Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:2730

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-08-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 09-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:2730, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201905475/1/V2 en 201905475/2/V2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:2730:DOC

201905475/1/V2 en 201905475/2/V2.Datum uitspraak: 9 augustus 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), op het hoger beroep van:[de vreemdeling],appellant,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 juli 2019 in zaak nr. NL19.9019 in het geding tussen:de vreemdelingende staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.ProcesverloopBij besluit van 14 april 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.Bij uitspraak van 17 juli 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R. Roelofsen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.Vervolgens is het onderzoek gesloten.Overwegingen1.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).2.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.BeslissingDe voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;II.    wijst het verzoek af.Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Fernandez, griffier.w.g. Bijloos    w.g. Fernandezvoorzieningenrechter    griffierUitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2019753.