Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:2734

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-08-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 08-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:2734, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201905073/1/V3 en 201905079/1/V3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:2734:DOC

201905073/1/V3 en 201905079/1/V3.Datum uitspraak: 8 augustus 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:[de vreemdeling],appellant,tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 27 juni 2019 in zaken nrs. NL19.13399 en NL19.13404 in het geding tussen:de vreemdelingende staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.ProcesverloopBij besluiten van 9 mei 2019 en 7 juni 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.Bij uitspraken van 27 juni 2019 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het besluit van 9 mei 2019 niet-ontvankelijk verklaard en het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het besluit van 7 juni 2019 ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.Tegen deze uitspraken heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Wiersma, advocaat te Rotterdam, hoger beroepen ingesteld.Vervolgens is het onderzoek gesloten.OverwegingenIn het hoger beroep tegen de uitspraak in zaak nr. NL19.13399 (het besluit van 9 mei 2019)1.    Het door de vreemdeling op 11 juni 2019 ingestelde beroep is een beroep in de zin van artikel 96, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), gericht tegen het voortduren van de bewaring als bedoeld in het in hoofdstuk 5 opgenomen artikel 59. De uitspraak van de rechtbank is gedaan op dit beroep en is derhalve een uitspraak, als bedoeld in artikel 96, tweede lid, van de Vw 2000. Hiertegen staat, anders dan bij een uitspraak als vermeld in artikel 95, eerste lid, van deze wet, geen hoger beroep open bij de Afdeling.2.    De vreemdeling betoogt dat de Afdeling niettemin van het hoger beroep kennis kan nemen, omdat het recht op een effectief rechtsmiddel is geschonden. Hiertoe voert de vreemdeling aan de rechtbank ten onrechte het door hem ingestelde beroep niet inhoudelijk heeft beoordeeld.3.    Voor kennisname van een hoger beroep in weerwil van het bepaalde in artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan grond bestaan, indien sprake is van ernstige schending van de eisen van een goede procesorde, dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is.3.1.    Artikel 13 van het EVRM waarborgt het recht van een ieder op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie. Artikel 5, vierde lid, van het EVRM bepaalt dat een ieder, wie door detentie zijn vrijheid is ontnomen, het recht heeft voorziening te vragen bij een gerecht. Het EHRM heeft in onder meer Chahal tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 15 november 1996, ECLI:CE:ECHR:1996:1115JUD002241493, punt 126, overwogen dat artikel 5, vierde lid, van het EVRM, een lex specialis vormt ten opzichte van artikel 13 van het EVRM.Uit het vorenstaande volgt dat artikel 5, vierde lid, van het EVRM voor een ieder, wie door detentie zijn vrijheid is ontnomen, het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie waarborgt.Het EHRM heeft onder meer in Mooren tegen Duitsland, arrest van 9 juli 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:0709JUD001136403, punt 106, overwogen dat artikel 5, vierde lid, van het EVRM ook, nadat gebruik is gemaakt van het recht een voorziening te vragen, het recht inhoudt op een spoedige rechterlijke beslissing over de rechtmatigheid van de detentie en het opheffen van de detentie, indien deze onrechtmatig is.De in artikel 5, vierde lid, van het EVRM bedoelde rechten vloeien voort uit de constitutionele tradities die de partijen bij het EVRM gemeen hebben en zijn dus fundamentele rechtsbeginselen.3.2.    De rechtbank heeft het door de vreemdeling op 11 juni 2019 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij in de uitspraak van 15 mei 2019 de beoordeling van dit beroep heeft meegenomen.Door zo te overwegen heeft de rechtbank niet onderkend dat uit artikel 96 van de Vw 2000 ook volgt dat de vreemdeling een vervolgberoep kan instellen nadat een eerder ingesteld vervolgberoep ongegrond is verklaard. Omdat de rechtbank het eerder ingestelde vervolgberoep bij uitspraak van 15 mei 2019 ongegrond heeft verklaard, heeft zij evenmin onderkend dat het op 11 juni 2019 ingestelde beroep noodzakelijkerwijs betrekking moet hebben op het voortduren van de op 9 mei 2019 opgelegde maatregel van bewaring tussen 15 mei 2019 en 7 juni 2019.De rechtbank heeft daarom ten onrechte de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring tussen 15 mei 2019 en 7 juni 2019 niet getoetst en zo geen beslissing gegeven op het bij haar ingestelde beroep.Op deze manier heeft de rechtbank het fundamentele rechtsbeginsel van een daadwerkelijk rechtsmiddel, als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het EVRM, ernstig geschonden.De Afdeling ziet daarom aanleiding van het hoger beroep kennis te nemen, hoewel de Vw 2000 daarvoor geen grondslag biedt.4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.5.    Omdat het door de vreemdeling op 11 juni 2019 ingestelde beroep een beroep is in de zin van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000, faalt de beroepsgrond dat de staatssecretaris ten onrechte de in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 bedoelde kennisgeving niet heeft verzonden.6.    De beroepsgrond van de vreemdeling dat de maatregel van 9 mei 2019 op een verkeerde wettelijke grondslag berust, omdat hij door het indienen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd geen rechtmatig verblijf heeft gekregen, faalt.Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3998) volgt uit de punten 48 tot en met 50 van arrest van het Hof van Justitie van 26 juli 2017, Ouhrami, ECLI:EU:C:2017:590, dat het in strijd is met de Terugkeerrichtlijn dat aan een inreisverbod het gevolg wordt verbonden dat het verblijf voorafgaande aan de terugkeer onrechtmatig wordt en dat een vreemdeling als gevolg van nationaalrechtelijke bepalingen geen rechtmatig verblijf kan hebben wegens de enkele omstandigheid dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd.Op grond van wat in deze uitspraak is overwogen, staat het bij besluit van 22 oktober 2013 uitgevaardigde inreisverbod voor de duur van tien jaar daarom niet aan de weg aan het verkrijgen van rechtmatig verblijf door het indienen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op 8 mei 2019 (artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000). De bewaring heeft daarom vanaf 9 mei 2019 terecht krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 voortgeduurd.7.    De rechtbank heeft in de uitspraak van 15 mei 2019 in zaak nr. NL19.10048 geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko niet ontbreekt. De vreemdeling heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit moet worden afgeleid dat dit oordeel voor de periode tussen 15 mei 2019 en 7 juni 2019 niet meer kan worden gehandhaafd. De beroepsgrond van de vreemdeling dat zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt faalt daarom.8.    Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.In het hoger beroep tegen de uitspraak in zaak nr. NL19.13404 (het besluit van 7 juni 2019)9.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).10.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep gegrond;II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 27 juni 2019 in zaak nr. NL19.13399;III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;IV.    bevestigt de uitspraak in zaak nr. NL19.13404.Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.w.g. Steendijk    w.g. Van de Kolkvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2019347.