Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:2694

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-08-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 07-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:2694, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201809286/1/A3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:2694:DOC

201809286/1/A3.Datum uitspraak: 7 augustus 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te [woonplaats],tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 oktober 2018 in zaak nr. 18/1006 in het geding tussen:[appellant]enhet college van burgemeester en wethouders van Westerveld.ProcesverloopBij besluit van 15 oktober 2014 heeft het college het verzoek om uitbetaling van een dwangsom aan [appellant] afgewezen.Bij besluit van 26 februari 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 12 oktober 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 februari 2018 vernietigd en het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2019, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door M. Renses en A. Oulad El Kadi, zijn verschenen.OverwegingenInleiding1.    Op 25 februari 2014 heeft [appellant] een aanslag gemeentelijke belastingen ontvangen. Daartegen heeft [appellant] op 3 april 2014 bezwaar gemaakt. In zijn bezwaarschrift heeft hij om diverse gegevens verzocht. Omdat volgens [appellant] elke inhoudelijke reactie op zijn verzoek om gegevens uitbleef, heeft hij op 28 juni 2014 het college in gebreke gesteld en verzocht om binnen twee weken alsnog de gegevens te verstrekken, waarbij hij een beroep heeft gedaan op de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob). Het college heeft vervolgens bij brief van 9 juli 2014 gegevens verstrekt. In reactie daarop heeft [appellant] bij brief van 19 juli 2014 laten weten dat het college niet aan zijn verzoek voldaan heeft. Bij brief van 26 september 2014 heeft [appellant] van het college een dwangsom van € 1.260,00 gevorderd wegens het niet tijdig besluiten op zijn verzoek van 3 april 2014 en nogmaals om de door hem gewenste gegevens verzocht. Bij besluit van 15 oktober 2014 heeft het college gereageerd op deze brief voor zover daarin om uitbetaling van een dwangsom aan [appellant] is verzocht.1.1.    Het college heeft het verzoek om uitbetaling van een dwangsom afgewezen omdat het van mening was dat het verzoek van [appellant] van 3 april 2014 niet als Wob-verzoek was aan te merken. Vervolgens heeft [appellant] beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft zich bij uitspraak van 14 maart 2016 onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen, omdat [appellant] eerst bezwaar had moeten maken tegen het afwijzende besluit van het college van 15 oktober 2014. De rechtbank heeft het beroepschrift doorgestuurd naar het college om te worden behandeld als een bezwaarschrift. Daarbij diende het college te beoordelen of aan het volgens de rechtbank als Wob-verzoek aan te merken verzoek van [appellant] is voldaan en of daarbij een dwangsom verschuldigd is wegens het niet tijdig besluiten op dat Wob-verzoek.1.2.    Bij besluit van 26 februari 2018 heeft het college het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard. Het college was van mening dat het geen dwangsom verschuldigd was omdat, hoewel [appellant] in zijn brief van 28 juni 2014 de Wob heeft genoemd, zijn verzoek toch moest worden aangemerkt als een verzoek om op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken als bedoeld in artikel 7:4, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).De aangevallen uitspraak2.    De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 26 februari 2018 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Uit de uitspraak van de rechtbank van 14 maart 2016 volgt dat [appellant] een Wob-verzoek heeft ingediend. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld, zodat van de juistheid van die uitspraak moet worden uitgegaan. Om die reden bestaat er voor het college geen ruimte om de brief van [appellant] van 3 april 2014 niet als Wob-verzoek aan te merken, aldus de rechtbank.    De rechtbank heeft vervolgens zelf in de zaak voorzien en het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Het college heeft bij de brief van 9 juli 2014 gereageerd op het Wob-verzoek van 3 april 2014, welke brief als besluit op dat verzoek moet worden aangemerkt. In dat besluit is het college puntsgewijs ingegaan op het verzoek van [appellant]. Dat besluit heeft het college genomen binnen twee weken na de ingebrekestelling van 28 juni 2014, zodat het college geen dwangsom hoefde te betalen, aldus de rechtbank.Het hoger beroep3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college geen dwangsom hoeft te betalen. Het college heeft bij de brief van 9 juli 2014 geen relevante informatie verstrekt en is dus niet op zijn verzoek ingegaan. Op die manier is het onmogelijk om te controleren of het college de wet en regelgeving overtreedt en kan hij geen bezwaar maken tegen de aanslag gemeentelijke belastingen, aldus [appellant].Het wettelijk kader4.    Artikel 4:17, eerste en derde lid, van de Awb luidt:‘1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.[…]3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.’    Dit artikel was ten tijde van het besluit van 15 oktober 2014 van toepassing op besluiten, genomen op grond van de Wob.Beoordeling van het hoger beroep5.    De Afdeling stelt voorop dat in deze procedure de uitspraak van de rechtbank van 12 oktober 2018 ter beoordeling voorligt. In die uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college geen dwangsom hoeft te betalen aan [appellant]. De Afdeling kan daarom alleen beoordelen of de rechtbank terecht tot dat oordeel is gekomen. Alles wat [appellant] aanvoert met betrekking tot het niet verstrekken van informatie door het college en de gevolgen daarvan kan in deze procedure dus geen rol spelen.    [appellant] heeft het college op 28 juni 2014 in gebreke gesteld en twee weken de tijd gegeven om alsnog te reageren op zijn verzoek. Bij de brief van 9 juli 2014 heeft het college vervolgens gereageerd op het verzoek van [appellant], waarmee het een besluit op dat verzoek heeft genomen. Het betoog van [appellant] dat niet aan zijn verzoek is voldaan en er daarom geen besluit is, kan hem niet baten. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:835, maakt het voor de vraag of sprake is van een besluit niet uit of de inhoud ervan al dan niet juist is. Als een verzoeker het niet eens is met een besluit, dan kan hij daartegen bezwaar maken. [appellant] heeft ter zitting aangevoerd dat hij dat heeft gedaan bij brief van 19 juli 2014. Zoals gezegd kan dat in deze procedure niet aan de orde komen. Omdat het college bij besluit van 9 juli 2014, voordat de termijn aanving waarover het college een dwangsom zou kunnen verbeuren, heeft gereageerd op het verzoek van [appellant], is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college geen dwangsom is verschuldigd.    Het betoog faalt.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.w.g. Hoogvliet    w.g. De Vrieslid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2019582-857.