijkse sterfte. Vanwege de mogelijke cumulatieve gevolgen met andere windparken is een passende beoordeling verricht. In de passende beoordeling staat dat bij windpark Zuiderzeehaven (Kampen) een jaarlijkse mortaliteit van 4 wulpen is vastgesteld. Andere windparken in de omgeving leiden niet tot additionele vogelsterfte. De cumulatieve vogelsterfte vanwege alle nabijgelegen windparken bedraagt 5 tot 9 wulpen, hetgeen hoger is dan de 1 procent-mortaliteitsnorm. Gelet hierop is volgens de passende beoordeling een mitigerende maatregel in de vorm van een stilstandvoorziening noodzakelijk. Deze maatregel houdt in dat drie van de vier turbines stil worden gezet een half uur voor tot een half uur na zonsopkomst en van zonsondergang tot een uur na zonsondergang. Dit geldt voor de periode september tot en met maart. De maatregel geldt niet voor de meest noordelijke windturbine. De maatregel is geborgd bij wijze van voorschrift 5 bij het Wnb-besluit. Volgens de passende beoordeling leidt deze maatregel ertoe dat het maximale aantal wulpen dat aanvaringsslachtoffer wordt minder dan 1 vogel per jaar bedraagt. Dit betekent dat hooguit incidenteel sprake zal zijn van sterfte als gevolg van het windpark. Omdat het windpark Koningspleij, met inachtneming van de mitigerende maatregel, geen effect heeft op het behalen van de instandhoudingsdoelstelling zal het volgens de passende beoordeling ook in cumulatie met de effecten van andere plannen en projecten niet de oorzaak kunnen zijn voor het optreden van significant negatieve effecten op het behalen van het instandhoudingsdoel voor de Rijntakken.
21.4.    Gelet op het voorgaande ligt de vraag voor of het college zich op grond het verrichte onderzoek, in het bijzonder de passende beoordeling, op het standpunt heeft mogen stellen dat het windpark niet, althans incidenteel, leidt tot sterfte van de wulp vanwege aanvaringen.
21.5.    In de passende beoordeling staat dat teneinde een beeld te krijgen van de aantallen en verspreiding van niet-broedvogels in de omgeving van het geplande windpark, bij het Natuurloket gegevens zijn opgevraagd van maandelijkse watervogeltellingen en midwintertellingen voor de periode 2007-2012. Voor broedvogels zijn gepubliceerde bronnen gebruikt. De beschikbare gegevens geven onvoldoende inzicht in de vliegbewegingen van watervogels (wulpen, kieviten, ganzen en smienten) in de schemer en het donker op en rond de projectlocatie. Om deze kennisleemte in de vliegbewegingen van watervogels in de schemer en het donker in het projectgebied op te vullen, zijn zes veldbezoeken uitgevoerd in de periode september 2015 tot en met april 2016. Om de vliegroutes en vlieghoogtes van watervogels tijdens de slaaptrek in het donker in kaart te kunnen brengen, is gebruik gemaakt van een radar. In de passende beoordeling staat verder dat tijdens de veldbezoeken van februari en april 2016 waarnemingen zijn verzameld van vliegbewegingen van wulpen en dat deze resultaten zijn gedeeld met bureau Waardenburg. Aanvullend is volgens de passende beoordeling op 7 februari 2016 een simultaantelling van wulpen verricht met drie waarnemers van bureau Waardenburg.
21.6.    Volgens de passende beoordeling foerageren wulpen in de uiterwaarden van de grote rivieren, maar ook op graslanden in de komkleigebieden aan de andere zijde van de dijk. De nacht brengen ze door op gezamenlijke slaapplaatsen. In de omgeving van het plangebied zijn drie slaapplaatsen bekend: in de Velperwaarden, op de Hondsbroeksche Pleij bij Westervoort en in de Nieuwe Haven van Arnhem. Foerageergebieden van wulpen liggen tot 20 km van slaapplaatsen. In de winter, bij een korte daglengte, foerageren wulpen doorgaans dichtbij de slaapplaats. Tijdens het veldonderzoek in de winter van 2015/2016 is vastgesteld dat overdag in de omgeving van het plangebied geregeld enkele honderden wulpen in weilanden die deel uitmaken van het Natura 2000-gebied Rijntakken foerageren. De radarwaarnemingen bevestigen dat wulpen vanuit de omgeving zich regelmatig eerst in één grote groep verzamelen (meestal bij de plasjes in de Hondsbroeksche Pleij) en daarna tijdens zwermvluchten de uiteindelijke slaapplaats bepalen. Deze zwermvluchten gaan vaak gepaard met langdurig cirkelen boven de Nederrijn ter hoogte van de Nieuwe Haven van Arnhem. Tijdens deze zwermvluchten vlogen geregeld 500 tot 1.000 wulpen ’s avonds in het donker door het plangebied heen en weer tussen de Hondsbroeksche Pleij en de Nieuwe Haven van Arnhem. Ook is in het donker regelmatig uitwisseling tussen de verschillende slaapplaatsen vastgesteld, aldus de passende beoordeling.
21.7.    De berekening van het aantal wulpen dat aanvaringsslachtoffer wordt van de voorziene windturbines is verricht aan de hand van het Flux-collision-model. Eerst is een berekening gemaakt van het aantal aanvaringsslachtoffers in de situatie dat de windturbines continue in bedrijf zijn, derhalve zonder dat rekening wordt gehouden met een periode van stilstand. In paragraaf 4.2.2 van de passende beoordeling zijn de aan de berekening ten grondslag gelegde uitgangspunten nader toegelicht, waarbij voor de onderscheidenlijke uitgangspunten wordt verwezen naar vakliteratuur/-publicaties.
21.8.    In de passende beoordeling staat dat op basis van gepubliceerde tellingen en eigen waarnemingen in de periode september 2015 tot april 2016  aangenomen is dat het gemiddelde aantal wulpen op de slaapplaatsen in de omgeving van het plangebied 650 bedraagt. In de omgeving van het plangebied maken de wulpen gebruik van verschillende slaapplaatsen. De wulpen slapen niet iedere dag direct nabij het plangebied. Evenmin vliegen zij iedere dag door het plangebied. Daarom is aangenomen dat in de periode september tot april op de helft van de dagen 650 wulpen door het plangebied vliegen. Verder is op basis van het veldonderzoek aangenomen dat op de dagen dat wulpen het plangebied passeren, zij dit gemiddeld twee keer in de avond en een keer in de ochtend doen. Dit is volgens de passende beoordeling een worstcase-benadering, omdat dergelijke zwermvluchten tijdens het veldonderzoek uit 2015/16 niet bij ieder bezoek zijn vastgesteld. Aangenomen is dat 80 procent van de berekende flux over het plangebied in de toekomst zal uitwijken voor het windpark en gebruik zal maken van de ruimte tussen de turbines of om het windpark heen vliegt. Ook dit is volgens de passende beoordeling een worstcase-benadering, gelet op de resultaten van het onderzoek naar vliegbewegingen bij bestaande windparken, waarbij hogere uitwijkpercentages zijn gemeten voor een aantal vogelsoorten. Aangenomen is dat alle vogels op rotorhoogte vliegen. Voor de wulp is een aanvaringsrisico van 0,0002% gehanteerd. Wat betreft de inrichting van het plangebied is volgens de passende beoordeling uitgegaan van windturbines met een rotordiameter van 122 m, ashoogte van 90 m, "tiplaagte" van 29 m boven het maaiveld en een gemiddelde afstand tussen de windturbines van 385 m.
21.9.    De uitgangspunten die ten grondslag zijn gelegd aan het onderzoek naar de effectiviteit van een stilstandvoorziening zijn beschreven in paragraaf 5.3 van de passende beoordeling. Op basis van locatiespecifieke waarnemingen van een lokale vogeldeskundige is aangenomen dat ’s ochtends alle wulpen de slaapplaats binnen een uur verlaten. Tijdens radarwaarnemingen in de winter van 2015/16 is vastgesteld dat gemiddeld 80 procent van de slaaptrek in de avonduren zich binnen een uur na zonsondergang afspeelt. Kleine aantallen wulpen kunnen nog in de nacht van locatie wisselen. Om hiermee rekening te houden is aangenomen dat 10 procent van alle wulpen nog in de nachtelijke uren van slaapplaats wisselt, aldus de passende beoordeling. Op basis van voornoemde aanvullende uitgangspunten is een nieuwe berekening gemaakt met het Flux-collision-model. Deze berekening heeft volgens de passende beoordeling uitgewezen dat een stilstandvoorziening op drie van de vier turbines (half uur voor en na zonsopgang en een uur na zonsondergang) een effectieve maatregel is, die tot gevolg heeft dat de vogelsterfte wordt gereduceerd tot hooguit een incidenteel sterfgeval per jaar.
21.10.    Wat betreft het betoog van de Vogelwerkgroep dat het Flux-collision-model niet is gevalideerd door middel van feitelijke (tel)gegevens en als zodanig geen geschikt middel is om het aantal aanvaringsslachtoffers te voorspellen, overweegt de Afdeling dat in het deskundigenbericht staat dat een rekenkundige benadering niet ongeschikt is om de gevolgen van het windpark in beeld te brengen. Volgens de deskundige is geen nauwkeuriger of meer gedetailleerd model beschikbaar om vogelslachtoffers van windturbines te berekenen. In de door de Vogelwerkgroep gestelde omstandigheid dat cijfers over de vogelsterfte die berusten op veldonderzoek (slachtoffertellingen) nauwkeuriger zouden zijn, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het Flux-collision-model als zodanig een ongeschikt middel is om de vogelsterfte te berekenen. Gewezen wordt ook op de uitspraak van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2339, waarin de Afdeling een vergelijkbaar oordeel heeft gegeven over het gebruik van het Flux-collision-model voor het berekenen van het aantal aanvaringsslachtoffers.
21.11.    Wat betreft het betoog dat niet alle parameters die zijn gebruikt voor het bekennen van het aantal aanvaringsslachtoffers zijn vermeld in de passende beoordeling, overweegt de Afdeling dat bureau Waardenburg, dat de passende beoordeling voor het college heeft opgesteld, naar aanleiding van het deskundigenbericht een aanvullende reactie heeft gegeven over de wijze waarop het aantal aanvaringen is berekend. In de notitie van bureau Waardenburg van 23 februari 2018 zijn de parameterwaarden die in de passende beoordeling zijn gehanteerd voor het berekenen van het aantal aanvaringsslachtoffers gegeven en nader toegelicht. Voor zover in deze aanvullende notitie bepaalde parameters ontbreken, overweegt de Afdeling dat uit het aanvullende stuk van de Vogelwerkgroep van 26 juni 2018 volgt dat zij deze ontbrekende parameters heeft kunnen afleiden uit de overgelegde invoergegevens. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat onduidelijk is welke uitgangspunten ten grondslag zijn gelegd aan de berekening van de vogelsterfte met het Flux-collision-model.
21.12.    In het deskundigenbericht staat dat een eventuele onnauwkeurigheid van een model kan worden ondervangen door worstcase-aannamen te gebruiken wat betreft de gegevens die in het model worden ingevoerd.
21.13.    Uit de toelichting bij het Flux-collision-model volgt dat voor de uitkomst van de berekening van het aantal aanvaringsslachtoffers vanwege de windturbines, in het bijzonder de vogelflux door het windpark van belang is. De vogelflux door het windpark is afhankelijk van een aantal factoren. Dit betreft het totaal aantal vogels dat in een bepaalde tijdsperiode (jaar, maand, dag) over de locatie van het voorziene windpark vliegt (de vogelflux), de fractie vogels die op turbinehoogte vliegt en de fractie vogels die - na realisatie - om of over het windpark vliegt (avoidance rate). Na het bepalen van de vogelflux wordt deze aan de hand van de andere parameters (die een cijfer tussen 0 en 1 betreffen) naar beneden bijgesteld om het daadwerkelijke aantal vogels dat door het windpark zal vliegen te bepalen. Een hogere avoidance rate leidt tot een kleinere flux door het windpark en daarmee ook tot een kleiner aantal aanvaringsslachtoffers (bij gelijkblijvende overige parameters).
21.14.     De stelling van het college dat alle bij het berekenen van het aantal aanvaringsslachtoffers gehanteerde parameters een overschatting van de werkelijke situatie betreffen, wordt in het deskundigenbericht niet gevolgd. De aanname dat wulpen (pas) vanaf september in grote getallen in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn kan volgens de deskundige niet worden aangemerkt als een overschatting. De deskundige ziet geen aanleiding de aanname van de Vogelwerkgroep dat wulpen reeds vanaf juli in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn in twijfel te trekken. Ook de aanname over het aantal nachtelijke verplaatsingen, meer specifiek de verplaatsingen gedurende de periode dat de stilstandvoorziening niet in werking is, kan volgens de deskundige niet worden beschouwd als worstcase. Andere bij de berekening gebruikte parameters zijn volgens de deskundige representatief. Zo is bij het modelleren van het windpark, in het bijzonder wat betreft de afmetingen van de windturbines, uitgegaan van de vergunde situatie, tevens de situatie die nagenoeg overeenkomt met hetgeen het bij besluit van 10 juli 2017 vastgestelde bestemmingsplan "Windpark en zonneveld Koningspleij Noord" mogelijk maakt. De aanname dat alle vogels die door het windpark vliegen op rotorhoogte vliegen is volgens de deskundige niet worstcase, maar representatief, omdat geen gegevens zijn aangedragen op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat een gedeelte van de vogels hoger of lager vliegt. De aanname dat 20 procent van de vogelflux door het windpark zal vliegen en dus risico loopt op een aanvaring is volgens de deskundige daarentegen een overschatting van de werkelijke situatie. Deze aanname is gebaseerd op onderzoek naar ganzen en zwanen in Schotland. In het desbetreffende aanvaringsmodel wordt voor de wulp een veel hogere "avoidance rate" geadviseerd, met een bandbreedte tussen 95 en 98 procent. Uitgaande van deze percentages bedraagt het aandeel wulpen dat aanvaringsslachtoffer kan worden 2 tot 5 procent van de vogelflux. De aanname dat 20 procent van de vogelflux door het windpark vliegt heeft volgens het deskundigenbericht een relatief grote invloed op de uitkomsten van de berekeningen met het Flux-collision-model.
21.15.    De Vogelwerkgroep heeft in reactie op het deskundigenbericht alternatieve berekeningen gemaakt (met het Flux-collision-model) van het aantal aanvaringsslachtoffers, waarbij zij is uitgegaan van vijf verschillende scenario’s (scenario’s A tot en met E). Scenario A1 betreft de situatie uit de passende beoordeling, zonder stilstandvoorziening, waarbij de vogelsterfte 3,31 bedraagt. Scenario B1 betreft de situatie uit de passende beoordeling met stilstandvoorziening met een vogelsterfte van 0,31. Alle overige (sub)scenario’s betreffen alternatieve berekeningen van de vogelsterfte, met afwijkende invoergegevens, in het bijzonder wat betreft de vogelflux en de aanvaringskans. Uit het overgelegde overzicht kan worden opgemaakt dat in een aantal scenario’s, waarin is gerekend met andere parameters dan in de passende beoordeling, de vogelsterfte vanwege het windpark minder bedraagt dan 1 vogel per jaar. Andere scenario’s leiden tot een vogelsterfte die (enigszins) hoger is dan 1. Twee scenario’s (A2 en C2) leiden tot een aanmerkelijk hogere sterfte dan is berekend in de passende beoordeling (onderscheidenlijk 23,18 en 5,41 vogels).
21.16.    De Afdeling overweegt dat uit de door de Vogelwerkgroep verrichte berekeningen volgt dat - ook betrekkelijk geringe - wijzigingen van de invoerparameters kunnen leiden tot relevante verschillen in de uitkomst.
    De Afdeling is van oordeel dat aan het alternatieve scenario A2, dat leidt tot een sterfte van ruim 23 vogels, geen betekenis toekomt, omdat dit scenario gelijk is aan het scenario uit de passende beoordeling zonder stilstandvoorziening (derhalve scenario A1), maar met een zeven maal hogere aanvaringskans.
    Dat in een aantal andere door de Vogelwerkgroep berekende varianten de vogelsterfte meer dan 1 bedraagt is voornamelijk, zo niet uitsluitend, een gevolg van de omstandigheid dat gebruik is gemaakt van een 7 maal hogere aanvaringskans of een aanmerkelijk hogere vogelflux, of beide. Hier staat tegenover dat bij alle berekende alternatieve scenario’s de Vogelwerkgroep is uitgegaan van een "avoidance rate" van 80 procent, terwijl het college, gelet ook op het deskundigenbericht, naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk heeft gemaakt dat een "avoidance rate" van 95 tot 98 procent realistischer is. Zoals hiervoor is opgemerkt heeft de - niet realistische - aanname dat 20 procent van de vogelflux door het windpark vliegt volgens de deskundige een relatief grote invloed op de uitkomsten van de berekeningen met het Flux-collision-model. In de alternatieve berekeningen van de Vogelwerkgroep ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de berekening die ten grondslag ligt aan de passende beoordeling onjuist is en dat het college zich derhalve ten onrechte heeft gebaseerd op de resultaten van deze berekening.
21.17.    Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de stilstandvoorziening tot gevolg heeft dat de sterfte onder wulpen wordt gereduceerd tot een incidenteel geval per jaar.
21.18.    Het betoog van de Vogelwerkgroep dat in de passende beoordeling ten onrechte alleen rekening is gehouden met de cumulatie met windparken die na 2014 zijn gerealiseerd slaagt niet. De Vogelwerkgroep heeft niet nader onderbouwd welke windparken, althans projecten, ten onrechte niet zijn betrokken bij het onderzoek naar de cumulatieve gevolgen. Bovendien is hiervoor geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de stilstandvoorziening tot gevolg heeft dat de sterfte onder wulpen wordt gereduceerd tot een incidenteel geval per jaar. Gelet hierop mocht het college ervan uitgaan dat het windpark geen bijdrage levert aan de cumulatieve gevolgen voor de wulp in de Rijntakken. Het betoog faalt.
21.19.    Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het windpark niet leidt tot een wezenlijke aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Rijntakken vanwege de gevolgen van het windpark voor de instandhoudingsdoelstelling van de wulp. Het betoog faalt.
Barrièrewerking
22.    De Vogelwerkgroep betoogt dat de barrièrewerking van het windpark is onderschat in de passende beoordeling.
22.1.    In de passende beoordeling staat dat het windpark geen barrière vormt voor vogels. De geplande lijnopstelling is van beperkte lengte (ongeveer 2 km) en de ruimte tussen de windturbines is groot (385 m), zodat vogels hier zonder veel moeite en zonder energieverlies om heen of tussendoor kunnen vliegen, aldus de passende beoordeling. Deze conclusie wordt bevestigd in het deskundigenbericht. De Afdeling ziet gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat de gevolgen van het windpark voor  vogels in zoverre zijn onderschat. Het betoog faalt.
Obstakelverlichting
23.    Voor zover wijkraad MSW betoogt dat de gevolgen van de obstakelverlichting voor de Rijntakken ten onrechte niet zijn onderzocht, overweegt de Afdeling dat wijkraad MSW dit betoog niet nader heeft onderbouwd. Gelet daarop bestaat geen aanleiding voor de veronderstelling dat de obstakelverlichting gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van de Rijntakken. Het betoog faalt.
Relativiteitsvereiste
24.    De Afdeling laat in het midden of het betoog van stichting AGA/Presikhaaf over de gevolgen van het windpark voor het Natura 2000-gebied "Rijntakken", gelet op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb, kan leiden tot vernietiging van de Wnb-vergunning.
Wnb-ontheffing
25.    Voor zover het beroep van de Vogelwerkgroep gericht is tegen de Wnb-ontheffing, die ziet op de gevolgen van het windpark voor de instandhouding van de wulp als soort, overweegt de Afdeling als volgt. Aan de ontheffing ligt een aantal onderzoekrapporten ten grondslag. Dit betreft in het bijzonder het rapport "Effecten van het windpark Koningspleij, effecten op beschermde soorten, toetsing in het kader van de Flora- en fanauwet" van bureau Waardenburg van 3 juni 2016 en het document "Onderbouwing ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming" van 8 december 2016. In genoemde stukken wordt nader toegelicht dat de aanvraag om ontheffing in overstemming is met het toetsingskader van de Wnb. De Vogelwerkgroep heeft dit niet inhoudelijk bestreden. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte de ontheffing heeft verleend.
MER
26.    Appellanten hebben beroepsgronden aangevoerd die gericht zijn tegen de milieueffectrapportage, in het bijzonder wat betreft het onderzoek naar de alternatieve locaties voor het windpark. Deze beroepsgronden heeft de Afdeling besproken in haar uitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2019:295.
Overige beroepsgronden
27.    De beroepsgronden van stichting AGA/Presikhaaf en wijkraad MSW die gericht zijn tegen het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning voor het windpark kunnen niet aan de orde komen in de procedure tegen het Wnb-besluit. Dit gaat onder meer over de beroepsgrond dat niet alle stukken die betrekking hebben op het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning ter inzage hebben gelegen, dat ten onrechte geen bestemmingsplan is vastgesteld voor het bedrijventerrein "Kleefse Waard" en de beroepsgrond over het bestemmen van woningen aan de Veerweg 23 en 25 tot beheerderwoning. Stichting AGA/Presikhaaf en wijkraad MSW hebben deze beroepsgronden (ook) naar voren gebracht in de procedure tegen het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning. Deze beroepsgronden worden besproken in de uitspraak daarover.
Conclusie
28.    De beroepen van wijkraad MSW en stichting AGA/Presikhaaf tegen de bij besluit van 15 november 2017 verleende Wnb-ontheffing zijn niet-ontvankelijk.
    De beroepen van wijkraad MSW en stichting AGA/Presikhaaf en de Vogelwerkgroep tegen de bij besluit van 15 november 2017 verleende Wnb-vergunning zijn ongegrond.
Proceskosten
29.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart niet-ontvankelijk:
de beroepen van Stichting AGA/Presikhaaf en Stichting Wijkraad Mosterdhof Struikendoorn en de Weem, voor zover gericht tegen de bij besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 15 november 2017 krachtens de Wet Natuurbescherming verleende ontheffing ten behoeve van de realisatie van een windpark met vier windturbines langs de Pleijweg in Arnhem;
II.    verklaart ongegrond:
- de beroepen van Stichting AGA/Presikhaaf en Stichting Wijkraad Mosterdhof Struikendoorn en de Weem, voor zover gericht tegen de bij besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 15 november 2017 krachtens de Wet Natuurbescherming verleende vergunning ten behoeve van de realisatie van een windpark met vier windturbines langs de Pleijweg in Arnhem;
- het beroep van de Vogelwerkgroep Arnhem en omstreken.
Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Milosavljević, griffier.
w.g. Michiels    w.g. Milosavljevićvoorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2019
739. Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:6
Het beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, tenzij een andere bestuursrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift.
Artikel 8:11, eerste lid
Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.
Bijlage 2, hoofdstuk 2, artikel 2
Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
[…];
Wet ruimtelijke ordening:
[…];
e. de artikelen 3.30, eerste lid, onder a of b, 3.33, eerste lid, onder a of b, en 3.35, eerste lid;
[…].
Wet ruimtelijke ordening
Artikel 3.30
1. Bij besluit van de gemeenteraad kunnen gevallen of categorieën van gevallen worden aangewezen waarin de verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat:
a. de voorbereiding en bekendmaking van nader aan te duiden, op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten worden gecoördineerd, of
b. de voorbereiding en bekendmaking van een bestemmingsplan, een wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, wordt gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van besluiten als bedoeld onder a.
[…].
Artikel 3.31
1. In door de gemeenteraad met toepassing van artikel 3.30 aangewezen gevallen bevorderen burgemeester en wethouders een gecoördineerde voorbereiding van de bij of krachtens dat artikel aangeduide besluiten. Burgemeester en wethouders kunnen andere bestuursorganen verzoeken de medewerking te verlenen, die voor het welslagen van de coördinatie nodig is. Met het oog hierop zendt een bestuursorgaan dat bevoegd is op een aanvraag voor een dergelijk besluit te beslissen hun onverwijld een afschrift van die aanvraag.
[…].
Artikel 3.32
Burgemeester en wethouders maken de vaststelling van het in artikel 3.30, eerste lid, bedoelde bestemmingsplan, en de andere besluiten voor zover ten aanzien van deze besluiten gezamenlijk artikel 3.31, derde lid, is toegepast, gelijktijdig bekend. [...].
Wet natuurbescherming
Artikel 2.7, tweede lid
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
Kaart bij de Omgevingsvisie Gelderland
rustgebieden voor winterganzen
center
100
3015714d-b1e8-4d5d-b094-9602c91d039a
305
604
image/jpeg