Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:2758

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-08-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 14-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:2758, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201808911/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:2758:DOC

201808911/1/A1.Datum uitspraak: 14 augustus 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak in het geding tussen:[appellante], wonend in Den Haag,enhet college van burgemeester en wethouders van Den Haag,verweerder.ProcesverloopBij besluit van 20 augustus 2018 heeft het college zijn beslissing om op 8 augustus 2018 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.Bij besluit van 9 oktober 2018 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.Het college heeft een verweerschrift ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2019, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door mr. F. Naghi-Zadeh, zijn verschenen.Overwegingen1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een plastic tas die op 8 augustus 2018 naast een ondergrondse afvalcontainer aan de Pluvierstraat, ter hoogte van nummer 275, in Den Haag is aangetroffen. Het aanbieden van afval naast een afvalcontainer is in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2010. Omdat in de plastic tas een poststuk met daarop de naam en het adres van [appellante] is aangetroffen, stelt het college zich op het standpunt dat zij degene is die de plastic tas naast de afvalcontainer heeft geplaatst en dat zij daarom een gedeelte van de kosten van het verwijderen van de plastic tas moet betalen.2.    Artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening luidt:"Het college kan aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt."    Artikel 9, eerste lid, luidt:"Het is de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, tweede lid een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot."3.    [appellante] betoogt dat zij artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening niet heeft overtreden, omdat zij de plastic tas niet naast de afvalcontainer heeft geplaatst. Zij voert aan dat zij het oud papier niet met plastic tas en al in de papierbak zou plaatsen. Volgens [appellante] heeft zij haar oud papier in de volle container gestopt. Zij vermoedt dat het poststuk met haar naam en adres erop vervolgens uit de papierbak is gewaaid of dat het is gevallen toen een volgende persoon meer oud papier in de container probeerde te stoppen en dat dit poststuk daarna door iemand anders in de plastic tas is gestopt. [appellante] wijst erop dat de plastic tas te vol zit om naar de afvalcontainer te kunnen dragen, en dat het daarom aannemelijk is dat er later papier bij is gestopt. Zij merkt op dat het moeilijk is om te bewijzen dat zij niet de plastic tas naast de container heeft geplaatst.3.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag ervan worden uitgegaan dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt. Daarbij is onderkend dat het voor de betrokkene lastig of zelfs onmogelijk kan zijn om het bewijsvermoeden te weerleggen. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.3.2.    Het college heeft [appellante] als overtreder aan mogen merken, omdat het ervan uit mocht gaan dat zij de plastic tas naast de afvalcontainer heeft geplaatst. In de tas is een poststuk met daarop haar naam en adres gevonden en [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij desondanks niet degene is geweest die de tas daar heeft neergezet. Ze heeft meer in het bijzonder niet aannemelijk gemaakt dat het poststuk uit de afvalcontainer is gewaaid of gevallen en door iemand anders in de tas is gestopt. Dat de plastic tas erg vol zat en het daarom moeilijk kan zijn geweest om de tas met deze hoeveelheid papier naar de container te dragen, is geen bewijs voor die stelling. De stelling dat [appellante] geen plastic tas in een afvalcontainer voor oud papier zou doen, kan ook niet tot een andere conclusie leiden, alleen al omdat de plastic tas niet in maar naast de afvalcontainer voor oud papier is geplaatst. Hieruit volgt dat [appellante] er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat zij de plastic tas niet naast de afvalcontainer heeft gezet.    Het betoog faalt.4.    Het beroep is ongegrond.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:verklaart het beroep ongegrond.Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.w.g. Daalderlid van de enkelvoudige kamer   De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2019262-811.