Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:25

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-01-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 04-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:25, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201808530/1/V1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:25:DOC

201808530/1/V1.Datum uitspraak: 4 januari 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 27 september 2018 in zaak nr. 17/13551 in het geding tussen:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 12 januari 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 11 juli 2017 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 september 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. I.N. Schalken, advocaat te Apeldoorn, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
2.    De vreemdelingen hebben gesteld dat zij de Eritrese nationaliteit hebben en dat vreemdeling 1 is geboren op [2000] en vreemdeling 2 op [2002]. Zij beogen verblijf bij referent, die volgens hen hun oom en tevens hun pleegouder is, en hebben gesteld dat hun biologische ouders niet meer voor hen kunnen zorgen.
    Referent is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
3.    De staatssecretaris heeft de vreemdelingen een identificerend gehoor aangeboden. Hij heeft de vreemdelingen gehoord op 18 april 2016 en referent op 5 juli 2016. Referent en de vreemdelingen hebben verklaard dat de biologische vader van vreemdeling 1 een gedetineerde broer van referent is en dat referent sinds 2004, toen de biologische moeder van vreemdeling 1 is vertrokken, voor vreemdeling 1 heeft gezorgd. Verder hebben referent en de vreemdelingen verklaard dat de biologische vader van vreemdeling 2 ook een broer van referent is, dat beide biologische ouders van vreemdeling 2 verstandelijk gehandicapt zijn en dat referent sinds 2005 voor vreemdeling 2 heeft gezorgd.
    De staatssecretaris heeft de aanvraag onder verwijzing naar paragrafen C1/4.4.6 en C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) afgewezen omdat de vreemdelingen niet hebben gestaafd wie hun biologische ouders zijn en evenmin dat hun biologische ouders niet meer voor hen kunnen zorgen en dat referent hun pleegouder is.
4.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd door hieraan alleen ten grondslag te leggen dat de vreemdelingen niet hebben gestaafd wie hun biologische ouders zijn en dat hun biologische ouders niet meer voor hen kunnen zorgen. Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris een onjuist toetsingskader gehanteerd omdat hij, gelet op artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) en paragraaf C2/4.1 van de Vc 2000, zoals luidend ten tijde van de aanvraag van 2 juli 2015, had moeten beoordelen of de vreemdelingen hebben gestaafd dat zij ten tijde van het vertrek van referent uit Eritrea feitelijk tot zijn gezin behoorden. Daarnaast heeft de staatssecretaris volgens de rechtbank de door de vreemdelingen overgelegde onofficiële documenten niet betrokken bij zijn beoordeling.
5.    In de enige grief bestrijdt de staatssecretaris deze overwegingen van de rechtbank. Hij voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij niet is toegekomen aan de door de rechtbank bedoelde beoordeling waarbij hij volgens paragraaf C2/4.1 van de Vc 2000 onder meer de duur van en de reden voor de opname van een gesteld pleegkind in het gezin van de desbetreffende referent betrekt. Hij heeft immers eerst moeten beoordelen of de vreemdelingen hebben gestaafd dat de personen die volgens hen hun biologische ouders zijn, daadwerkelijk hun biologische ouders zijn. Verder heeft de rechtbank niet onderkend dat hij de door de vreemdelingen overgelegde onofficiële documenten wel bij deze beoordeling heeft betrokken, aldus de staatssecretaris.
5.1.    In de uitspraak van 16 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1508, heeft de Afdeling geoordeeld dat artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71),  niet in de weg staat aan de in die uitspraak weergegeven nieuwe vaste gedragslijn die de staatssecretaris volgt bij de beoordeling of herbeoordeling van alle op 23 november 2017 lopende nareisaanvragen. Als de staatssecretaris zo'n aanvraag afwijst, moet hij deugdelijk motiveren waarom die aanvraag, gelet op de overgelegde officiële en onofficiële documenten en afgelegde verklaringen, niet voor inwilliging in aanmerking komt.
5.2.    Als een nareisaanvraag een gesteld pleegkind betreft, moet de staatssecretaris beoordelen of dat pleegkind voldoet aan het in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 neergelegde vereiste dat het op het moment van de binnenkomst van de desbetreffende referent in Nederland tot diens gezin behoort. Een gesteld pleegkind voldoet niet aan dit vereiste als het nog behoort tot het gezin van zijn biologische ouders. De beoordeling of een gesteld pleegkind op het moment van de binnenkomst van de desbetreffende referent in Nederland tot diens gezin behoort, is daarom onlosmakelijk verbonden met de - logischerwijs hieraan voorafgaande - beoordeling of dat pleegkind nog behoort tot het gezin van zijn biologische ouders. Hiervoor moet de staatssecretaris onder meer beoordelen of is gestaafd wie de biologische ouders van een gesteld pleegkind zijn.
5.3.    De staatssecretaris heeft niet ten onrechte erop gewezen dat de vreemdelingen geen geboorteakten hebben overgelegd om de familierelatie met hun gestelde biologische ouders aan te tonen en dat zij hun betoog dat de Islamitische gemeenschap in Eritrea geen geboorteakten kent, niet hebben gestaafd. Daarnaast heeft de staatssecretaris niet ten onrechte erop gewezen dat de vreemdelingen geen officiële documenten hebben overgelegd waaruit blijkt dat referent het ouderlijk gezag over hen heeft gekregen.
5.4.    De staatssecretaris heeft de door de vreemdelingen en referent afgelegde verklaringen bij zijn beoordeling betrokken. Hij heeft niet ten onrechte erop gewezen dat referent vaag en inconsistent heeft verklaard. Zo heeft de staatssecretaris gewezen op de verklaring van referent dat hij geen documenten van de gestelde biologische vader van vreemdeling 1 kan overleggen omdat die vader gedetineerd is, dat hij dit acht tot tien jaar geleden van één van zijn broers heeft vernomen en niet heeft gevraagd hoe die broer dit te weten is gekomen en dat hij sindsdien nooit meer met die broer over de detentie heeft gesproken. De staatssecretaris heeft ook erop gewezen dat referent aanvankelijk heeft verklaard dat hij de achternaam van de gestelde biologische moeder van vreemdeling 1 niet weet en dat hij deze naam vervolgens toch heeft gegeven na de mededeling van de staatssecretaris dat vreemdeling 1 haar achternaam wel wist. Verder heeft de staatssecretaris erop gewezen dat referent tijdens zijn asielprocedure heeft verklaard dat de biologische vader van vreemdeling 2 mank loopt, dat hij dit tijdens het identificerend gehoor op 5 juli 2016 heeft aangevuld met de verklaring dat de biologische vader van vreemdeling 2 ook "niet helder in zijn hoofd" is en dat hij pas in een brief van 24 augustus 2016 heeft verklaard dat de biologische vader van vreemdeling 2 verslaafd en verstandelijk gehandicapt is en heeft laten weten niet voor vreemdeling 2 te willen zorgen. Ten slotte heeft de staatssecretaris erop gewezen dat referent heeft verklaard dat de gestelde biologische moeder van vreemdeling 2 verstandelijk gehandicapt is en nooit naar een ziekenhuis is geweest terwijl een ziekenhuiskaart is overgelegd die volgens referent van haar is.
5.5.    Verder heeft de staatssecretaris de door de vreemdelingen overgelegde officiële én onofficiële documenten bij zijn beoordeling betrokken. Hij heeft niet ten onrechte erop gewezen dat zij hiermee niet hebben gestaafd dat de personen die volgens hen hun biologische ouders zijn, daadwerkelijk hun biologische ouders zijn en evenmin dat hun biologische ouders niet meer voor hen kunnen zorgen. De overgelegde documenten zijn een kopie van een identiteitskaart van de gestelde biologische moeder van vreemdeling 1, een verklaring van de gestelde biologische moeder van vreemdeling 1 waarin zij heeft vermeld dat zij en de gestelde biologische vader van vreemdeling 1 niet meer voor hem hebben gezorgd sinds hij vier jaar oud was, een toestemmingsverklaring van de gestelde biologische moeder van vreemdeling 1, een kopie van een bewonerspas en een kopie van een identiteitskaart van de gestelde biologische moeder van vreemdeling 2, een ziekenhuiskaart die volgens referent van de gestelde biologische moeder van vreemdeling 2 is, een verklaring van een Eritrese gemeente dat de gestelde biologische moeder van vreemdeling 2 psychische klachten heeft en daardoor niet voor vreemdeling 2 kan zorgen, een kopie van een identiteitskaart van de gestelde biologische vader van vreemdeling 2, een toestemmingsverklaring van de gestelde biologische vader van vreemdeling 2, een formulier over de gezondheid van gestelde biologische vader van vreemdeling 2 en een foto waarop volgens de vreemdelingen onder meer de vreemdelingen en de echtgenote van referent te zien zijn. Behalve de foto betreffen deze documenten weliswaar de personen die volgens de vreemdelingen hun biologische ouders zijn, maar zij bevatten onvoldoende informatie, afkomstig uit een objectieve bron, over die afstammingsrelatie en over de gestelde redenen waarom de biologische ouders van de vreemdelingen niet meer voor hen kunnen zorgen.
5.6.    Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris deugdelijk gemotiveerd waarom de aanvraag, gelet op de overgelegde officiële en onofficiële documenten en de door referent en de vreemdelingen afgelegde verklaringen, niet voor inwilliging in aanmerking komt. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
    De grief slaagt.
6.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit worden getoetst in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.
7.    Het betoog onder verwijzing naar artikel 5, vijfde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn dat de staatssecretaris geen rekening heeft gehouden met de belangen van de vreemdelingen, faalt reeds omdat de vreemdelingen niet hebben gestaafd wie hun biologische ouders zijn en evenmin dat hun biologische ouders niet meer voor hen kunnen zorgen en dat referent hun pleegouder is.
    De beroepsgrond faalt.
8.    Het betoog dat de staatssecretaris ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar, faalt eveneens. De staatssecretaris mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend standpunt. Gelet op de motivering van het besluit van 12 januari 2017 en hetgeen de vreemdelingen daartegen in bezwaar hebben aangevoerd, is aan deze maatstaf voldaan. De staatssecretaris heeft in dat besluit namelijk toegelicht waarom de door de vreemdelingen overgelegde documenten en de door hen en referent afgelegde verklaringen onvoldoende zijn.   
    De beroepsgrond faalt.
9.    Het beroep is ongegrond.
10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 27 september 2018 in zaak nr. 17/13551;
III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.
w.g. Verheij    w.g. De Keizervoorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2019
716. BIJLAGE
Recht van de Europese Unie
Gezinsherenigingsrichtlijn (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71)
Artikel 5
[…]
5. Bij de behandeling van het verzoek zorgen de lidstaten ervoor dat terdege rekening wordt gehouden met de belangen van minderjarige kinderen.
Nationale regelgeving
Vw 2000
Artikel 29
[…]
2. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan voorts worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:
a. de echtgenoot of het minderjarige kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling; […]
Vc 2000
Paragraaf C2/4.1
[…]
Feitelijke gezinsband
De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 tweede lid, Vw, als de kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner feitelijk behoren tot het gezin van de hoofdpersoon. De hoofdpersoon in Nederland moet aantonen dat zijn kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner vóór binnenkomst van de hoofdpersoon in Nederland feitelijk tot zijn gezin hebben behoord en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is. De hoofdpersoon onderbouwt dit met documenten. De hoofdpersoon moet aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen verstrekken over het feitelijk behoren tot zijn gezin van zijn kinderen of ouders, als de hoofdpersoon de feitelijke gezinsband niet met documenten kan onderbouwen.
Vorenstaande is ook van toepassing op niet-biologische (adoptie- of pleeg)kinderen.
[…]
Adoptie- en pleegkinderen
Anders dan bij biologische kinderen kan bij (meerderjarige en minderjarige) adoptie- en pleegkinderen niet door middel van een DNA-onderzoek worden aangetoond dat de hoofdpersoon en het kind tot elkaar in relatie staan. In deze gevallen moet op een andere manier worden getoetst of er sprake was
van een feitelijke gezinsband tussen de hoofdpersoon en het pleegkind. De hoofdpersoon en de vreemdeling moet dit aannemelijk maken.
Bij de beoordeling of het (meerderjarige en minderjarige) pleegkind feitelijk deel uitmaakt van het gezin van de hoofdpersoon, wordt onder meer betrokken:
• de duur van de opname van het pleegkind in het gezin van de hoofdpersoon;
• de (financiële) afhankelijkheid van het pleegkind van referent;
• de reden waarom het pleegkind is opgenomen in het gezin en, als dit aan de orde is, de reden dat een pleegkind tijdelijk buiten het gezin is geplaatst. Dit is van belang bij het vaststellen of anderen de zorg voor het kind hebben overgenomen waarmee het pleegkind feitelijk hun pleegkind is geworden.
In het geval van pleegkinderen worden alle feiten en omstandigheden van voor binnenkomst van de hoofdpersoon in Nederland betrokken bij de beoordeling van de gezinssituatie. Het moet daarbij gaan om feiten en omstandigheden die erop wijzen dat er sprake is geweest van een feitelijke gezinsband met de hoofdpersoon.
[…]