Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:2714

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-08-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 07-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:2714, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201807427/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:2714:DOC

201807427/1/A1.Datum uitspraak: 7 augustus 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:Fietsersbond, gevestigd te Utrecht, en Stichting Wandelnet, gevestigd te Amersfoort,appellanten,tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 25 juli 2018 in zaak nr. 17/5422 in het geding tussen:Fietsersbond en Wandelnetenhet college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal.ProcesverloopBij besluit van 10 mei 2017 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een erfafscheiding/schuifhek nabij het perceel [locatie] te Aerdenhout, gemeente Bloemendaal.Bij besluit van 31 oktober 2017 heeft het college het door Fietsersbond en Wandelnet daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 10 mei 2017 in stand gehouden.Bij uitspraak van 25 juli 2018 heeft de rechtbank het door Fietsersbond en Wandelnet daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak hebben Fietsersbond en Wandelnet hoger beroep ingesteld.Het college en [vergunninghouder] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2019, waar Fietsersbond en Wandelnet, vertegenwoordigd door [gemachtigden A], vergezeld door [gemachtigde B], en het college, vertegenwoordigd door mr. V.H.P.J. Lückers, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder], vergezeld door [gemachtigde C], als partij gehoord.Overwegingen    Inleiding1.    [vergunninghouder] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een erfafscheiding/schuifhek (hierna te noemen: erfafscheiding) van 1,50 m hoog op de Boekenroodeweg, zodat mensen niet langer de daarachter gelegen percelen die mede zijn eigendom zijn, kunnen betreden. Ter plaatse van de erfafscheiding gelden ingevolge het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2013" twee bestemmingen. Ter plaatse van de bevestigingspalen van het hekwerk geldt de bestemming "Agrarisch met waarden - natuur - en landschap" en daar tussenin, daar waar het hekwerk zich bevindt indien de erfafscheiding is gesloten, de bestemming "Verkeer". Het bouwplan is volgens het college in strijd met bestemmingsplan, omdat de erfafscheiding de ingevolge de beide bestemmingen maximaal toegestane bouwhoogte met 30 cm overschrijdt. Het college heeft om deze strijdigheid op te heffen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in samenhang gelezen met artikel 4, aanhef en onder 3, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) omgevingsvergunning verleend. In zijn in bezwaar gehandhaafde omgevingsvergunning heeft het college overwogen dat het belang van de eigenaren van de percelen om de weg af te sluiten zwaarder weegt dan de belangen van de Fietsersbond en Wandelnet. Daarbij heeft het betrokken dat geen sprake is van een openbare weg, de weg geen officiële wandel- of fietsroute is, eigenaren het recht hebben om hun eigendom af te sluiten en dat volgens het Team Ruimtelijke Ordening van de gemeente Bloemendaal wordt geadviseerd de bestemming Verkeer in een toekomstig bestemmingsplan te wijzigen in de bestemming Tuin op grond waarvan hekwerken van 1,50 m mogelijk zijn. De rechtbank heeft overwogen dat de erfafscheiding moet worden aangemerkt als een bouwwerk, geen gebouw zijnde en in zoverre in overeenstemming is met de bestemming "Verkeer". De rechtbank heeft dit motiveringsgebrek gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en heeft het beroep van Fietsersbond en Wandelnet ongegrond verklaard.    Fietsersbond en Wandelnet zijn het niet eens met de uitspraak van de rechtbank, omdat de omgevingsvergunning invloed heeft op het verloop van fiets- en wandelroutes en daarmee de belangen van wandelaars en fietsers raakt.2.    De regelgeving die ten grondslag ligt aan de hierna volgende overwegingen, en die daarin niet is weergegeven, is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.Hoger beroep3.    Fietsersbond en Wandelnet betogen dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op hun beroepsgrond dat alleen het geldende bestemmingsplan relevant is voor de beoordeling van het bouwplan. Volgens Fietsersbond en Wandelnet heeft het college ten onrechte betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de bouwhoogte van de erfafscheiding in overeenstemming is met de bouwregels van de bestemming "Tuin" van het bestemmingsplan en aan het advies van het Team Ruimtelijke Ordening dat het voor de hand ligt om het perceel in een toekomstig bestemmingsplan die bestemming te geven.    Daarnaast voeren Fietsersbond en Wandelnet aan dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op hun beroepsgrond dat het plaatsen van de erfafscheiding tot gevolg heeft dat de aan het perceel toegekende bestemming "Verkeer" niet meer kan worden verwezenlijkt, wat volgens hen in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.3.1.    Fietsersbond en Wandelnet betogen terecht dat de rechtbank niet op deze beroepsgronden is ingegaan, maar dit kan niet leiden tot de vernietiging van de aangevallen uitspraak. Hiertoe wordt als volgt overwogen.3.2.    Zoals volgt uit het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, kan de omgevingsvergunning bij toepassing van artikel 4, aanhef en onder 3, van bijlage II van het Bor slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast geldt dat het college bij zijn besluitvorming over een aanvraag als hier aan de orde beleidsruimte heeft. Dat betekent dat het college, indien de activiteit niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening is, de keuze heeft om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. De rechter toetst of het college bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.3.3.    Het college heeft zich, onder verwijzing naar adviezen van het Team Ruimtelijke Ordening en het Team Verkeer van de afdeling Beleid van de gemeente Bloemendaal, op het standpunt gesteld dat de aangevraagde erfafscheiding niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij heeft het college van belang geacht dat een aanpassing van de bestemming "Verkeer" naar "Tuin" op het perceel op zijn plaats is, omdat de weg particulier eigendom is. Binnen de bestemming "Tuin" is een erfafscheiding met een bouwhoogte van 1,50 m toegestaan. Daarnaast heeft het college van belang geacht dat op de weg aan de andere zijde van het perceel op het grondgebied van de gemeente Heemstede ook een hekwerk staat en dat er vanuit verkeersoogpunt geen bezwaar bestaat tegen de erfafscheiding.    Anders dan Fietsersbond en Wandelnet aanvoeren, mag het college bij de afweging of er een omgevingsvergunning voor strijdig gebruik kan worden verleend en of de afwijking ruimtelijk aanvaardbaar is, betrekken dat er in de toekomst wellicht een andere bestemming op het perceel komt te rusten. Verder bestaat in hetgeen Fietsersbond en Wandelnet aanvoeren geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt mocht stellen dat de erfafscheiding niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening is. Dat de bestemming "Verkeer" niet meer kan worden verwezenlijkt is inherent aan het afwijken van de doeleindenomschrijving van de planregel en op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo toegestaan. Voorts heeft het college bij het afwegen van de betrokken belangen het belang van [vergunninghouder] om onder meer zijn eigendom af te sluiten zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van wandelaars en fietsers om gebruik te maken van de weg.    Het betoog faalt.4.    Fietsersbond en Wandelnet betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat wat zij hebben aangevoerd met betrekking tot de activiteit gebruik in strijd met het bestemmingsplan alleen ziet op de erfafscheiding voor zover die gelegen is in de bestemming "Verkeer". Zij voeren aan dat uit het beroepschrift blijkt dat de beroepsgronden ook zijn gericht tegen het gebruik van de erfafscheiding op de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarde - Natuur- en landschap". Het college heeft volgens Fietsersbond en Wandelnet niet gemotiveerd waarom het is afgeweken van de planregels van die bestemming. Dat heeft de rechtbank miskend, aldus Fietsersbond en Wandelnet.4.1.    Fietsersbond en Wandelnet voeren terecht aan dat de rechtbank hun beroepsgrond ten onrechte beperkt heeft tot het strijdig gebruik met de bestemming "Verkeer". In hun beroepschrift staat dat het college niet heeft gemotiveerd waarom het een omgevingsvergunning voor het afwijken van de toegestane bouwhoogte voor erfafscheidingen verleent, voor zover het de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschap" betreft. Het betoog leidt echter niet tot het daarmee door hen beoogde doel. Hiertoe overweegt de Afdeling als volgt.4.2.    Zoals onder 3.3 is overwogen, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat de erfafscheiding ruimtelijk aanvaardbaar is en dat daarvoor een omgevingsvergunning voor strijdig gebruik kan worden verleend. Het college heeft bij het afwegen van de betrokken belangen het belang van [vergunninghouder] zwaarder kunnen laten wegen dat het belang van wandelaars en fietsers. Voor het afwijken van de bestemming "Agrarisch met waarde - Natuur- en landschap" is geen aanvullende motivering nodig ten opzichte van de al gegeven motivering voor het afwijken van de bestemming "Verkeer".    Het betoog faalt.5.    Voor zover Fietsersbond en Wandelnet betogen dat de rechtbank ten onrechte niet zelf in de zaak heeft voorzien door een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, overweegt de Afdeling als volgt. Ongeacht of het bouwwerk moet worden gekwalificeerd als een erfafscheiding dan wel een bouwwerk, geen gebouw zijnde, heeft het college een omgevingsvergunning kunnen en ook mogen verlenen voor het bouwwerk. Er bestond voor de rechtbank geen aanleiding om op grond van het vermelden van een onjuiste kwalificatie van het bouwwerk de omgevingsvergunning te vernietigen.Conclusie6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.w.g. Steendijklid van de enkelvoudige kamer    De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2019414-884. BIJLAGE Bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2013"Artikel 5 Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapArtikel 5.1 luidt:"De voor 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschap' aangewezen gronden zijn bestemd voor:a. grasland;b. de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van een akkerbouw/veeteeltbedrijf, met  uitzondering van een intensieve veehouderij en bollenteelt;c. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden van  de gronden;d. de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van een kwekerij, ter plaatse van de aanduiding  'specifieke vorm van agrarisch - kwekerij';e. een paardenbak, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardenbak';f. een pensionstalling, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - pensionstalling';g. één bedrijfswoning, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';h. een parkeerterrein, ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein';i. bestaande vergunde paardenbakken;j. bestaande vergunde nevenactiviteiten, zoals bedoeld in 5.6;met daarbij behorende:k. openbare nutsvoorzieningen;l. (extensief) recreatief medegebruik;m. infrastructurele voorzieningen;n. wegen en paden;o. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;p. tuinen, terreinen en erven;"Artikel 5.2.3 luidt:"Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:a.  de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 1,20 meter bedragen;[…]."Artikel 20 VerkeerArtikel 20.2.2 luidt:"Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:[…];d.  de bouwhoogte van erfafscheidingen mag ten hoogste 1,20 meter bedragen;e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 5 meter  bedragen."Wet algemene bepalingen omgevingsrechtArtikel 2.1 luidt:"1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:a. het bouwen van een bouwwerk,[…],c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,[…]."Artikel 2.12 luidt:"1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;[…]."Bijlage II van het Besluit omgevingsrechtArtikel 4 luidt:"Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:[…];3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:a. niet hoger dan 10 m, enb. de oppervlakte niet meer dan 50 m²;[…]."