Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:2772

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-08-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 14-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:2772, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201804829/1/R2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:2772:DOC

201804829/1/R2.Datum uitspraak: 14 augustus 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:1.    Bomenstichting, gevestigd te Utrecht,2.    Brabantse Milieufederatie (hierna: BMF), gevestigd te Tilburg,3.    [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],4.    [appellante sub 4], gevestigd te [plaats],5.    [appellante sub 5], gevestigd te Boekel,6.    [appellant sub 6], wonend te Boekel,7.    [appellant sub 7] en anderen, allen wonend te Boekel,8.    Stichting Geestelijke Gezondheidszorg Oost-Brabant (hierna: GGZ Oost-Brabant), gevestigd te Boekel,9.    [appellante sub 9] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 9]), gevestigd respectievelijk wonend te Boekel,10.    [appellante sub 10], gevestigd te Venhorst, gemeente Boekel,11.    Molenbrand C.V. en Molenakker C.V., gevestigd te Boekel,12.    [appellante sub 12] en anderen, gevestigd te Boekel,13.    [appellante sub 13], gevestigd te [plaats],14.    het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, gevestigd te ’s-Hertogenbosch,15.    Gasunie Transport Services B.V., gevestigd te Groningen,appellanten,ende raad van de gemeente Boekel,verweerder.ProcesverloopBij besluit van 22 februari 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied 2016" vastgesteld.Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.De raad heeft een verweerschrift ingediend.Bij besluit van 4 april 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Reparatieherziening Buitengebied 2016" vastgesteld.Tegen dit besluit heeft [appellante sub 10] een zienswijze ingediend.De raad, BMF, [appellant sub 7] en anderen, [appellante sub 12], het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant en de Gasunie hebben nadere stukken ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 en 16 april 2019, waar appellanten in persoon zijn verschenen of zich hebben laten vertegenwoordigen. Een aantal appellanten is niet verschenen en heeft zich ook niet laten vertegenwoordigen. Ook verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen.OverwegingenInleiding1.    Het bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied 2016" voorziet in een actualisatie van het planologisch regime voor nagenoeg het gehele buitengebied van Boekel. Dit bestemmingsplan is een zogenoemd ‘bestemmingsplan met verbrede reikwijdte’ als bedoeld in artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (hierna: het Besluit uitvoering Chw).Bij het vaststellen van het plan is gebruik gemaakt van de mogelijkheden die artikel 7c biedt om bij de totstandkoming en vaststelling van een bestemmingsplan voor het plangebied van bepaalde wettelijke regels af te wijken en in aanvulling daarop regels te stellen. Zo zijn in het bestemmingsplan regels gesteld die strekken tot het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.Met het bestemmingsplan "Reparatieherziening Buitengebied 2016" zijn enige onvolkomenheden uit het bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied 2016" hersteld, zowel in de verbeelding als in de planregels.Ook heeft de raad een zogenoemd delegatiebesluit genomen. Dit is een afzonderlijk besluit waarbij de raad de bevoegdheid om, onder voorwaarden, af te wijken van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte delegeert aan het college van burgemeester en wethouders van Boekel.2.    Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.De Afdeling merkt het besluit van 4 april 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Reparatieherziening Buitengebied 2016" aan als een besluit zoals bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, nu dat betrekking heeft op planonderdelen waarop ook het besluit van 22 februari 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied 2016" ziet en waartegen beroep aanhangig is.Toetsingskader3.    Artikel 8:51d van de Awb luidt, voor zover thans van belang:"Indien de bestuursrechter in hoogste aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen."4.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.Leeswijzer5.    Hierna worden de beroepen behandeld. Daarbij wordt, indien aan de orde, telkens eerst het beroep tegen het besluit van 4 april 2019 behandeld. Daarna wordt het beroep tegen het besluit van 22 februari 2018 besproken.De relevante planregels en wettelijke regels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.Het beroep van de BomenstichtingHet besluit van 4 april 2019Intrekking6.    De Bomenstichting heeft de beroepsgronden over de lijst "Beschermde bomen Boekel 2017" ter zitting ingetrokken.Overige beroepsgronden7.    Over het betoog van de Bomenstichting over de regels in het bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied 2016" voor het vellen van houtopstanden, merkt de Afdeling op dat de raad artikel 124 van de planregels (oorspronkelijk: artikel 122) in het bestemmingsplan "Reparatieherziening Buitengebied 2016" heeft gewijzigd.7.1.    Over het betoog van de Bomenstichting dat in artikel 122, leden 122.1 en 122.2, van de oorspronkelijke planregels de nummering en de zinsnede "De verlening.wordt verleend" niet juist is, stelt de Afdeling vast dat de raad in het bij besluit van 4 april 2019 vastgestelde artikel 124, leden 124.1 en 124.2, van de planregels de zinsnede en nummering heeft gewijzigd in de door de Bomenstichting gewenste zin. Op dit punt is dus geen sprake van een beroep van rechtswege.7.2.    Het beroep van de Bomenstichting richt zich verder tegen de regeling in het plan voor het vellen van houtopstanden in bosgebieden die is opgenomen in (het huidige) artikel 124, leden 124.3, 124.4 en 124.5 van de planregels. Zij betoogt dat de raad niet bevoegd is om deze artikelen vast te stellen omdat deze planregels regelen wat in artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) gelezen in samenhang met de daarop gebaseerde Verordening natuurbescherming Noord-Brabant (hierna: de VN) al is geregeld. Voorts betoogt de Bomenstichting dat omdat de rechtbank Oost-Brabant heeft geoordeeld dat de raad niet had mogen besluiten de bebouwde komgrens van hoofdstuk 4 van de Wnb te laten samenvallen met de gemeentegrens, moet worden geconstateerd dat de in het plan beoogde regeling niet meer overeenkomt met de bedoeling van de raad, te weten dat mensen in het buitengebied alleen bij de gemeente moesten zijn als zij wilden overgaan tot een velling van houtopstanden in bosgebieden en de regeling alleen al daarom geen stand kan houden. Voorts betogen zij dat het bestaan van meerdere regiems in strijd is met de rechtszekerheid. Ook betoogt de Bomenstichting dat artikel 124, lid 124.5, van de planregels onzorgvuldig is voorbereid, omdat de term maatwerkvoorschriften onjuist is toegepast op grond van de Omgevingswet. Ook betoogt zij dat ten onrechte een herplantplicht ontbreekt.Voorts richt het beroep van de Bomenstichting zich tegen de regeling in het plan voor het vellen van overige houtopstanden die is opgenomen in artikel 124, leden 124.1 en 124.2, van de planregels. De Bomenstichting betoogt dat er geen duidelijk vergunningenstelsel in het plan is opgenomen ondanks het verzoek daartoe in de eerdere zienswijze. Ook betoogt de Bomenstichting dat artikel 124, lid 124.2, van de planregels te summier is, omdat de regeling alleen een verbod stelt en regelt wanneer (alsnog) een omgevingsvergunning kan worden verleend. Ook in deze regels ontbreekt ten onrechte een herplantplicht. De Bomenstichting betoogt dat in de planregels ten onrechte de Algemene plaatselijke verordening 2014 van de gemeente Boekel die is gewijzigd op 12 oktober 2017 (hierna: de APV) voor zover die betrekking heeft op het vellen van houtopstanden niet volledig is overgenomen. Ook betoogt de Bomenstichting dat het beschermingsregiem voor beschermde bomen ook moet gaan over werken en werkzaamheden in de nabijheid van die bomen. Ten slotte zou de term omgevingsvergunning voor een afwijkingsactiviteit in artikel 124, lid 124.2, van de planregels moeten worden vervangen door omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.7.3.    De raad stelt dat het met het nemen van het kombesluit van 14 december 2017 niet de bedoeling was om een beschermingsregiem te creëren naast de regeling in de Wnb. De bedoeling was om duidelijkheid en eenduidigheid te creëren voor de burgers als het om de bescherming en het vellen van houtopstanden gaat, waarbij zij uitsluitend bij de gemeente terecht konden. Nu de rechtbank het besluit heeft vernietigd bestaan er separate beschermingsregiems. De raad stelt zich op het standpunt dat deze regiems goed naast elkaar kunnen functioneren en aanvullende bescherming bieden voor houtopstanden. De raad wenst de regeling daarom ook na vernietiging door de rechtbank van het kombesluit te handhaven.7.4.    Bij besluit van 14 december 2017 heeft de raad voor zover hier van belang de grenzen van de bebouwde kom als bedoeld in artikel 4.1, aanhef en onder a, van de Wnb vastgesteld en laten samenvallen met de huidige gemeentegrens. Op grond van artikel 4.1, aanhef en onder a, van de Wnb heeft het bepaalde bij en krachtens deze paragraaf geen betrekking op houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Gelet op het besluit van 14 december 2017 was de regeling in hoofdstuk 4 van de Wnb niet van toepassing binnen de gemeentegrens. Hiertegen is door de Bomenstichting beroep ingesteld. Bij uitspraak van 27 juni 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:3110, heeft de rechtbank Oost-Brabant het besluit van 14 december 2017 van de raad van Boekel vernietigd voor zover dat betrekking heeft op de komgrens zoals die is opgenomen in hoofdstuk 4 van de Wnb. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Hiermee is hoofdstuk 4 van de Wnb weer van toepassing geworden op het gebied dat buiten de voorheen door de raad vastgestelde grens van de bebouwde kom valt.7.5.    Over het betoog over de verhouding tussen artikel 124, leden 124.3, 124.4 en 124.5 en artikel 4.2 van de Wnb, gelezen in samenhang met de VN overweegt de Afdeling het volgende.In beide regelingen is het in bepaalde gevallen verboden een houtopstand te vellen zonder voorafgaande melding. Op grond van artikel 4.1, aanhef en onder a, van de Wnb heeft het bepaalde bij en krachtens deze paragraaf geen betrekking op houtopstanden binnen de door de raad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor zover het plangebied binnen de bij besluit van de raad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom ligt is een melding op grond van de Wnb dus niet aan de orde en heeft de planregeling zelfstandige betekenis. Voor het gebied buiten de bebouwde kom is het volgende van belang. In de Wnb enerzijds en de planregels anderzijds zijn verschillende begripsbepalingen voor een houtopstand opgenomen. Voorts heeft de Wnb geen betrekking op het periodiek vellen van hakhout. Op grond van de planregels moet gelet op de begripsbepaling van houtopstand die is opgenomen in artikel 129.64 een melding worden gedaan indien hakhout, een houtwal of een of meer bomen worden geveld. Op grond van artikel 1.1 van de Wnb moet een melding worden gedaan indien een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer of uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, wordt geveld. Ten slotte is het op grond van artikel 124, lid 124.3, van de planregels verboden zonder melding houtopstanden te vellen in bosgebieden die voorkomen op de lijst "Beschermde bomen Boekel 2017" Gelet op al deze verschillen heeft de planregeling ook voor het gebied buiten de bebouwde kom dus zelfstandige betekenis. Gelet op het voorgaande kan dan ook niet staande worden gehouden dat de planregels regelen wat in artikel 4.2 van de Wnb juncto de daarop gebaseerde VN al is geregeld.Er kunnen zich evenwel situaties voordoen waarin zowel een melding op grond van de Wnb als een melding op grond van de planregels moet worden gedaan. In de Wnb en de wetsgeschiedenis zijn geen aanknopingspunten te vinden dat de Wnb wat betreft een regeling voor het vellen van houtopstanden buiten de bebouwde kom uitputtend is bedoeld. Ook is geen sprake van doorkruising van de Wnb door de planregels omdat het doel van de Wnb door de planregels juist wordt gediend. De Afdeling stelt vast dat de raad daarom ook buiten de door hem vastgestelde grenzen van de bebouwde kom regulerend kan optreden. Ook kunnen daarom twee meldingssystemen naast elkaar bestaan. Ten slotte is naar het oordeel van de Afdeling duidelijk in welke gevallen een melding op grond van de planregels moet worden gedaan en zijn de planregels niet rechtsonzeker louter doordat een verwante regeling is getroffen in de Wnb. Het betoog faalt.7.6.    Het betoog van de Bomenstichting dat na de vernietiging door de rechtbank van het besluit van 14 december 2017 de in het plan beoogde regeling niet meer overeenkomt met de bedoeling van de raad, heeft de raad in het verweer gemotiveerd weersproken. Daarbij heeft de raad gelet ook op het vorenstaande terecht het standpunt ingenomen dat de regeling in de planregels en die in de Wnb gelezen in samenhang met de VN goed naast elkaar kunnen functioneren en aanvullende bescherming kunnen bieden voor houtopstanden.7.7.    Over het betoog dat artikel 124, lid 124.5, van de planregels onzorgvuldig is voorbereid vanwege het ontbreken van de term ‘voorschriften’ en de gebruikte term ‘maatwerkvoorschriften’ overweegt de Afdeling dat de raad met dit artikel duidelijk heeft willen maken dat aanvullende voorschriften kunnen worden gesteld in specifieke situaties waarin maatwerk kan worden geleverd. Niet is door de raad bedoeld en het is ook niet nodig om hier aan de definities of mogelijkheden uit de Omgevingswet, die nog niet in werking is getreden, invulling te geven. Dit geldt ook voor het betoog dat de term omgevingsvergunning voor een afwijkingsactiviteit in artikel 124, lid 124.2, van de planregels moeten worden vervangen door omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. De betogen falen.7.8.    In de planregels ontbreekt zoals de Bomenstichting heeft aangevoerd een herplantplicht. De raad heeft toegelicht dat de regels voor de herplantplicht zijn vastgelegd in de "beleidsregel omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 2017" van 12 oktober 2017. Deze beleidsregel is van toepassing op de gemeentegronden binnen en buiten het plangebied. Voorts voorziet onder meer artikel 124, lid 124.5, van de planregels in een regeling die maatwerkvoorschriften voor herplant mogelijk maakt. De raad heeft er in redelijkheid voor kunnen kiezen de herplantplicht niet in de planregels op te nemen maar op andere wijze te regelen. Het betoog faalt.7.9.    Waar de Bomenstichting betoogt dat artikel 124, lid 124.2, van de planregels niet identiek is aan de regeling in de APV overweegt de Afdeling als volgt. Het plan voorziet evenals de APV in een vergunningstelsel. Het past binnen de beleidsruimte van de raad dit in te vullen op de wijze zoals hij heeft gedaan. Ingevolge de APV is het verboden zonder vergunning van of melding bij het bevoegd gezag houtopstanden te vellen of te doen vellen. In artikel 124, lid 124.1, van de planregels is een verbodsbepaling opgenomen om houtopstanden te vellen. Op grond van artikel 124, lid 124.2, van de planregels kan daar met een omgevingsvergunning van worden afgeweken. In artikel 124, lid 124.2 zijn de toetsingsgronden waaronder de vergunning kan worden verleend opgenomen en die zijn overgenomen uit de APV. Het betoog faalt.7.10.    Het verzoek van de Bomenstichting om in artikel 124, leden 124.1 en 124.2, van de planregels een beschermingsregiem voor beschermde bomen tegen werken en werkzaamheden in de nabijheid van die bomen op te nemen is niet overgenomen. De raad heeft gemotiveerd waarom hij daartoe niet is overgegaan en heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dat niet wenselijk en noodzakelijk is. Het betoog faalt.Conclusie7.11.    Gelet op het voorgaande is het beroep van de Bomenstichting tegen het besluit van 4 april 2019 ongegrond.Het besluit van 22 februari 20188.    Omdat blijkens wat hiervoor is overwogen het beroep van de Bomenstichting tegen het besluit van 4 april 2019 niet leidt tot een vernietiging van dat besluit, wordt dat besluit voor zover het gaat om de door haar bestreden plandelen onherroepelijk. Hieruit volgt dat aan het besluit van 22 februari 2018 in zoverre geen betekenis meer toekomt. Onder deze omstandigheden en nu niet is gebleken van enig belang bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit van 22 februari 2018 ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de Bomenstichting geen procesbelang meer heeft. In verband hiermee moet haar beroep tegen het besluit van 22 februari 2018 niet-ontvankelijk worden verklaard.8.1.    Voor de Bomenstichting bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.Het beroep van BMFHet besluit van 4 april 2019Het vellen van houtopstanden9.    Over het betoog van BMF over de regels in het bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied 2016" voor het vellen van houtopstanden, merkt de Afdeling op dat de raad artikel 124 van de planregels (oorspronkelijk: artikel 122) in het bestemmingsplan "Reparatieherziening Buitengebied 2016" heeft gewijzigd.10.    BMF kan zich niet verenigen met de regeling in het plan voor het vellen van houtopstanden die is opgenomen in artikel 124, leden 124.1 en 124.2, van de planregels.10.1.    Voor de beoordeling van het betoog van BMF dat er geen duidelijk vergunningenstelsel in het plan is opgenomen, verwijst de Afdeling naar wat zij hierover overweegt onder 7.9 naar aanleiding van het beroep van de Bomenstichting.Het betoog faalt.10.2.    Voor de beoordeling van het betoog van BMF dat in de regels ten onrechte een herplantplicht ontbreekt, verwijst de Afdeling naar wat zij hierover overweegt onder 7.8 naar aanleiding van het beroep van de Bomenstichting.Het betoog faalt.10.3.    Gelet op het voorgaande is het beroep van BMF tegen het besluit van 4 april 2019 ongegrond.Het besluit van 22 februari 2018Het vellen van houtopstanden11.    Omdat hiervoor is overwogen dat het beroep van BMF tegen het besluit van 4 april 2019 niet leidt tot een vernietiging van dat besluit, wordt dat besluit voor zover het gaat om de door haar bestreden planregel onherroepelijk. Hieruit volgt dat aan het besluit van 22 februari 2018 in zoverre geen betekenis meer toekomt. Onder deze omstandigheden en nu niet is gebleken van een enig ander belang bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit van 22 februari 2018, heeft BMF geen procesbelang meer. Daarom moet haar beroep tegen het besluit van 22 februari 2018 in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.Natura 2000-gebieden12.    BMF betoogt dat de raad, gezien het milieueffectrapport, de aanvulling hierop en de passende beoordeling, ten onrechte het plan heeft vastgesteld. BMF betoogt dat de raad ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van aantasting van de natuurlijk kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden en daarom in strijd met artikel 2.7, eerste lid, in samenhang met artikel 2.8, derde lid, van de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) heeft gehandeld.BMF voert hierover aan dat in het kader van de passende beoordeling ook rekening met de ontwikkelmogelijkheden van bestaande veehouderijen had moeten worden gehouden. Zij wijst op de uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande veehouderijen binnen de toegekende bouwvlakken. BMF wijst verder op de mogelijkheid van het opvullen van onbenutte ruimte binnen al verleende Wnb-vergunningen. BMF betoogt dat aangezien deze aspecten niet in de passende beoordeling zijn meegenomen, de toename van stikstofdepositie ten gevolge van het plan is onderschat.BMF voert voorts aan dat de toename van het aantal dieren dat het plan binnen het huidige stikstofemissieplafond mogelijk maakt ook effecten zal hebben buiten de stal, zoals meer vervoersbewegingen. BMF betoogt dat deze effecten ten onrechte niet zijn meegenomen in de passende beoordeling, terwijl als gevolg ervan de stikstofdepositie toeneemt, wat zal leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden.BMF voert ten slotte aan dat het plan mogelijk maakt dat bij omgevingsvergunning en met toepassing van beschikbare depositieruimte op basis van het Programma Aanpak Stikstof 2015- 2021 (hierna: het PAS) een toename van stikstofdepositie wordt toegestaan. BMF betoogt dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) daaraan stelt. BMF wijst er voorts op dat de effecten van de afwijkingsmogelijkheden niet zijn meegenomen in de passende beoordeling die aan het plan ten grondslag is gelegd, zodat significante negatieve gevolgen niet zijn uitgesloten.12.1.    De raad stelt zich onder verwijzing naar het milieueffectrapport "Plan MER Omgevingsplan Buitengebied 2016" (hierna: plan-MER), de "Aanvulling planMER Omgevingsplan Buitengebied 2016" (hierna: aanvulling plan-MER) en de passende beoordeling, waarin van de veehouderijbedrijven de ontwikkelingsmogelijkheden zijn beschouwd, op het standpunt dat is uitgesloten dat het plan significante negatieve gevolgen heeft voor de nabij het plangebied liggende Natura 2000-gebieden.12.2.    De Natura 2000-gebieden "Deurnsche Peel & Mariapeel", "Boschhuizerbergen", "Strabrechtse Heiden & Beuven", "Oeffelter Meent" en "Maasduinen" liggen in de omgeving van het plangebied. Niet in geschil is dat in deze gebieden al sprake is van een overbelaste situatie als gevolg van de huidige stikstofdepositie, zodat niet uitgesloten is dat een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot significante negatieve effecten. Daarom is het plan-MER van 20 december 2016, waarvan de passende beoordeling als bijlage deel uitmaakt, opgesteld. De commissie voor de m.e.r. heeft op 6 oktober 2016 een toetsingsadvies uitgebracht over het plan-MER. Als antwoord op twee door de commissie gesignaleerde tekortkomingen is de aanvulling plan-MER van 3 november 2017 opgesteld, die ook geldt als een aanvulling op de passende beoordeling.12.3.    In de passende beoordeling is onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plan voor de onder 12.2 genoemde Natura 2000-gebieden, waarbij een vergelijking is gemaakt tussen de bestaande situatie en de toekomstige situatie. Uit dit onderzoek volgt dat een maximale invulling van alle mogelijkheden voor veehouderijen zal leiden tot een grote toename van stikstofdepositie binnen de Natura 2000-gebieden. Uitsluitend het opvullen van onbenutte ruimte binnen vergunningen zal al een forse toename van stikstofdepositie met zich brengen. Daarnaast heeft de uitbreiding van bestaande veehouderijen (binnen het bouwvlak en ingevolge het delegatiebesluit tot maximaal 1,5 ha) grote gevolgen voor de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheden voor omschakeling naar veehouderijen binnen de agrarische bestemmingen. In een overbelaste situatie kan ook bij een kleine toename in bepaalde gevallen al sprake zijn van significante negatieve effecten. Significante negatieve effecten kunnen dan ook niet worden uitgesloten.In de passende beoordeling is vervolgens uiteengezet welke maatregelen moeten worden getroffen om tot een uitvoerbare planregeling te komen binnen de kaders van de Wnb. Gelet op de uitkomsten van het onderzoek moet een emissie-standstill in het plan worden opgenomen.De emissie-standstill waarborgt dat het plan geen significante effecten veroorzaakt en geeft agrariërs toch enige uitbreidingsruimte. Omdat een aanzienlijk deel van de mogelijke toename van stikstofdepositie samenhangt met eventuele omschakelingsmogelijkheden binnen agrarische bouwvlakken van niet-veehouderij naar veehouderij, moeten dergelijke mogelijkheden worden uitgesloten. Door de toepassing van emissie-arme staltechnieken bij bestaande bedrijven is het evenwel veelal mogelijk om een uitbreiding tot 1,5 ha te realiseren zonder dat de ammoniakemissie op bedrijfsniveau toeneemt. Voor melkrundveehouderijen ligt dat anders. Niet kan worden onderbouwd dat deze bedrijven binnen de bestaande emissie de volledige ruimte binnen een bouwvlak van 1,5 ha kunnen benutten. Door deze bedrijven zal, zo staat in de passende beoordeling, een beroep moeten worden gedaan op de ontwikkelingsruimte die beschikbaar is binnen het PAS.12.4.    Niet in geschil is dat de raad het plan heeft vastgesteld overeenkomstig de zogenoemde uitvoerbare planregeling uit de passende beoordeling. BMF stelt terecht dat bij de vaststelling van het plan de in het plan geboden ontwikkelingsruimte voor bestaande veehouderijen, inclusief de flexibiliteitsinstrumenten, moet worden onderzocht in een passende beoordeling. Voor zover BMF betoogt dat dit niet heeft plaatsgevonden en daarbij wijst op de uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande veehouderijen binnen de toegekende bouwvlakken en op de mogelijkheid van het opvullen van onbenutte ruimte binnen verleende Wnb-vergunningen, overweegt de Afdeling dat uit de passende beoordeling volgt dat hiermee wel rekening is gehouden.Het betoog faalt.12.5.    Uit artikel 107, lid 1.1, aanhef en onder b, van de planregels volgt dat wijziging van het bestaande aantal dierplaatsen alleen is toegestaan onder de voorwaarde dat dit niet gepaard gaat met een toename van de bestaande stikstofdepositie. Niet in geschil is dat door het gebruik van andere stalsystemen de ammoniakemissie vanuit de stallen kan afnemen en het plan de mogelijkheid biedt dan andere stallen te bouwen waardoor het houden van meer dieren mogelijk wordt. BMF merkt terecht op dat een toename van het aantal dieren ook effecten kan hebben buiten de stal, zoals meer vervoersbewegingen. Over het betoog van BMF dat deze effecten ten onrechte niet zijn onderzocht, overweegt de Afdeling dat uit de passende beoordeling volgt dat die effecten daarin wel zijn meegenomen. Uit de passende beoordeling volgt, zoals door de raad ter zitting is toegelicht, dat vanwege de ruime afstand tot omliggende Natura 2000-gebieden daar geen relevante effecten zullen optreden ten gevolge van een mogelijke toename van activiteiten buiten de stal. BMF heeft dit niet gemotiveerd bestreden.Het betoog faalt.12.6.    Op grond van artikel 107, lid 1.2, van de planregels kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van artikel 107, lid 1.1, van de planregels en een toename van stikstofdepositie toestaan die het gevolg is van wijziging van bestaande dierplaatsen, diersoorten en/of stalsystemen indien hiervoor gebruik wordt gemaakt van beschikbare depositieruimte op basis van het PAS. Dit betekent dat het plan ontwikkelruimte biedt voor veehouderijen, zo lang de toename van de stikstofdepositie die een uitbreiding van de veehouderij tot gevolg heeft de beschikbare depositieruimte op basis van het PAS niet overschrijdt. Het plan voorziet daarmee in ruimtelijke ontwikkelingen die tot een toename van stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden kan leiden, waarvoor de raad geen individuele passende beoordeling heeft opgesteld, maar verwijst naar de passende beoordeling die is gemaakt in het kader van het PAS. De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, dat de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan het PAS niet voldoet aan de eisen die uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn voortvloeien. Dit brengt met zich dat in artikel 107, lid 1.2, van de planregels in ontwikkelingen wordt voorzien waarvan niet de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden daardoor niet zullen worden aangetast.Het betoog slaagt.Beekdalen13.    BMF betoogt dat het plan te ruime mogelijkheden biedt voor plantaardige teelten en het aanleggen van teeltondersteunende voorzieningen in het beekdallandschap aan de westkant van Boekel. BMF stelt dat dit afbreuk doet aan het watersysteem en de landschappelijke waarden in dit gebied.13.1.    Uit de stukken, waaronder de plantoelichting, blijkt dat de raad bij de vaststelling van het plan ontwikkelruimte heeft geboden aan agrarische bedrijven en daarbij tegelijkertijd de aanwezige gebiedswaarden in acht heeft genomen. De raad heeft toegelicht dat vanwege de gebiedskwaliteiten van het beekdal de ontwikkelmogelijkheden daar beperkter zijn dan elders. Zo zijn hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen niet toegestaan in de beekdalen en zijn lage permanente teeltondersteunende voorzieningen daar beperkt in oppervlakte. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de geboden mogelijkheden voor plantaardige teelten en het aanleggen van teeltondersteunende voorzieningen niet tot onaanvaardbare aantasting van het beekdallandschap leiden. De enkele stelling van BMF dat dit wel zo is, is onvoldoende.Het betoog faalt.Motorcrossterrein14.    BMF betoogt dat het plan in strijd is met artikel 5.1 van de Verordening ruimte Noord-Brabant (hierna: de verordening). Zij voert aan dat het motorcrossterrein Bezuidenhout (hierna: het motorcrossterrein) niet eerder als zodanig is bestemd en dat het plan dus voorziet in een nieuwe functie. BMF voert aan dat dit niet is toegestaan op grond van artikel 5, lid 5.1, eerste lid, onder a, van de verordening, waarin is bepaald dat een bestemmingsplan voor gronden gelegen in het Natuur Netwerk Brabant (hierna: NNB) strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van deze gebieden.14.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het motorcrossterrein als een bestaande planologische situatie als bedoeld in de verordening moet worden beschouwd en dat het positief bestemmen daarvan, ook in het NNB, is toegelaten op grond van het artikel 5, lid 5.1, eerste lid, onder c, van de verordening.14.2.    Aan de gronden waar het motorcrossterrein is gelegen zijn de bestemmingen "Natuur" en "Natuur Netwerk Brabant" met de aanduiding "motorcrossterrein" toegekend.15.    Vaststaat dat op het perceel aan het Bezuidenhout sinds de jaren zestig een motorcrossterrein aanwezig is en dat dit nooit zo bestemd is geweest in een bestemmingsplan. Met de in de verbeelding opgenomen aanduiding "motorcrossterrein" is het bestaande gebruik daarvan in het plan toegelaten.BMF wijst er terecht op dat in artikel 5, lid 5.1, eerste lid, onder a, van de verordening is bepaald dat een bestemmingsplan voor gronden die in het NNB liggen, strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van deze gebieden. Dit brengt met zich dat er geen nieuwe ontwikkelingen mogen worden opgenomen in een bestemmingsplan. Volgens de toelichting bij de verordening is in artikel 5, lid 5.1, eerste lid, onder c, van de verordening ook een algemene bepaling opgenomen ter bescherming van de gevestigde belangen en rechten. In deze bepaling is voorgeschreven dat de bestaande planologische gebruiksactiviteiten zijn toegelaten. Vervolgens volgt uit artikel 2, onder 3, dat waar in deze verordening gesproken wordt over een bestaande planologische gebruiksactiviteit, daaronder ook wordt verstaan datgene waarvan vaststaat dat handhaving wegens strijd met het geldende bestemmingsplan niet meer mogelijk is.De raad heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD8906, uiteengezet dat wat betreft het motorcrossterrein vaststaat dat handhaving wegens strijd met het geldende bestemmingsplan niet meer mogelijk is. BMF heeft de juistheid hiervan niet bestreden. In dit geval is sprake van een bestaande planologische gebruiksactiviteit als bedoeld in artikel 2, onder 3, van de verordening die op grond van artikel 5, lid 5.1, eerste lid, onder c, van de verordening is toegelaten. Het bestemmen van het motorcrossterrein verdraagt zich dus met artikel 5, lid 5.1, van de verordening.Het betoog faalt.Rechtszekerheid16.    BMF betoogt verder dat diverse in het plan opgenomen bevoegdheden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit, onvoldoende duidelijk zijn. BMF stelt dat de betreffende bepalingen onvoldoende rechtszekerheid bieden, omdat op voorhand onduidelijk is wanneer aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. BMF licht in dit verband toe dat sommige van deze voorwaarden open begrippen bevatten, zoals "onevenredige aantasting", "aanvaardbaar woon- en leefklimaat" en "geschikt voor de beoogde functie".16.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat deze bevoegdheden enkele zogenoemde ‘open normen’ bevatten. Die maken onderdeel uit van het toetsingskader bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bepaalde functies. De raad acht dat in dit geval aanvaardbaar. De raad wijst in dit verband op de aard van het plan, namelijk een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Volgens de raad is beoogd om door het gebruik van ‘open normen’ een planregeling vast te stellen die voldoende flexibiliteit biedt. Voorts heeft de raad gewenst een regeling vast te stellen waarbij aanpassingen kunnen worden doorgevoerd naar aanleiding van nieuwe wetenschappelijke inzichten en onderzoeken.16.2.    Het plan is, zoals onder 16.1 vermeld, een zogenoemd ‘bestemmingsplan met verbrede reikwijdte’ als bedoeld in artikel 7c van het Besluit uitvoering Chw. Het is een experimenteel plan, waarin vooruit wordt gelopen op de ruimere en flexibelere mogelijkheden die de Omgevingswet zal bieden. Op grond van artikel 7c, lid 14, van het Besluit uitvoering Chw is in het plan een vergunningstelsel opgenomen voor het aanvangen of wijzigen van gebruik van gronden of bouwwerken. Als een vergunning voor zo’n zogenoemde ‘bestemmingsplanactiviteit’ wordt aangevraagd, moet het bevoegd gezag aan de hand van diverse in het plan opgenomen voorwaarden nagaan of de activiteit kan worden vergund, waarbij vergunning moet worden verleend als de conclusie is dat aan de voorwaarden wordt voldaan. Deze zogenoemde ‘beoordelingsregels’ bevatten open normen die bepalen dat een belangenafweging moet plaatsvinden of die beoordelingsruimte bieden dan wel een combinatie van beide.De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan vanwege het gebruik van deze open normen niet had mogen vaststellen. De Afdeling acht het gebruik van dergelijke open normen passend bij het flexibele karakter van het plan. Bovendien brengt de gekozen plansystematiek met zich dat een nadere invulling van die open normen bij de toetsing van een aanvraag om omgevingsvergunning aan de orde kan komen. Het in het plan opnemen van een omgevingsvergunningstelsel voor deze bestemmingsplanactiviteiten, leidt immers tot zo’n nadere invulling op het moment van het beslissen op een aanvraag om omgevingsvergunning. Naar aanleiding van een beroep tegen die omgevingsvergunning kan de bestuursrechter de nadere invulling toetsen. Daarbij is de omstandigheid van belang dat een aanvrager van een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit mede ter onderbouwing van de invulling van open normen, gegevens en bescheiden moet overleggen over de gevolgen van het beoogde gebruik voor de fysieke leefomgeving. De Afdeling wijst op artikel 7c, leden 14 en 15, van het Besluit uitvoering Chw. De Afdeling merkt in dit verband ten slotte op dat de rechtspraak die zij over reguliere bestemmingsplannen onder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) heeft gevormd, namelijk dat een nader afwegingsmoment omtrent het toegestane grondgebruik in geval van een bestemming bij recht niet is toegestaan - vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3971 -, niet van toepassing is op een vergunningstelsel als in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte.Het betoog faalt.Het beroep voor het overige17.    Waar BMF zich in het beroepschrift heeft beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van haar zienswijze en de zienswijze van de Bomenstichting, overweegt de Afdeling dat in de overwegingen van het besluit van 22 februari 2018 is ingegaan op deze zienswijzen. BMF heeft in het beroepschrift en ter zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de zienswijzen in dat besluit onjuist zou zijn.In wat BMF voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.Conclusie18.    Gelet op het voorgaande is het beroep van BMF tegen het besluit van 22 februari 2018, voor zover ontvankelijk, gegrond.18.1.    In hetgeen BMF heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 22 februari 2018, voor zover het betreft artikel 107, lid 1.2, van de planregels is genomen in strijd met artikel 2.7, eerste lid, in samenhang met artikel 2.8, derde lid, van de Wnb. Dit besluit dient in zoverre te worden vernietigd.18.2.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.De beroepen van [appellante sub 3] en [appellante sub 4]Het besluit van 4 april 201919.    Over het betoog van [appellante sub 3] dat in het bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied 2016" ter plaatse van het voorerf van het perceel [locatie 1] ten onrechte niet de aanduiding "Bebouwd gebied" is opgenomen, merkt de Afdeling op dat de raad dit heeft gewijzigd en dat in het "Reparatieherziening Buitengebied 2016" daar wel die aanduiding is opgenomen.[appellante sub 3] heeft ter zitting aangegeven dat hij kan instemmen met het besluit van 4 april 2019. Tegen het besluit van 4 april 2019 is dan ook geen beroep van rechtswege van [appellante sub 3] ontstaan.Het besluit van 22 februari 2018Omschakelmogelijkheden pelsdierhouderijen20.    [appellante sub 3] en [appellante sub 4] betogen dat het plan onvoldoende mogelijkheden biedt voor wijziging van de bedrijfsvoering van de pelsdierhouderij die zij op de percelen [locatie 1] respectievelijk [locatie 2] exploiteren. [appellante sub 3] en [appellante sub 4] voeren aan dat artikel 107, lid 1.3, onder a, van de planregels in de weg staat aan een bedrijfsmatige exploitatie van een andere vorm van intensieve veehouderij na afloop van de uitfaseringsperiode zoals neergelegd in de Wet verbod pelsdierhouderij (hierna: de Wvp) op 1 januari 2024.[appellante sub 3] en [appellante sub 4] brengen in dit verband naar voren dat in de Regeling veehouderij en geurhinder (hierna: de Rvg) voor nertsen geen geuremissiefactor is opgenomen, zodat niet kan worden getoetst of omschakeling naar een andere diersoort zal leiden tot een toename van de al bestaande geuremissie. [appellante sub 3] en [appellante sub 4] voeren daarnaast aan dat voor zover omschakeling naar een niet-agrarisch bedrijf is toegestaan, het plan hiervoor onvoldoende mogelijkheden biedt.[appellante sub 3] en [appellante sub 4] voeren tot slot aan dat de raad, gezien de gegeven belangen en de specifieke situatie, niet heeft kunnen nalaten te voorzien in een maatbestemming voor hun bedrijven.20.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan voldoende mogelijkheden biedt om de bestaande bedrijfsvoering te wijzigen wanneer de pelsdierhouderij niet meer is toegestaan. De raad wijst op de mogelijkheden voor omschakeling naar een akkerbouw- of melkveebedrijf, een agrarisch verwant bedrijf of een bedrijf in milieucategorie 1 of 2. Volgens de raad is het verder een bewuste keuze om niet te voorzien in de mogelijkheid van omschakeling naar een andere vorm van veehouderij. De raad acht een dergelijke ontwikkeling onwenselijk met het oog op de geurhinder- en gezondheidssituatie in het buitengebied.20.2.    Aan de percelen [locatie 1] en [locatie 2] is de bestemming "Agrarisch bedrijf - Veehouderij" toegekend.20.3.    Ingevolge artikel 2 van de Wvp is het houden, doden of doen doden van pelsdieren verboden vanaf 1 januari 2024. Pelsdierhouderijen kunnen hun huidige bedrijfsvoering dus niet voortzetten na deze datum.Op grond van artikel 107, lid 1.3, onder a, van de planregels is een wijziging van bestaande diersoorten alleen toegestaan als die wijziging niet leidt tot een toename van de bestaande geuremissie. De Afdeling volgt de raad niet in het standpunt dat omdat voor nertsen geen geuremissiefactor is opgenomen in de Rvg, bij omschakeling naar een andere diersoort waarvoor wel een geuremissiefactor bestaat, te weten alle andere vormen van intensieve veehouderij, per definitie sprake zal zijn van een toename van de bestaande geuremissie. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat bij de vraag of sprake is van een toename van de geuremissie de in de Rvg opgenomen geuremissiefactoren niet zonder meer bepalend zijn. Dit vereiste volgt immers niet uit artikel 107, lid 1.3, onder a, van de planregels. De Afdeling acht ook van belang dat niet in geschil is dat pelsdierhouderijen feitelijk geuremissie veroorzaken en dat deze meetbaar is. Bij een wijziging van diersoorten kan dan ook worden berekend of feitelijk sprake is van een toename van de bestaande geuremissie. Gelet hierop komt de Afdeling tot de conclusie dat artikel 107, lid 1.3, onder a, van de planregels niet in de weg staat aan wijziging naar een andere vorm van intensieve veehouderij, zo lang die niet leidt tot een toename van de feitelijk bestaande - en legale - geuremissie. Dit betekent dat het plan wel voorziet in de door [appellante sub 3] en [appellante sub 4] primair gewenste omschakelmogelijkheden.Waar [appellante sub 3] en [appellante sub 4] verder hebben betoogd dat het plan ten onrechte slechts voorziet in omschakeling naar een niet-agrarisch bedrijf in milieucategorie 1 of 2, heeft de raad ter zitting toegelicht dat hij in dit verband heeft aangesloten bij de mogelijkheden voor niet-agrarische functies uit de verordening. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Het plan biedt in zoverre voldoende mogelijkheden. Het plan voorziet in de vooral gewenste omschakelmogelijkheden naar andere vormen van intensieve veehouderij. Alles bij elkaar genomen heeft de raad daarom in redelijkheid kunnen afzien van het toekennen van een maatbestemming voor pelsdierhouderijen.Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan onvoldoende mogelijkheden biedt voor wijziging van de bedrijfsvoering van de pelsdierhouderij die [appellante sub 3] en [appellante sub 4] exploiteren.Het betoog faalt.Mobiele mestinstallaties21.    [appellante sub 4] betoogt dat het plan rechtsonzeker is, omdat onduidelijk is of de in artikel 107, lid 1.7, van de planregels vervatte voorwaarde van inpandig gebruik ook geldt bij gebruikmaking van een mobiele mestinstallatie.21.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat die bepaling niet van toepassing is bij het gebruik van mobiele mestinstallaties.21.2.    In artikel 107, lid 1.7, van de planregels zijn regels opgenomen in verband met mest, waarbij is voorgeschreven dat mestbewerking uitsluitend inpandig is toegestaan. Voorts is in lid 1.8 van dat artikel een regeling opgenomen voor het gebruik van een mobiele mestinstallatie. De Afdeling overweegt dat uit lid 1.7 niet volgt dat mestbewerking alleen inpandig is toegestaan, behalve in het geval mobiele mestinstallaties als bedoeld in lid 1.8 worden gebruikt, wat de raad wel heeft beoogd. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.Het betoog slaagtConclusie22.    In hetgeen [appellante sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 22 februari 2018, voor zover het betreft artikel 107, lid 1.7, onder a, sub 1, is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 3:2 van de Awb.22.1.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het besluit van 22 februari 2018 binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 21.2 alsnog het besluit van 22 februari 2018 te wijzigen door het vaststellen van een planregeling waaruit blijkt dat mestbewerking alleen inpandig is toegestaan, behalve in het geval mobiele mestinstallaties als bedoeld in artikel 107, lid 1.8, van de planregels worden gebruikt.De raad behoeft geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. Dit betekent dat niet eerst een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage hoeft te worden gelegd.22.2.    Voor [appellante sub 4] zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten.22.3.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 3] tegen het besluit van 22 februari 2018 ongegrond.22.4.    Voor [appellante sub 3] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.De beroepen van [appellante sub 5] en [appellant sub 6]Het besluit van 4 april 201923.    Over het betoog van [appellant sub 6] dat in het bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied 2016" ter plaatse van de zeugenuitloop aan de westzijde van het perceel [locatie 3] ten onrechte niet de aanduiding "Bebouwd gebied" is opgenomen, merkt de Afdeling op dat de raad dit heeft gewijzigd en dat in het "Reparatieherziening Buitengebied 2016" wel die aanduiding is opgenomen.[appellant sub 6] heeft ter zitting aangegeven dat hij in zoverre kan instemmen met het besluit van 4 april 2019. Tegen het besluit van 4 april 2019 is op dit onderdeel dan ook geen beroep van rechtswege van [appellant sub 6] ontstaan.Het besluit van 22 februari 2018Intrekking24.    [appellante sub 5] en [appellant sub 6] hebben ter zitting hun beroepsgrond ingetrokken dat het plan leidt tot een beperking van de uitbreidingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven omdat dit voorziet in de aanwijzing van bedrijfswoningen als plattelandswoningen.Wijziging bestaande aantal dierplaatsen25.    [appellante sub 5] en [appellant sub 6] betogen dat het plan leidt tot een onaanvaardbare belemmering van de uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen. [appellante sub 5] en [appellant sub 6] voeren hierover aan dat uitbreiding van het bestaande aantal dierplaatsen ingevolge artikel 107, lid 1.3, onder a, van de planregels alleen is toegestaan indien die wijziging niet leidt tot een toename van de bestaande geuremissie.25.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat met het plan is beoogd een verbetering van de geur- en gezondheidssituatie in het buitengebied te bereiken. Volgens de raad zijn daarom, naast enkele andere maatregelen, de uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen beperkt.25.2.    In de plantoelichting is vermeld dat wordt gestreefd naar een verbetering van de geursituatie in het buitengebied. Het beleid bestaat uit drie pijlers, namelijk aanscherping van de regels voor achtergrondbelasting, het opnemen van de geurverordening in het plan en op bedrijfsniveau een geuremissiestandstill voor de diercategorieën waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld. De gemeente Boekel vindt dit van belang in verband met de gevolgen voor het woon- en leefklimaat en de daarmee samenhangende gezondheidseffecten. In het plan is wel de mogelijkheid opgenomen af te wijken van deze geuremissiestandstill, waarbij als voorwaarde geldt dat er per saldo sprake moet zijn van een afname van het aantal geurgehinderden in het buitengebied. Dat kan bijvoorbeeld worden bereikt door verplaatsing van emissiepunten of door sanering van een veehouderij elders, aldus de plantoelichting.25.3.    Ingevolge artikel 107, lid 1.3, onder a, van de planregels zijn gelet op dat beleid zoals verwoord in de plantoelichting de uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen beperkt, in die zin dat wijziging van het bestaande aantal dierplaatsen alleen is toegestaan wanneer dat niet leidt tot een toename van de bestaande geuremissie. De Afdeling is van oordeel dat de raad deze planregel in redelijkheid heeft kunnen vaststellen, want de raad heeft het belang bij verbetering van de geur- en daarmee de gezondheidssituatie in het buitengebied zwaarder mogen laten wegen dan het belang van de veehouderijen bij uitbreidingsmogelijkheden. De raad heeft in dit verband acht mogen slaan op de omstandigheid dat sprake is van een overbelaste geursituatie in het buitengebied. Ook moet daarbij bedacht worden dat die bepaling niet in de weg staat aan uitbreiding van het aantal dierplaatsen als in samenhang daarmee een geurbeperkend stalsysteem wordt toegepast, zodat de bestaande geuremissie niet toeneemt. Verder heeft de raad van belang mogen achten dat in artikel 107, lid 1.4, van de planregels een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen op basis waarvan onder voorwaarden een toename van de geuremissie kan worden vergund. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.Het betoog faalt.Bouwvlak26.    [appellant sub 6] betoogt dat het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 3] ten onrechte is verkleind ten opzichte van het voorgaande plan. [appellant sub 6] voert hierover aan dat de raad bij de vaststelling van het plan ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn voornemen gebruik te maken van de op grond van het voorheen geldende plan bestaande uitbreidingsmogelijkheden voor zijn varkenshouderij.26.1.    Vaststaat dat het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 3] is verkleind ten opzichte van het voorgaande plan tot een omvang van 1,5 ha. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het bouwvlak is verkleind omdat bij de vaststelling van het plan het uitgangspunt is gehanteerd dat een agrarisch bouwvlak een maximale omvang van 1,5 ha mag hebben. De Afdeling overweegt dat de raad hierbij evenwel niet in aanmerking heeft genomen dat er concrete uitbreidingsplannen voor het agrarisch bedrijf van [appellant sub 6] bestonden. In dit verband is van belang dat is gebleken dat op 7 juni 2017 een aanvraag om omgevingsvergunning voor het uitbreiden van de varkenshouderij aan de [locatie 3] is ingediend, die op 13 oktober 2017 is ingetrokken. Voorts is op 29 december 2017 een voornemen tot uitbreiding kenbaar gemaakt en is op 19 januari 2018 een hernieuwde aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het uitbreiden van de varkenshouderij ingediend. De raad heeft ter zitting weliswaar toegelicht dat in het plan is gekozen voor een andere systematiek voor het bepalen van de omvang van het bouwvlak dan in het voorheen geldende plan werd gehanteerd, maar heeft niet toegelicht op welke wijze hij de belangen van [appellant sub 6] bij deze uitbreidingsplannen in zijn afweging heeft betrokken. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de verkleining van het bouwvlak op het perceel [locatie 3] ten opzichte van het voorheen geldende plan, berust niet op een deugdelijke motivering.Het betoog slaagt.Conclusie27.    In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 22 februari 2018, voor zover hiermee de aanduiding "Bebouwd gebied" is toegekend aan het perceel [locatie 3], is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.27.1.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het besluit van 22 februari 2018 binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 26.1 alsnog toereikend te motiveren waarom de verkleining van het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 3] ten opzichte van het voorgaande plan aanvaardbaar is, waarbij hij rekening dient te houden met de uitbreidingsplannen en belangen van [appellant sub 6], dan wel het besluit van 22 februari 2018 te wijzigen door vaststelling van een aangepast bouwvlak. De Afdeling gaat ervan uit dat de raad, indien hij tot de vaststelling van een gewijzigde planregeling overgaat, ook de zeugenuitloop aan de westzijde van het perceel [locatie 3] in het aangepaste bouwvlak opneemt.Als de herstelpoging leidt tot een ander besluit hoeft de raad geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. Dit betekent dat niet eerst een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage hoeft te worden gelegd.27.2.    Voor [appellant sub 6] zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten.27.3.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 5] tegen het besluit van 22 februari 2018 ongegrond.27.4.    Voor [appellante sub 5] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.Het beroep van [appellant sub 7] en anderenHet besluit van 22 februari 2018Intrekking28.    [appellant sub 7] en anderen hebben ter zitting hun beroepsgrond ingetrokken dat bij de woningen [locatie 4] en [locatie 5] niet wordt voldaan aan de richtafstanden die op grond van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten moeten worden aangehouden voor de op de percelen [locatie 6] en [locatie 7] voorziene ontwikkelingen.Verordening29.    [appellant sub 7] en anderen betogen dat het plan in strijd is met artikel 7.10 van de verordening. Zij voeren hiertoe aan dat het plan op de percelen [locatie 6] en [locatie 7] voorziet in de vestiging van twee zelfstandige niet-agrarische bedrijven. Dit is niet toegestaan ter plaatse van de gronden die op de bij de verordening behorende kaart zijn aangemerkt als "Gemengd landelijk gebied".29.1.    De raad stelt zich primair op het standpunt dat het relativiteitsbeginsel in de weg staat aan het slagen van dit betoog. De raad stelt zich inhoudelijk op het standpunt dat de gronden op de bij de verordening behorende kaart ook zijn voorzien van de aanduiding "Integratie stad-land". Artikel 9 van de verordening biedt op grond hiervan ruimere mogelijkheden voor het toestaan van nieuwe niet-agrarische functies.29.2.    Aan het perceel [locatie 6] is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" toegekend. Aan het perceel [locatie 7] is de bestemming "Bedrijf" toegekend.29.3.    Aan deze percelen is in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2005" de bestemming "Agrarisch bouwblok" met de aanduiding "intensieve veehouderij" toegekend.29.4.    De Afdeling stelt vast dat de percelen [locatie 6] en [locatie 7] op de bij de verordening behorende kaart als "Gemengd landelijk gebied" met de aanduiding "Integratie stad-land" zijn aangemerkt. Dit betekent dat naast artikel 7 van de verordening, ook artikel 9 van toepassing is.29.5.    Wat betreft het verweer van de raad dat het relativiteitsbeginsel in de weg staat aan het slagen van dit betoog, overweegt de Afdeling het volgende.Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.Het door [appellant sub 7] en anderen ingeroepen artikel 7 uit de verordening heeft een algemeen karakter en beoogt mede bescherming te bieden aan het belang bij het behoud en de bevordering van een goede ruimtelijke kwaliteit in het gemengd landelijk gebied. De percelen [locatie 6], [locatie 7] en de percelen van [appellant sub 7] en anderen liggen in dit gemengd landelijk gebied. De belangen van [appellant sub 7] en anderen zijn onder meer gelegen in het behoud van dit gebied en het belang dat hun percelen gevrijwaard blijven van de ruimtelijke invloed van de voorziene ontwikkelingsmogelijkheden in de naaste omgeving. In het licht daarvan kunnen [appellant sub 7] en anderen zich op het door hen genoemde artikel uit de verordening beroepen en vormt het relativiteitsvereiste geen aanleiding deze beroepsgrond niet te bespreken.29.6.    Over het betoog van [appellant sub 7] en anderen dat het plan in strijd is met artikel 7.10 van de verordening, overweegt de Afdeling dat in artikel 9.1, derde lid, van de verordening is bepaald dat, voor zover een bestemmingsplan voorziet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, artikel 2, vierde lid (zwaarste regiem geldt), niet van toepassing is. Als dus sprake is van zo’n stedelijke ontwikkeling is er geen strijd met artikel 7.10 van de verordening.Wil sprake zijn van zo’n ontwikkeling dan moet op grond van artikel 9.1 van de verordening voldaan zijn aan de daar gestelde voorwaarden. De raad heeft ter zitting uiteengezet dat volgens hem daaraan wordt voldaan. Het vereiste in de verordening dat een stedelijke ontwikkeling aansluit bij bestaand stedelijk gebied, houdt niet in dat de stedelijke ontwikkeling volledig op aangrenzende percelen moet zijn voorzien. Het begrip 'aansluiten' in de verordening heeft niet de betekenis van 'aangrenzend', wat ook de mogelijkheid biedt om een stedelijke ontwikkeling op enige afstand van bestaand stedelijk gebied te realiseren. De Afdeling verwijst hiervoor naar de uitspraak van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3524.De percelen [locatie 6] en [locatie 7] liggen op een afstand van ongeveer 825 meter van gronden die in de verordening zijn aangeduid als "Bestaand stedelijk gebied". Hoewel dus niet is vereist dat de voorziene stedelijke ontwikkelingen op aangrenzende percelen moeten zijn voorzien, is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling zo groot dat niet kan worden volgehouden dat deze ontwikkelingen in aansluiting op bestaand stedelijk gebied worden gerealiseerd.Het voorgaande leidt de Afdeling tot het oordeel dat het plan op dit punt in strijd is met artikel 9.1 van de verordening.Dit betoog slaagt.29.7.    Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 7] en anderen geen bespreking.Conclusie30.    In hetgeen [appellant sub 7] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 22 februari 2018, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" ter plaatse van het perceel [locatie 6] en het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van het perceel [locatie 7], is genomen in strijd met artikel 9.1 van de verordening.30.1.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het besluit van 22 februari 2018 binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 29.6 het besluit van 22 februari 2018 te wijzigen, door vaststelling van een passende planregeling voor de percelen [locatie 6] en [locatie 7].De raad hoeft hierbij geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. Dit betekent dat niet eerst een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage hoeft te worden gelegd.30.2.    Voor [appellant sub 7] en anderen zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten.Het beroep van GGZ Oost-BrabantHet besluit van 22 februari 2018Gebruiksmogelijkheden31.    GGZ Oost-Brabant kan zich niet verenigen met de mogelijkheden die het plan biedt voor haar terrein aan de Kluisstraat 2 (hierna: het terrein), waar de psychiatrische instelling Huize Padua is gevestigd.GGZ Oost-Brabant betoogt dat het plan daar ten onrechte slechts één instelling toelaat, terwijl de raad te kennen heeft gegeven meerdere zorgverleners toe te staan. GGZ Oost-Brabant betoogt daarnaast dat het plan ten onrechte niet op enigerlei wijze ondergeschikte detailhandel en horeca, met een oppervlakte van meer dan 40 m², toestaat.31.1.    Aan het perceel Kluisstraat 2 is de bestemming "Gezondheidszorg" toegekend.31.2.    In de ‘Notitie aanpassingen Omgevingsplan - Huize Padua’, die onderdeel uitmaakt van de nota van zienswijzen die bij het besluit van 22 februari 2018 is vastgesteld, is vermeld dat het plan wordt aangepast in die zin dat op het terrein meerdere instellingen zijn toegestaan. Zoals ook ter zitting is gebleken heeft de raad hiermee beoogd te regelen dat ter plaatse meerdere zorgverleners een functie kunnen uitoefenen. De Afdeling is van oordeel dat dit niet volgt uit artikel 19, lid 19.1, onder a, van de planregels, nu een letterlijke lezing van de zinsnede "instelling voor gezondheidszorg" oplevert dat slechts één instelling is toegestaan. Het plan stemt daarom in zoverre niet overeen met het besluit tot vaststelling en met wat de raad heeft beoogd. Het besluit is niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.Het betoog slaagt.31.3.    De raad heeft vervolgens ter zitting toegelicht dat was beoogd om op het terrein bij omgevingsvergunning dan wel na melding, ondergeschikte detailhandel en horeca met een oppervlakte van meer dan 40 m² mogelijk te maken. Deze mogelijkheden zijn per abuis niet toegestaan binnen de bestemming "Gezondheidszorg". De raad heeft gesteld dat sprake is van een omissie. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het besluit van 22 februari 2018 heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, is het besluit op dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.Het betoog slaagt.Platte daken32.    GGZ Oost-Brabant betoogt dat het plan een ernstige beperking van de bouwmogelijkheden op het terrein met zich brengt, omdat voor nieuwe hoofdgebouwen geen platte daken meer zijn toegestaan. GGZ Oost-Brabant heeft in dit verband toegelicht dat voor patiënten een kleine woonruimte in één-laagse bebouwing volstaat, waarbij de verplichting tot het toevoegen van een schuin dak onnodige kosten met zich brengt.32.1.    Niet in geschil is dat het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied 2005" voorzag in de mogelijkheid om hoofdgebouwen met platte daken te realiseren en dat dit ingevolge artikel 75, lid 75.2, onder b, van de planregels niet is toegestaan. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.Uit het verweerschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad in dit geval ertoe heeft besloten om deze bouwmogelijkheden te wijzigen ter bescherming van de op het terrein aanwezige monumentale en cultuurhistorische waarden. De raad heeft in dit verband toegelicht dat diverse gebouwen binnen Huize Padua rijksmonumenten zijn en dat hij de realisatie van nieuwe hoofdgebouwen met platte daken in de directe omgeving daarvan afbreuk vindt doen aan deze waarden.De Afdeling is van oordeel dat de raad weliswaar heeft toegelicht waarom in het plan is gekozen voor een beperking van de mogelijkheden voor platte daken, maar dat hij niet heeft toegelicht op welke wijze hij de gegeven belangen van GGD Oost-Brabant in zijn afweging heeft betrokken. Gezien de toelichting van de raad ter zitting, kan hij in het bijzonder niet worden gevolgd wat betreft het opleggen van beperkingen aan platte daken op die locaties die op enige afstand liggen van de hiervoor bedoelde rijksmonumenten. Het bestreden besluit berust op dit punt niet op een deugdelijke motivering.Het betoog slaagt.Zonneweides en zonnepanelen33.    GGZ Oost-Brabant betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid zonneweides te realiseren of op platte daken zonnepanelen te plaatsen.33.1.    Wat betreft de mogelijkheid zonneweides te realiseren stelt de raad zich op het standpunt dat deze niet passend zijn ter plaatse van de open ruimtes op het terrein. In de ‘Notitie aanpassingen Omgevingsplan - Huize Padua’ is hier