Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:2769

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-08-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 14-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:2769, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201807874/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:2769:DOC

201807874/1/A1.Datum uitspraak: 14 augustus 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak in het geding tussen:[appellante], wonend te Driebergen-Rijsenburg,enhet college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug,verweerder.ProcesverloopBij besluit van 28 mei 2018 heeft het college zijn beslissing om op 22 mei 2018 vanwege het in strijd met de Afvalstoffenverordening Utrechtse heuvelrug 2016 (hierna: de Afvalstoffenverordening) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen spoedeisende bestuursdwang toe te passen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 150,00) voor rekening van [appellante] komenBij besluit van 5 september 2018 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2019, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. K. van der Veen, zijn verschenen.Overwegingen1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van vijf vuilniszakken die op 22 mei 2018 bij de openbare weg ter hoogte van de ondergrondse afvalcontainer DR 140 zijn aangetroffen. In een van de zakken zijn persoons- en adresgegevens van [appellante] aangetroffen. Het college stelt zich op het standpunt dat de afvalzakken van haar afkomstig zijn en stelt dat zij in strijd met artikel 14 van de Afvalstoffenverordening heeft gehandeld. Het college heeft de kosten van de spoedeisende bestuursdwang gedeeltelijk op haar als overtreder verhaald.2.    Artikel 9 van de Afvalstoffenverordening luidt:"Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door burgemeester en wethouders daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld."Artikel 10"1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door burgemeester en wethouder te stellen regels over het gebruik van:a. inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel;b. inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel.2. Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de tijden, bedoeld in artikel 9, buiten een perceel te laten staan.3. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden."Artikel 14"1. Het is verboden zonder ontheffing van burgemeester en wethouders, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen.2. Het eerste lid is niet van toepassing op:a. het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening;b. het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan;c. het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994;d. handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit.3. Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel."3.    Niet in geschil is dat [appellante] de vuilniszakken in strijd met de Afvalstoffenverordening heeft aangeboden. [appellante] huurde ten tijde van de overtreding een gedeelte van de bovenverdieping van het op 19 april 2018 op last van de burgemeester gesloten pand [locatie] in Driebergen. De sluiting van het pand heeft ertoe geleid dat het door de bewoners gebruikte milieupasje in de verzegelde ruimte lag. Bovendien wist niemand van de bewoners waar het pasje precies was opgeborgen. De vervanging van dit pasje is door [gemachtigde] aangevraagd, maar de feitelijke levering van dit pasje liet volgens hem langer op zich wachten dan de bedoeling was. De bewoners van de bovenverdieping hebben in afwachting van het milieupasje hun huisvuil in zakken op het balkon bewaard, maar door de toenemende stank en vliegen hebben de bewoners besloten de zakken toch maar naast de container te zetten. [appellante] erkent dat dit een overtreding van de Afvalstoffenverordening oplevert, maar betoogt dat dit voor haar de minst slechte oplossing was.4.    [appellante] betoogt dat het college het besluit van 5 september 2018 ten onrechte heeft gebaseerd op onwaarheden. Volgens haar is de overtreding een rechtstreeks gevolg van het niet nakomen van de toezegging dat de vervangende afvalpas spoedig zal worden afgeleverd op het perceel. Volgens [appellante] is het niet aannemelijk dat toezichthouders van de gemeente diverse keren aan de deur zijn geweest om het afvalpasje af te leveren.4.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag ervan worden uitgegaan dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.4.2.    Vast staat dat [appellante] de afvalzakken in strijd met de Afvalstoffenverordening op onjuiste wijze heeft aangeboden door deze naast de ondergrondse afvalcontainer te plaatsen. De door [appellante] aangevoerde omstandigheid dat zij vanaf 19 april geen beschikking meer had over een afvalpas, ontslaat haar niet van de verplichting om haar afval op de juiste wijze, in overeenstemming met de Afvalstoffenverordening, ter inzameling aan te bieden. Niet is komen vast te staan of, zoals [appellante] aanvoert, de toezichthouders het nieuwe afvalpasje op 15 mei 2018 hebben aangeboden op het perceel. Maar er waren voor [appellante] alternatieve mogelijkheden om zich van haar afval te ontdoen. Zoals besproken ter zitting van de Afdeling had [appellante] een afspraak kunnen maken om de afvalpas op het gemeentehuis af te halen. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om de afvalzak naar de milieustraat van de gemeente Utrechtse Heuvelrug te brengen. Zij had kunnen proberen een pas te lenen van haar buren om het afval naar de ondergrondse afvalcontainer te kunnen brengen.In hetgeen door [appellante] is aangevoerd in beroep ziet de Afdeling gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat het besluit van 5 september 2018 voor vernietiging in aanmerking komt.Het betoog faalt.5.    Het beroep is ongegrond.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:verklaart het beroep ongegrond.Aldus vastgesteld door mr. B.J. Schueler, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.w.g. Schuelerlid van de enkelvoudige kamerDe griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2019700.