Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:2750

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-08-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 14-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:2750, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201809964/1/A3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:2750:DOC

201809964/1/A3.Datum uitspraak: 14 augustus 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te [woonplaats],tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 november 2018 in zaak nr. 18/2068 in het geding tussen:[appellant]ende korpschef van politie.ProcesverloopBij brief van 19 februari 2018 heeft de korpschef een verzoek om informatie van [appellant] deels afgewezen.Bij brief van 30 augustus 2018 heeft de korpschef in aanvulling op de brief van 19 februari 2018 de motivering van de afwijzing gewijzigd.Bij uitspraak van 2 november 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen de brief van 19 februari 2018 niet-ontvankelijk verklaard en het door [appellant] tegen de brief van 30 augustus 2018 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2019, waar [appellant], en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. E.E. van Herk en mr. R.P. Nijssen, zijn verschenen.OverwegingenJuridisch toetsingskader   1.    Het juridisch toetsingskader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.Inleiding2.    [appellant] heeft de korpschef bij brief van 16 december 2017 verzocht om verstrekking van een kopie van het proces-verbaal van verhoor van 19 november 1998, proces-verbaal nr. 98009004-4, zonder afscherming van de daarin aanwezige namen en handtekeningen.De korpschef heeft het verzoek aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 25 van de Wet politiegegevens (hierna: de Wpg). Bij de brief van 19 februari 2018 heeft de korpschef het proces-verbaal aan [appellant] verstrekt, maar op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wpg geweigerd de naam van de verbalisant te verstrekken.Bij de brief van 30 augustus 2018 heeft de korpschef de motivering van die weigering gewijzigd en zich op het standpunt gesteld dat de naam van de verbalisant geen politiegegeven is dat betrekking heeft op [appellant] en daarmee buiten de kennisnamesfeer van het verzoek van 16 december 2017 valt.Aangevallen uitspraak3.    De rechtbank heeft overwogen dat de korpschef zich terecht op dat standpunt heeft gesteld. Voor zover politiegegevens betrekking hebben op anderen dan [appellant] kunnen deze niet worden aangemerkt als hem betreffende politiegegevens in de zin van artikel 25 van de Wpg. De korpschef heeft daarom terecht geweigerd de naam van de verbalisant aan [appellant] te verstrekken, aldus de rechtbank.Hoger beroep4.    [appellant] betoogt, zakelijk samengevat, dat de rechtbank met dit oordeel heeft miskend dat hij op grond van artikel 31, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering recht heeft op volledige kennisneming van de processen-verbaal van zijn verhoren.4.1.    Artikel 25 van de Wpg verplicht de korpschef om desgevraagd het volgende mee te delen: of en welke de betrokken persoon betreffende politiegegevens worden verwerkt, of deze gegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en aan welke ontvangers of categorieën van ontvangers die gegevens zijn verstrekt.Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 3 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3187), heeft het verstrekkingenregime van de Wpg uitsluitend betrekking op politiegegevens als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wpg en niet op documenten waarin ze zijn vervat. Op grond van de Wpg kunnen dus geen afschriften worden verkregen van de documenten waarin de verwerkte politiegegevens zijn opgenomen.    Nu [appellant] in zijn verzoek de Wpg niet heeft genoemd en hij heeft verzocht om een document, heeft de korpschef, gelet op voormelde overwegingen in de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2018, ten onrechte de Wpg van toepassing geacht. Uit die uitspraak van de Afdeling volgt voorts dat het verzoek van [appellant] ook niet als een verzoek om toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur kan worden aangemerkt. [appellant] heeft die wet in zijn verzoek niet genoemd en ook geen openbaarmaking voor een ieder beoogd.    Gelet hierop is het verzoek geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en zijn de brieven van de korpschef van 19 februari 2018 en van 30 augustus 2018 geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb waartegen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld. De rechtbank was derhalve niet bevoegd van het door [appellant] ingestelde beroep kennis te nemen.    Voor zover het verzoek moet worden beschouwd als een verzoek om een afschrift van stukken als bedoeld in artikel 32 van het Wetboek van Strafvordering, is de bestuursrechter evenmin bevoegd daarover te oordelen. [appellant] kan een zodanig verzoek indienen bij de officier van justitie.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de rechtbank onbevoegd verklaren.6.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep gegrond;II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 november 2018 in zaak nr. 18/2068;III.    verklaart de rechtbank onbevoegd om van het bij haar ingestelde beroep kennis te nemen;IV.    gelast dat de korpschef van politie aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 253,00 (zegge: tweehonderddrieënvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.w.g. Steendijk    w.g. De Wildelid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2019598. BIJLAGE Algemene wet bestuursrechtArtikel 1:31. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.[-]3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.[-]Wet politiegegevensArtikel 1In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:a. politiegegeven: elk persoonsgegeven dat in het kader van de uitoefening van de politietaak wordt verwerkt;[-]Artikel 251. De verantwoordelijke deelt een ieder op diens schriftelijke verzoek binnen zes weken mede of, en zo ja welke, deze persoon betreffende politiegegevens verwerking ondergaan. Hij verstrekt daarbij tevens desgevraagd inlichtingen over de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt. De verantwoordelijke kan zijn beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen, dan wel voor ten hoogste zes weken indien blijkt dat bij verschillende regionale of landelijke eenheden van de politie politiegegevens over de verzoeker worden verwerkt. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.[-]Artikel 271. Een verzoek, als bedoeld in artikel 25, eerste lid, wordt afgewezen voor zover het onthouden van kennisneming noodzakelijk is in het belang van:[-]b. de bescherming van de rechten van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van derden;[-]Wetboek van StrafvorderingArtikel 271. Als verdachte wordt vóórdat de vervolging is aangevangen, aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit.2. Daarna wordt als verdachte aangemerkt degene tegen wie de vervolging is gericht.[-]Artikel 31Aan de verdachte mag niet worden onthouden de volledige kennisneming van:a. de processen-verbaal van zijn verhoren;[-]Artikel 321. De verdachte kan van de stukken waarvan hem de kennisneming is toegestaan, ten parkette of ter griffie afschrift krijgen; doch het onderzoek mag daardoor niet worden opgehouden.2. In het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de opsporing en vervolging van strafbare feiten of op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend, kan de officier van justitie bepalen dat van bepaalde stukken of gedeelten daarvan geen afschrift wordt verstrekt. Indien tijdens het onderzoek ter terechtzitting nog stukken bij de processtukken worden gevoegd, kan het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd ambtshalve, op vordering van de officier van justitie, op verzoek van de verdachte of van de benadeelde partij overeenkomstig de voorgaande volzin beslissen.3. De verdachte wordt in het geval, bedoeld in het tweede lid, eerste volzin, schriftelijk medegedeeld dat hem van bepaalde stukken of gedeelten daarvan geen afschrift wordt verstrekt.4. De verdachte kan binnen veertien dagen na dagtekening van de mededeling, bedoeld in het derde lid, daartegen een bezwaarschrift indienen bij de rechter-commissaris. Alvorens te beslissen, hoort de rechter-commissaris de officier van justitie.[-]