Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:2724

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-08-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 08-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:2724, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201905573/1/A1 en 201905573/2/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:2724:DOC

201905573/1/A1 en 201905573/2/A1.Datum uitspraak: 8 augustus 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de voorzieningenrechter) op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het verzoek van:[appellant] en anderen, allen wonend te Rotterdam,om herziening (artikel 8:119 van de Awb) van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2281.ProcesverloopBij uitspraak van 5 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2281, heeft de voorzieningenrechter de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2019 bevestigd, het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) van 14 juni 2019 ongegrond verklaard en het verzoek van [appellant] en anderen om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.[appellant] en anderen hebben de Afdeling bij brief van 23 juli 2019 verzocht die uitspraak te herzien.[appellant] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 augustus 2019, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant] en [gemachtigde A], en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J.J. van der Vlist en mr. P.J. Dudok, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Nederlandse Bouwunie B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde B], gehoord.Overwegingen1.    Bij besluit van 12 maart 2018 heeft het college aan Nederlandse Bouwunie een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een bouwproject ter plaatse van de Leendert Butterstraat te Rotterdam. Het project voorziet in de bouw van 54 woningen en de aanleg van 114 parkeerplaatsen waarvan een deel is gelegen in een parkeerkelder. Daarnaast voorziet het bouwplan in de realisering van twee ruimtes waarvan er één is bestemd voor de trafo en de andere voor de stadsverwarming. [appellant] en anderen wonen in de buurt van het bouwplan. Zij vrezen voor een verslechtering van hun woon- en leefklimaat als gevolg van het bouwplan.Nadat het college het bezwaar van [appellant] en anderen tegen het besluit van 12 maart 2018 ongegrond heeft verklaard, heeft de rechtbank het vervolgens door hen ingestelde beroep eveneens ongegrond verklaard. Vervolgens heeft het college bij besluit van 14 juni 2019 op verzoek van Nederlandse Bouwunie besloten tot gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning (hierna: het intrekkingsbesluit). Deze intrekking betreft de realisering van de trafo en stadsverwarming. In de uitspraak van 5 juli 2019 is opgenomen dat de reden voor het verzoek om intrekking is dat [appellant] en anderen in hoger beroep gronden hebben ingediend tegen de realisering van de trafo en de stadverwarming. Verder is vermeld dat Nederlandse Bouwunie ter zitting heeft toegelicht dat de trafo en de stadsverwarming wel zullen worden gerealiseerd, maar dat de locatie nu onzeker is. Het verzoek om intrekking is door het college gehonoreerd, omdat dit deel van het bouwplan niet onlosmakelijk verbonden is met de rest van het bouwplan en er als gevolg van de wijziging geen nadelige gevolgen zijn. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 5 juli 2019 overwogen dat het bouwplan kan worden gesplitst, dat [appellant] en anderen tevergeefs betogen dat het college niet in redelijkheid de omgevingsvergunning mocht intrekken en dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat het college met de intrekking misbruik maakt van zijn bevoegdheid. De voorzieningenrechter is om die reden niet toegekomen aan de beoordeling of de omgevingsvergunning wat betreft de trafo en de stadsverwarming in strijd is het bestemmingsplan. In de uitspraak van 5 juli 2019 heeft de voorzieningenrechter de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het beroep tegen het intrekkingsbesluit ongegrond verklaard.2.    [appellant] en anderen hebben de Afdeling verzocht om de uitspraak van 5 juli 2019 te herzien. Zij voeren aan dat de voorzieningenrechter in die uitspraak ten onrechte direct uitspraak heeft gedaan op het door hen ingestelde hoger beroep. Omdat het intrekkingsbesluit pas op 15 juli 2019 is gepubliceerd, kon ten tijde van de uitspraak van 5 juli 2019 niet worden uitgesloten dat derden rechtsmiddelen zouden aanwenden tegen het intrekkingsbesluit, hetgeen inmiddels ook daadwerkelijk is gebeurd. Onder die omstandigheden heeft de voorzieningenrechter niet mogen overgaan tot kortsluiting, aldus [appellant] en anderen. Zij voeren daarnaast aan dat in de uitspraak van 5 juli 2019 ten onrechte niet is ingegaan op de door hen op 1 juli 2019 ingediende gronden tegen het intrekkingsbesluit.3.    [appellant] en anderen hebben de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, omdat op korte termijn met de bouwwerkzaamheden wordt gestart en zij dat willen voorkomen.4.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.5.    Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb luidt: "De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, enc. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden."6.    Het bijzondere rechtsmiddel herziening dient er niet toe om een geschil waarin is beslist, naar aanleiding van de uitspraak opnieuw aan de rechter voor te leggen.7.    De argumenten die [appellant] en anderen aanvoeren ter onderbouwing van hun herzieningsverzoek voldoen niet aan de criteria die daarvoor ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Awb gelden. De Afdeling zal dat hierna uitleggen.Voorop wordt gesteld dat uit artikel 3:40 gelezen in verbinding met artikel 3:41, eerste lid, van de Awb volgt dat het intrekkingsbesluit in werking treedt door bekendmaking daarvan aan de aanvrager. Omdat het besluit van 14 juni 2019 op die datum is verzonden aan Nederlandse Bouwunie als de aanvrager, is het intrekkingsbesluit op die datum in werking getreden. Dat het intrekkingsbesluit ten tijde van de uitspraak van 5 juli 2019 nog niet onherroepelijk was, is geen feit als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb en kan daarom niet leiden tot herziening. [appellant] en anderen hadden namelijk ter zitting van de voorzieningenrechter op 20 juni 2019 kunnen aanvoeren dat het besluit van 14 juni 2019 nog niet was gepubliceerd en dus nog niet onherroepelijk was. Tijdens de zitting van 20 juni 2019 had hen redelijkerwijs bekend kunnen zijn dat het intrekkingsbesluit nog niet was gepubliceerd. De stelling van [appellant] en anderen dat zij ervan uit mochten gaan dat het intrekkingsbesluit op of kort na 14 juni 2019 zou zijn gepubliceerd, wordt niet gevolgd. Het lag op de weg van [appellant] en anderen om dat desgewenst te controleren. Daargelaten of de voorzieningenrechter een andere uitspraak zou hebben gedaan als hem op de zitting van 20 juni 2019 uitdrukkelijk was meegedeeld dat het intrekkingsbesluit nog niet was gepubliceerd, vormt dit argument daarom geen reden voor herziening van de uitspraak van 5 juli 2019.De stelling van [appellant] en anderen dat de voorzieningenrechter hen bij brief van 19 juni 2019 wel in de gelegenheid heeft gesteld om gronden in te dienen tegen het intrekkingsbesluit, maar vervolgens in de uitspraak van 5 juli 2019 niet op de door hen op 1 juli 2019 ingediende gronden is ingegaan, kan evenmin leiden tot herziening van de uitspraak van 5 juli 2019. De door [appellant] en anderen ingediende gronden zijn op 1 juli 2019 bij de Afdeling ingekomen en waren ten tijde van de uitspraak van 5 juli 2019 dus bij de voorzieningenrechter bekend. Daarbij komt dat in het stuk van 1 juli 2019 is aangevoerd dat splitsing van het bouwplan niet mogelijk is, dat het college misbruik maakt van zijn bevoegdheid en dat wordt gehandeld in strijd met de aanbestedingsregels en ontwikkelovereenkomst. In de uitspraak van 5 juli 2019 is de voorzieningenrechter onder 13.1 en 15.1 ingegaan op deze gronden.8.    Uit het voorgaande volgt dat hetgeen [appellant] en anderen aanvoeren geen feiten of omstandigheden oplevert als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter zal het verzoek om herziening daarom afwijzen.Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    wijst het verzoek om herziening af;II.    wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Duifhuizen, griffier.w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Duifhuizenvoorzieningenrechter    griffierUitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2019724.