Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:2749

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-08-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 14-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:2749, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201809357/1/A3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:2749:DOC

201809357/1/A3.Datum uitspraak: 14 augustus 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellante], wonend te Amsterdam,tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 oktober 2018 in zaak nr. 18/440 in het geding tussen:[appellante]enhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.ProcesverloopBij besluit van 13 juli 2017 heeft het college de aanvraag van [appellante] om een bewonersparkeervergunning afgewezen.Bij besluit van 18 december 2017 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 12 oktober 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2019, waar [appellante], bijgestaan door mr. A. Kwint-Ocelíková, advocaat te Groningen, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.R. de Vries, zijn verschenen.OverwegingenJuridisch toetsingskader   1.    Het juridisch toetsingskader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.Inleiding2.    [appellante] heeft verzocht om een bewonersparkeervergunning voor het adres [locatie] te Amsterdam. Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat dit adres in (deel)vergunninggebied Zuid 3.3 ligt, waar het vergunningenplafond op nul is vastgesteld, zodat aan bewoners in dit gebied geen parkeervergunningen worden verleend. De situatie van [appellante] onderscheidt zich niet zodanig van die van andere bewoners dat met toepassing van de hardheidsclausule aan haar een vergunning zou moeten worden verleend. [appellante] kan, zij het tegen hogere kosten, haar auto in de buurt van haar woning parkeren, aldus het college.Hoger beroep3.    [appellante] bestrijdt in hoger beroep het oordeel van de rechtbank dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule. Daartoe betoogt zij dat volgens de Ruimtelijke onderbouwing Rustenburgerstraat 140 Amsterdam bij de herontwikkeling van het appartementencomplex op dit adres parkeerplaatsen moesten worden gerealiseerd. Stadsdeel Zuid en de projectontwikkelaar die de herontwikkeling heeft uitgevoerd zijn overeengekomen dat parkeerplaatsen ten behoeve van het complex zouden worden gerealiseerd. Toen [appellante] het appartement in 2015 kocht werd door de projectontwikkelaar echter geen optie tot het huren van een parkeerplaats geboden. [appellante] was op dat moment niet op de hoogte van het ingestelde nulplafond. Als gevolg van het niet nakomen door de projectontwikkelaar van voormelde overeenkomst kan [appellante] niet beschikken over de overeengekomen te realiseren parkeergelegenheid. Gelet hierop leidt de weigering aan haar een bewonersparkeervergunning te verlenen tot een bijzondere hardheid als bedoeld in artikel 40 van de Parkeerverordening 2013, omdat aannemelijk is dat de overeenkomst de grondslag is geweest voor het instellen van het nulplafond voor het (deel)vergunninggebied Zuid 3.3, aldus [appellante].3.1.    De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het toepassen van de hardheidsclausule een discretionaire bevoegdheid van het college is, waarbij het over beoordelingsruimte beschikt. Het college heeft uiteengezet dat deze clausule slechts wordt toegepast in uitzonderlijke en schrijnende gevallen die de wetgever niet heeft kunnen voorzien.    De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het beroep van [appellante] op de hardheidsclausule niet slaagt. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling dat volgens de Nota Parkeernormen Auto (hierna: de Nota), die als beleidsregel in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is te kwalificeren, (ver)nieuwbouw in Amsterdam wordt uitgesloten van parkeervergunningverlening, ongeacht de beschikbaarheid van parkeerplaatsen op eigen terrein. Daartoe wordt een nulplafond ingesteld. Uit de Nota volgt dat de reden hiervoor de hoge parkeerdruk in Amsterdam is. Het college heeft uiteengezet dat dit beleid al jaren voor de inwerkingtreding van de Nota als vaste gedragslijn werd toegepast.Met projectontwikkelaars worden contractuele afspraken over bij de herontwikkeling van (ver)nieuwbouw te creëren parkeerplaatsen gemaakt om druk uit te oefenen dat nieuwe parkeergelegenheid wordt gerealiseerd.De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de hoge parkeerdruk een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor het instellen van een nulplafond in het (deel)vergunninggebied Zuid 3.3 is en dat, gelet op het vorenstaande, het college in de omstandigheden dat [appellante] niet over een eigen parkeerplaats bij het appartement kan beschikken doordat de projectontwikkelaar de afspraken daarover niet is nagekomen en dat zij zonder parkeervergunning meer kosten moet maken om in de buurt van de woning te kunnen parkeren, in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing aan de hardheidsclausule te geven.    Het betoog faalt.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.w.g. Steendijk    w.g. De Wildelid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2019598. BIJLAGE Parkeerverordening 2013Artikel 41. Het college kan regels vaststellen aangaande:[-]b. het vergunningenplafond per vergunninggebied, dan wel een bewonersvergunningenplafond en een bedrijvenvergunningenplafond per vergunninggebied;[-]Artikel 91. Het college kan een bewonersvergunning verlenen aan de houder van een motorvoertuig die bewoner is van een zelfstandige woning, gelegen in een vergunninggebied, en een bewoner van die zelfstandige woning niet beschikt of niet kan beschikken over een stallingsplaats en/of een belanghebbendenparkeerplaats binnen de gemeente Amsterdam.[-]Artikel 32[-]3. Een bewonersvergunning [-] wordt tevens geweigerd indien het vergunningenplafond van het desbetreffende vergunninggebied is bereikt.[-]Artikel 40Het college is bevoegd, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar zijn oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van het bepaalde in deze verordening.Uitwerkingsbesluit parkeerverordening stadsdeel Zuid 2016Artikel 4Het vergunningenplafond voor bewoners- en bedrijfsvergunningen gezamenlijk bedraagt:[-]Vergunninggebied Zuid-3.3: 0[-]