Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:2760

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-08-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 14-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:2760, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201803932/1/A2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:2760:DOC

201803932/1/A2.Datum uitspraak: 14 augustus 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te [woonplaats],tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 april 2018 in zaak nr. 17/4521 in het geding tussen:[appellant]ende Belastingdienst/Toeslagen.ProcesverloopBij besluit van 21 juli 2017, aangevuld bij besluit van 21 augustus 2017, heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] toegekende voorschotten huurtoeslag over 2017 opnieuw berekend en vastgesteld op nihil.Bij besluit van 3 oktober 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 3 april 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2019, waar [appellant], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.OverwegingenInleiding1.    In de besluit van 21 juli 2017, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 3 oktober 2017, heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag van [appellant] over 2017 opnieuw berekend en vastgesteld op nihil omdat de rekenhuur van zijn woning hoger was dan de huurgrens voor dat jaar. Daarbij heeft de Belastingdienst/Toeslagen in aanmerking genomen dat de huurprijs van de woning van [appellant] van 1 januari tot en met 30 juni 2017 € 980,00 bedroeg en vanaf 1 juli 2017 € 1.010,00, hetgeen hoger is dan de maximale rekenhuur van € 710,68 om voor huurtoeslag in aanmerking te komen. De uitzonderingen waarvoor de huurgrensoverschrijding kan worden toegestaan zijn volgens de Belastingdienst/Toeslagen niet van toepassing.2.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.Aangevallen uitspraak3.    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] geen aanspraak heeft op huurtoeslag over 2017. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat de rekenhuur van de woning van [appellant] hoger is dan de maximale rekenhuur. Verder heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] geen geslaagd beroep toekomt op een verworven recht als bedoeld in artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: de Wht). In dat verband heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] in 2016 geen recht had op huurtoeslag wegens een te hoog inkomen. Naar het oordeel van de rechtbank maakt de omstandigheid dat [appellant] in december 2016 een bijstandsuitkering ontving dit niet anders, omdat de aanspraak op huurtoeslag wordt berekend aan de hand van het jaarinkomen.Verder heeft de rechtbank overwogen dat de door [appellant] aangevoerde omstandigheden, waaronder dat hij financieel onevenredig zwaar wordt getroffen, niet tot het oordeel leiden dat moet worden afgeweken van artikel 13 van de Wht, nu de wet geen ruimte biedt om een belangenafweging te maken. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat de Wht onbillijk en onrechtvaardig is, heeft de rechtbank overwogen dat zij ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat het de Belastingdienst/Toeslagen niet kan worden toegerekend dat [appellant] eerst medio 2017 is medegedeeld dat hij geen aanspraak heeft op huurtoeslag over 2017.Hoger beroep4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen aanspraak heeft op huurtoeslag over 2017. Daartoe voert hij aan dat hij beschikt over een verworven recht en de hoogte van zijn rekenhuur om die reden niet relevant is. Dat hij dit verworven recht heeft, is hem bij besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 22 april 2013 medegedeeld. [appellant] heeft dit als een voor onbeperkte tijd verworven recht beschouwd en aangenomen dat hij dit recht niet zou verliezen op voorwaarde dat hij in hetzelfde huis zou blijven wonen. Dit verworven recht is hem verleend, ongeacht of hij het in een bepaald jaar moet gebruiken of niet. Verder vraagt [appellant] zich af of de rechtbank, door te overwegen dat hij in december 2016 geen recht had op huurtoeslag en dat de Belastingdienst/Toeslagen hem zonder waarschuwing in juli 2017 zijn verworven recht heeft kunnen ontnemen, de Wht op de juiste wijze heeft geïnterpreteerd en toegepast.4.1.    Voor een geslaagd beroep op de uitzondering zoals vervat in artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wht, is vereist dat na overschrijding van de in het eerste lid genoemde maximale huurgrens over de maand die onmiddellijk voorafging aan die overschrijding een huurtoeslag is toegekend en die overschrijding niet het gevolg is van een verhuizing naar een andere woning.4.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2528, duidt het woord ‘overschrijding’ in artikel 13, tweede lid aanhef en onder c, van de Wht op het eerste en enige moment dat de maximale huurgrens wordt overschreden. De Afdeling heeft het standpunt van de Belastingdienst/Toeslagen dat ieder berekeningsjaar een nieuwe peildatum heeft te gelden op grond waarvan moet worden beoordeeld of de in de bepaling genoemde uitzondering nog van toepassing is, niet gevolgd. Zij heeft in de systematiek van de Wht geen aanleiding gezien af te wijken van de letterlijke tekst van artikel 13, tweede lid aanhef en onder c, van de Wht.4.3.    Vaststaat dat aan [appellant] bij besluit van 22 april 2013 met toepassing van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, over 2010 huurtoeslag is toegekend. Uit hetgeen is overwogen onder 4.2 volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij voor het jaar 2017 geen beroep kon doen op deze bepaling.Het betoog slaagt en hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.Conclusie5.    Conclusie is dat de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag over 2017 voor [appellant] ten onrechte heeft herzien naar nihil.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het besluit van 3 oktober 2017 komt wegens strijd met artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wht, voor vernietiging in aanmerking.7.    De Afdeling ziet aanleiding het geschil definitief te beslechten door met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Daartoe zal zij de besluiten van 21 juli 2017 en 21 augustus 2017 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.8.     Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep gegrond;II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 april 2018 in zaak nr. 17/4521;III.    vernietigt het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 3 oktober 2017, kenmerk BOB KO10 BT17;IV.    herroept de besluiten van 21 juli 2017, kenmerk […]T.SC.17.1 en 21 augustus 2017, kenmerk […]T.SC.17.4;V.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;VI.    gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 172,00 (zegge: honderdtweeënzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Nieuwenhuizen, griffier.w.g. Panslid van de enkelvoudige kamerDe griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2019633-97. BIJLAGE Wet op de huurtoeslagArtikel 131. Geen huurtoeslag wordt toegekend als de rekenhuur:a. hoger is dan € 710,68 per maand als:1º. de huurder, diens partner of een van de medebewoners 23 jaar of ouder is, dan wel de woning deelt met een kind of pleegkind van de huurder, diens partner of een medebewoner of2º. de huurder, diens partner of de medebewoner jonger dan 23 jaar is, en een handicap heeft of(…)2. Het eerste lid is niet van toepassing:(…)c. na overschrijding van de bedragen, genoemd in het eerste lid, als over de maand die onmiddellijk voorafging aan die overschrijding een huurtoeslag is toegekend en die overschrijding niet het gevolg is van een verhuizing naar een andere woning.(…)