Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:2696

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-08-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 07-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:2696, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201809291/1/A2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:2696:DOC

201809291/1/A2.Datum uitspraak: 7 augustus 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellante], wonend te [woonplaats],tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 oktober 2018 in zaak nr. 18/2203 in het geding tussen:[appellante]enhet bestuur van de raad voor rechtsbijstand.ProcesverloopBij besluit van 1 september 2017 heeft de raad een aan [appellante] verleende toevoeging ingetrokken.Bij besluit van 12 maart 2018 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 16 oktober 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juli 2019, waar [appellante], bijgestaan door mr. M.J.A. Rinkes, advocaat te Arnhem, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, zijn verschenen.OverwegingenInleiding1.    De raad heeft [appellante] in 2012 een toevoeging verleend voor de afwikkeling van de boedelscheiding van haar toenmalig echtgenoot. De raad heeft de toevoeging ingetrokken met toepassing van artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb), omdat het resultaat van de procedure voor [appellante] volgens hem meer bedraagt dan de helft van het heffingsvrij vermogen. Het gevolg van het intrekken van een toevoeging is dat de advocaat de kosten voor de werkzaamheden die hij onder die toevoeging heeft verricht in beginsel volgens zijn gebruikelijke uurtarief in rekening kan brengen bij [appellante]. [appellante] meent dat de toevoeging ten onrechte is ingetrokken omdat het resultaat van de procedure onjuist is bepaald.2.    [appellante] heeft de toevoeging gekregen voor de behandeling van het hoger beroep over de boedelscheiding als gevolg van echtscheiding. De procedure zag hoofdzakelijk op de verkoop van de echtelijke woning. Bij tussenarrest van 15 oktober 2013 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie heeft geleid tot een vaststellingsovereenkomst die is neergelegd in het proces-verbaal van de zitting van 27 januari 2014. Daarmee zijn bijna alle geschilpunten minnelijk opgelost. Bij arrest van 25 maart 2014 heeft het gerechtshof de resterende punten beslecht. Volgens de raad is het resultaat van de vorderingen over en weer voor [appellante] € 30.701,07.3.    Volgens [appellante] heeft het hoger beroep bij het gerechtshof niet geleid tot resultaat, omdat de in de vaststellingsovereenkomst neergelegde afspraken niet hebben geleid tot verkoop van de woning. Nadien hebben opnieuw procedures plaatsgevonden over de verkoop van de woning. Deze procedures hebben uiteindelijk tot verkoop van de woning geleid, maar de ingetrokken toevoeging was niet voor deze procedures verleend, aldus [appellante].Aangevallen uitspraak4.    De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 20 februari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ1636) en 4 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2018) overwogen dat voor het antwoord op de vraag of een verleende toevoeging met terugwerkende kracht moet worden ingetrokken alleen het resultaat van de zaak waarvoor een toevoeging is verleend van belang is. Dat volgt volgens de rechtbank eveneens uit de Werkinstructie Resultaatbeoordeling, waarin is vermeld dat een directe relatie moet bestaan tussen de rechtsbijstand en de opbrengst. [appellante] en haar ex-man hebben in de vaststellingsovereenkomst van 27 januari 2014 op een aantal punten overeenstemming bereikt en op de overige punten heeft het gerechtshof op 25 maart 2014 arrest gewezen. Hiertegen hebben zij geen rechtsmiddelen aangewend, zodat de procedure definitief is beëindigd en het resultaat ervan kan worden bepaald. Dat de nadien ontstane discussie tot andere procedures heeft geleid doet daaraan niet af, omdat dit op zichzelf staande procedures zijn die geen invloed hebben op de beëindigde procedure, aldus de rechtbank.    De rechtbank is voorbijgegaan aan het betoog van [appellante] dat de resultaatsberekening onjuist is. Ook de volgens haar juiste berekening leidt tot een resultaat dat hoger is dan de helft van het heffingsvrij vermogen. Dat heeft [appellante] ter zitting ook erkend. Wat er ook zij van de berekening van [appellante], zou ook op grond daarvan vaststaan dat de toevoeging moeten worden ingetrokken, aldus de rechtbank.Hoger beroep5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de procedure waarvoor de toevoeging was verleend, niet heeft geleid tot het gestelde resultaat. Alleen de latere procedures over de verkoop van de woning hebben uiteindelijk tot de verkoop geleid. Voor zover het resultaat al moet worden toegerekend aan de procedure waarvoor de toevoeging was verleend, geldt dat het onevenredig bezwarend is om de toevoeging in te trekken. Het resultaat is volgens [appellante] € 11.130,01 en dat is slechts € 560,51 meer dan de helft van het heffingsvrij vermogen. Als bovendien een schuld van € 4.103,04 in aanmerking wordt genomen, ligt het resultaat ruimschoots onder de resultaatsgrens.    Gevoerde procedures over de verkoop van de woning5.1.    De raad heeft [appellante] de toevoeging verstrekt voor het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Arnhem van 13 juni 2012, waarbij de rechtbank de boedelverdeling heeft uitgesproken. In het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 27 januari 2014 zijn afspraken gemaakt tussen [appellante] en de man over de verkoop van de woning. De woning zal in 2014 worden verkocht, waarbij een bodemprijs geldt van € 350.000,00. Een makelaar zal de vraagprijs bepalen en de woning verkopen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 25 maart 2014 arrest gewezen voor enkele resterende geschilpunten, die thans niet van belang zijn.    Uit het dossier volgt dat nadien een impasse is ontstaan over de vraagprijs van de woning en dat de makelaar de verkoopopdracht heeft teruggegeven. Daarom heeft de ex-man in kort geding gevorderd om hem te machtigen om alles te doen om de woning te verkopen, en hem vervangende instemming te verlenen als [appellante] verdere medewerking aan de verkoop of het transport weigert. De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen bij vonnis van 10 juli 2014 toegewezen. De voorzieningenrechter heeft de vordering om de overeengekomen bodemprijs van € 350.000,00 te verlagen, afgewezen. Partijen beoogden om de woning voor het einde van 2014 te verkopen en het einde van die termijn was nog niet in zicht.    Het gerechtshof heeft bij arrest in kort geding van 28 april 2015 overwogen dat het geraden voorkomt om de aan de ex-man verleende machtiging in stand te laten. Gebleken is dat de overeengekomen bodemprijs van € 350.000,00 belemmerend werkt en niet reëel is. Daarom dient de machtiging zo te worden gewijzigd dat geen bodemprijs meer geldt. Daartoe heeft het gerechtshof het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd, de machtiging opnieuw uitgesproken, bepaald dat de ex-man een makelaar opdracht geeft om de woning zonder ruggespraak en voor een reële prijs te verkopen, en bepaald dat het arrest zo nodig in de plaats treedt van een door [appellante] ondertekende akte tot verkoop en notarieel transport van de woning.    De woning is uiteindelijk verkocht voor € 345.000,00.    In aanmerking te nemen procedure en resultaat5.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3322), volgt uit artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb en zijn totstandkomingsgeschiedenis (Kamerstukken II, 2003/04, 29 685, nr. 3, blz. 22-23) dat voor het antwoord op de vraag of een verleende toevoeging met terugwerkende kracht moet worden ingetrokken, alleen het resultaat van de zaak waarvoor de toevoeging is verleend, van belang is. Daarbij dient er een directe relatie te bestaan tussen de uitkomst van de zaak en de verleende rechtsbijstand.5.3.    De procedure waarvoor de toevoeging is verleend, heeft geleid tot de vaststellingsovereenkomst van 27 januari 2014 en is geëindigd met het arrest van 25 maart 2014. [appellante] en haar ex-man hebben daartegen namelijk geen rechtsmiddelen aangewend. De procedures die zich nadien hebben voorgedaan zijn te onderscheiden procedures, waarbij het voeren van verweer tegen de eis van de ex-man bovendien een ander rechtsbelang betreft dan de boedelverdeling waarvoor de raad de ingetrokken toevoeging heeft verstrekt (vergelijk ow. 10.2 van de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3322). Dat betekent dat het resultaat van de procedure mede moet worden bepaald aan de hand van de vaststellingsovereenkomst.5.4.    Voor het bepalen van het resultaat is niet van belang of de woning ten tijde van het einde van de procedure al te gelde was gemaakt en dus in financiële zin daadwerkelijk tot resultaat heeft geleid. Bij een boedelverdeling na echtscheiding zal dat in de regel niet het geval zijn. De raad hanteert voor het bepalen van het resultaat het beleid neergelegd in de Werkinstructie Resultaatsbeoordeling. Daarin is vermeld dat als partijen zich hebben verplicht de woning te gaan verkopen, maar deze op het moment van de resultaatsbeoordeling nog niet is verkocht, de hoogte wordt geschat. Daarbij wordt rekening gehouden met de woningmarkt, vraagprijs, taxatie en WOZ-waarde. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.5.5.    Het voorgaande betekent dat de raad de overeengekomen verkoop en de daarbij geldende bodemprijs van de woning terecht heeft gerekend tot het resultaat van de procedure waarvoor de toevoeging was verstrekt. Ter zitting heeft [appellante] erop gewezen dat de raad in bezwaar de op dat moment gerealiseerde verkoopprijs van € 345.000,00 in aanmerking heeft genomen. Naar het oordeel van de Afdeling is dat in overeenstemming met de volledige heroverweging die op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient plaats te vinden en het in de Werkinstructie Resultaatsbeoordeling neergelegde beleid.5.6.    [appellante] heeft in hoger beroep verklaard dat zij in beroep per abuis heeft erkend dat het resultaat van de procedure ook volgens haar eigen berekening boven de resultaatsgrens ligt. Dat berustte volgens haar op een rekenfout. Wat daar ook van zij, aan de berekening van [appellante] komt niet het gewicht toe dat zij daaraan gehecht wenst te zien. Onderdeel daarvan is de door [appellante] aan haar ex-man te betalen gebruikersvergoeding voor de woning van € 11.708,32, die volgens haar met het resultaat moet worden verrekend. Daargelaten dat ook dat bedrag is gebaseerd op een rekenfout, omdat de som van de door haar genoemde bedragen € 10.495,82 bedraagt, heeft de raad er terecht op gewezen dat de vergoeding verschuldigd is over de periode na de echtscheiding. De gebruikersvergoeding is dan ook een privé-schuld van [appellante] aan haar ex-man die losstaat van de boedelverdeling. De vergoeding kan daarom niet worden betrokken bij het bepalen van het resultaat van de procedure waarvoor de toevoeging is verleend. Als de vergoeding buiten beschouwing wordt gelaten bij de resultaatberekening van [appellante], wordt reeds hiermee de resultaatsgrens overschreden. De overige posten van haar berekening behoeven daarom geen bespreking.    Zwaarwegende omstandigheden5.7.    Op grond van artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb dient van intrekking van de toevoeging te worden afgezien als zwaarwegende omstandigheden zich tegen intrekking verzetten. De raad heeft het hierbij gevoegde beleid neergelegd in de Werkinstructie Zwaarwegende omstandigheden. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1841, zijn de in aanmerking te nemen omstandigheden niet beperkt tot die omstandigheden die in de werkinstructie als zwaarwegend zijn aangemerkt.5.8.    [appellante] heeft er slechts op gewezen dat het resultaat volgens haar berekening € 560,51 hoger is dan het drempelbedrag. Zoals vermeld kan zij niet in haar berekening van het resultaat worden gevolgd. Reeds daarom is geen sprake van een zwaarwegende omstandigheid die zich tegen intrekking van de toevoeging verzet.    Conclusie5.9.    Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad de toevoeging terecht heeft ingetrokken.    Het betoog faalt.Slotsom6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier.w.g. Slump    w.g. Baartlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2019799. BIJLAGE Wet op de rechtsbijstandArtikel 34g1.     Tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten, wordt de toevoeging met terugwerkende kracht ingetrokken, indien:  a. […]  b. op het moment van de definitieve afhandeling van de zaak waarvoor die toevoeging was verleend de rechtzoekende als resultaat van die zaak een vordering met betrekking tot een geldsom ter hoogte van tenminste 50% van het heffingvrij vermogen heeft.[…]Werkinstructie Resultaatsbeoordeling[…]Het resultaat is onafhankelijk van oorsprong, rechtstitel of bestemming van de opbrengst. Als resultaat van de zaak telt onder meer mee:[…]- bij echtscheiding: opbrengst van de verkoop van de woning, ook als de woning al tijdens de echtscheidingsprocedure is verkocht;[…]Als partijen zich verplicht hebben hun woning te (gaan) verkopen, maar deze is op moment van beoordeling van het resultaat nog niet verkocht, dan schat je de hoogte van de vordering volgens onderstaande formule:'Vraagprijs -/- hypotheekschuld + overig resultaat'. Je houdt zoveel mogelijk rekening met de huidige woningmarkt. Is de vraagprijs (of de actuele taxatie) nog niet bekend dan is de WOZ-waarde is hiervoor een goede indicatie.[…]Werkinstructie Zwaarwegende omstandighedenBinnen de Wet op de rechtsbijstand kan op twee momenten rekening worden gehouden met zwaarwegende omstandigheden:1. bij de beoordeling van het behaalde resultaat (artikel 34g Wrb)[…]Er kan sprake zijn van zwaarwegende omstandigheden wanneer een vordering of geldsom:- oninbaar is. Bijvoorbeeld bij faillissement van de tegenpartij, conservatoir derdenbeslag op het resultaat van de zaak, of de tegenpartij is met ‘de Noorderzon’ vertrokken.- gedeeltelijk oninbaar is, als het resultaat niet binnen afzienbare termijn beschikbaar komt.Je toetst dit aan de hand van stukken, bijvoorbeeld faillissementsvonnis of correspondentie van de deurwaarder die heeft getracht het bedrag te innen.