Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:2707

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-08-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 07-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:2707, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201808596/1/A2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:2707:DOC

201808596/1/A2.Datum uitspraak: 7 augustus 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellante], wonend te [woonplaats],appellante,tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 september 2018 in zaak nr. 18/699 in het geding tussen:[appellante]ende Belastingdienst/Toeslagen.ProcesverloopBij besluiten van 30 augustus en 21 september 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellante] over 2017 stopgezet en het aan haar over 2017 verleende voorschot op nihil gesteld.Bij besluit van 12 februari 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 14 september 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.[appellante] heeft een nader stuk ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2019, waar [appellante], bijgestaan door mr. J.J.C.M. Rouws, advocaat te 's-Hertogenbosch, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.Overwegingen1.    [appellante] huurt haar woning van de Coöperatie Ecodorp Boekel (hierna: de Coöperatie), die blijkens de statuten het realiseren, doen bloeien en onderhouden van een duurzame en innovatieve, zoveel mogelijk zelfvoorzienende woon-, werk en leeromgeving in de vorm van een ecodorp als doel heeft. De coöperatie wil een woonwijk realiseren van uiteindelijk circa 30 woningen.[appellante] heeft een voorschot huurtoeslag over 2017 aangevraagd en ontvangen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft dit voorschot over 2017 later echter op nihil gesteld, omdat [appellante] lid en daarmee mede-eigenaar is van de Coöperatie waarvan zij haar woning huurt. Bovendien is zij bestuurder van de Coöperatie. Om die reden heeft zij volgens de dienst geen recht op huurtoeslag. Nu zij haar huurprijs kan beïnvloeden, kan zij niet worden aangemerkt als huurder, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.2.    De rechtbank heeft overwogen dat [appellante] als lid en bestuurder van de Coöperatie mede-eigenaar van de woning is en dus mede krachtens een andere hoedanigheid dan die van huurder in het genot van de woning is. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] geen huurder is in de zin van de Wet op de huurtoeslag (hierna: de Wht) en heeft terecht besloten dat [appellante] niet voor huurtoeslag in aanmerking komt. Dat [appellante] slechts minimale invloed op de huurprijs kan uitoefenen en in de praktijk die invloed nooit aanwendt, kan daar niet aan afdoen. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling overweegt de rechtbank dat het voldoende is dat de huurder invloed op de hoogte van de huurprijs kan uitoefenen. Het bestaan van een familierelatie is geen onderscheidend criterium, aldus de rechtbank.3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij geen mede-eigenaar is van de gehuurde woning. De Belastingdienst/Toeslagen heeft ook erkend dat hij dit ten onrechte aan zijn besluit op bezwaar ten grondslag heeft gelegd. Voorts betoogt zij dat, hoewel zij lid is van de Coöperatie, haar invloed op de huurprijs vrijwel nihil is. Er moet sprake zijn van invloed in voldoende mate, waarbij het uitdrukkelijk gevaar aanwezig is van dusdanige invloed op de huurprijs, dat daarmee oneigenlijk gebruik dan wel misbruik wordt gemaakt van het recht op huurtoeslag. In eerdere zaken waar deze vraag speelde, was sprake van een familierelatie tussen huurder en verhuurder. Dat is hier niet het geval, aldus [appellante].3.1.    Ter zitting is gebleken dat de Belastingdienst/Toeslagen zich niet langer op het standpunt stelt dat [appellante] mede-eigenaar is van de woning, maar haar enkel nog tegenwerpt dat zij als lid van de Coöperatie invloed kan uitoefenen op de hoogte van de huurprijs en daarom niet als huurder in de zin van artikel 1 van de Wht kan worden aangemerkt.3.2.    Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie de uitspraak van 14 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1136, en de uitspraak van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2366) volgt dat de betekenis van de term huurder in artikel 1, aanhef en onder c, sub 1, van de Wht gelijk is aan die van die term in de Huursubsidiewet die aan de Wht voorafging. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de bepaling (Kamerstukken II 1996/1997, 25 090, nr. 3, blz. 28) volgt dat bedoeld is dat alleen huurder in de zin van de wet is, diegene die uitsluitend als huurder en niet mede krachtens enige andere hoedanigheid in het genot van de woning is. Zo heeft een eigenaar of mede-eigenaar van de woning geen aanspraak op huursubsidie. De reden daarvoor is dat de aanvrager niet op de een of andere manier invloed op de huurprijs mag kunnen uitoefenen, zo volgt uit die geschiedenis.3.3.    Uit de huurovereenkomst tussen [appellante] en de Coöperatie volgt dat het lidmaatschap van de Coöperatie een voorwaarde is om een woning bij de Coöperatie te kunnen huren. [appellante] heeft aan deze voorwaarde voldaan en is lid geworden van de Coöperatie. In de huurovereenkomst is tevens opgenomen dat de huurprijs kan worden aangepast na een besluit hierover in de algemene ledenvergadering (ALV). Ter zitting heeft [appellante] toegelicht dat de ALV besluit over de huurprijs. Hoewel hierdoor niet is uitgesloten dat [appellante], als lid van de Coöperatie, tijdens zo'n ALV enige invloed kan uitoefenen op de huurprijs, kan zij die prijs niet eenzijdig wijzigen en kan zij in het licht van het aantal leden van de Coöperatie evenmin invloed van enige betekenis uitoefenen op de hoogte van de huurprijs. Gelet hierop is niet gebleken dat [appellante] krachtens een andere hoedanigheid dan die van huurder in het genot van de woning is, of dat zij op een andere manier invloed heeft kunnen uitoefenen op de huurprijs. Dat betekent dat zij als huurder in de zin van artikel 1 van de Wht kan worden aangemerkt.Het betoog slaagt.4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellante] gegrond verklaren, het besluit van 12 februari 2018 vernietigen en de Belastingdienst/Toeslagen opdragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen over de huurtoeslag van [appellante] voor 2017. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het door de Belastingdienst/Toeslagen te nemen nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.5.    De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep gegrond;II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 september 2018 in zaak nr. 18/699;III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;IV.    vernietigt het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 12 februari 2018, kenmerk […];V.    draagt de Belastingdienst/Toeslagen op om binnen 6 weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en dit besluit bekend te maken;VI.    bepaalt dat tegen het door de Belastingdienst/Toeslagen te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;VII.    veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.048,00 (zegge: tweeduizend achtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;VIII.    gelast dat Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 172,00 (zegge: honderdtweeënzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Van Dokkumvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2019480-882.