Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:2432

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 17-07-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 17-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:2432, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201708717/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:2432:DOC

201708717/1/A1.Datum uitspraak: 17 juli 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te Beltrum, gemeente Berkelland,tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 oktober 2017 in zaak nr. 17/3118 in het geding tussen:[appellant]enhet college van burgemeester en wethouders van Berkelland en de raad van de gemeente Berkelland.ProcesverloopBij besluit van 13 juni 2017 heeft het college geweigerd om aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van een nieuwe bedrijfswoning met dubbele bewoning en voor de bouw van een werktuigenberging/kapschuur op het perceel [locatie] te Beltrum (hierna: het perceel).Bij uitspraak van 27 oktober 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.[appellant] heeft nadere stukken ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 augustus 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, en het college en de raad, beide vertegenwoordigd door E.A.M. Bouwhuis-ter Hedde en G.J. Bomer, zijn verschenen.OverwegingenInleiding1.    [appellant] exploiteert een agrarisch bedrijf op het perceel.Hij heeft op 14 juli 2016 een omgevingsvergunning gevraagd voor de bouw van een nieuwe bedrijfswoning met dubbele bewoning en voor de bouw van een werktuigenberging/kapschuur op het perceel.De aanvraag heeft zowel betrekking op de activiteit 'bouwen' als op de activiteit 'afwijken van het bestemmingsplan'. In de aanvraag is vermeld dat de afwijking van het bestemmingsplan bestaat uit een wijziging van het agrarisch bouwperceel.2.    Bij het besluit van 13 juni 2017 heeft het college de door [appellant] gevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Aan deze weigering heeft het college de overweging ten grondslag gelegd dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens het college is het verlenen van de gevraagde vergunning alleen mogelijk met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) en na afgifte van een verklaring van geen bedenkingen door de raad. De raad heeft bij besluit van 23 mei 2017 geweigerd een verklaring van geen bedenkingen te verlenen. Gelet hierop heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd.3.    In de aangevallen uitspraak is het beroep van [appellant] tegen het besluit van 13 juni 2017 ongegrond verklaard.Relevante regelgeving en het bestemmingsplan4.    De relevante bepalingen van onder meer de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.5.    Voor het perceel geldt het bestemmingsplan "Buitengebied - gemeente Eibergen". In dit plan is aan het perceel de bestemming "Agrarisch gebied" toegekend. Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.    Op de plankaart is voor het perceel een agrarisch bouwperceel opgenomen. Daarbij zijn alle zijden van het bouwperceel aangeduid als een onderbroken lijn (----). Aan de bedrijfswoning op het perceel is op de plankaart niet de aanduiding "K" toegekend.    De relevante voorschriften het bestemmingsplan zijn - voor zover deze niet in de overwegingen zijn weergegeven - opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.6.    Voor de beoordeling van dit geschil is vooral artikel 6, tweede lid, van de planvoorschriften van belang. Artikel 6 geeft regels voor gronden met de bestemming "Agrarisch gebied". Het tweede lid luidt als volgt:"2. BouwvoorschriftenUitsluitend de volgende bebouwing is toegestaan:1. op het agrarisch bouwperceel:a. bedrijfsgebouwen met een maximale hoogte van 12 m;b. een bedrijfswoning met een maximale hoogte van 9 m, een maximale goothoogte van 4,80 m en een maximale inhoud van 700 m³, met uitzondering van bedrijfswoningen aangeduid met "K", deze mogen in het geheel, ongeacht de inhoud, voor bewoning worden gebruikt, mits het aantal woningen beperkt blijft tot één;c. […].2. […].3. In afwijking van het bepaalde in het voorgaande mogen grenzen van het bouwperceel aangeduid als ---- overschreden worden door bebouwing als bedoeld onder sub 1 mits:- het denkbeeldig bouwperceel hierdoor geen groter aaneengesloten oppervlak krijgt dan 1,5 ha;- de bedrijfsbebouwing aansluit op het bestaande gebouwencomplex;- er geen versnippering van het buitengebied ontstaat door te streven naar clustering van bedrijfsbebouwing.4. […].5. […]."Vergunning van rechtswege?    7.    De rechtbank heeft overwogen dat de bedrijfswoning waarvoor vergunning is gevraagd een inhoud heeft van meer dan de maximaal toegestane inhoud van 700 m3. De rechtbank heeft het college gevolgd in zijn standpunt dat voor deze afwijking van het bestemmingsplan slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo. De rechtbank heeft hieraan de conclusie verbonden dat bij de voorbereiding van het besluit op de aanvraag terecht de procedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb is toegepast en dat in dit geval geen omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan.8.    [appellant] bestrijdt dit oordeel van de rechtbank. Hij stelt dat het bouwplan - voor zover het gaat om de inhoud van de bedrijfswoning en het oppervlak van de werktuigenberging - in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Daarbij voert hij aan dat de beoogde bedrijfswoning per saldo kleiner is dan 700 m³ omdat delen van die woning in gebruik zullen worden genomen als archief- en administratieruimten voor het agrarische bedrijf. De desbetreffende ruimten hoeven dan ook niet te worden meegeteld bij de inhoud van de bedrijfswoning, zo stelt [appellant]. Daarnaast stelt hij dat de beoogde werktuigenberging in zijn geheel moet worden beschouwd als een agrarisch bedrijfsgebouw. Volgens [appellant] kan de werktuigenberging daarom niet gedeeltelijk als bijgebouw bij de bedrijfswoning worden aangemerkt en moet de werktuigenberging buiten beschouwing worden gelaten bij de berekening van de oppervlakte van bijgebouwen bij de woning. In dat geval voldoet het oppervlak van de bijgebouwen bij de woning aan de voorschriften van het bestemmingsplan, aldus [appellant].    Voor zover de aanvraag wel in strijd is met het bestemmingsplan - namelijk de wijziging van de begrenzing van het agrarisch bouwperceel - kan daarvan worden afgeweken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wabo, zo voert [appellant] aan. Het bestemmingsplan bevat hiervoor een zogenoemde binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in artikel 6, tweede lid, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften. Volgens [appellant] valt het bouwplan binnen de reikwijdte van deze afwijkingsbevoegdheid.    Om de hiervoor vermelde redenen kon de gevraagde vergunning volgens [appellant] met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure als bedoeld in artikel 3.7 van de Wabo worden verleend. Bij het volgen van die procedure geldt een maximale beslistermijn van acht weken. Omdat het college niet binnen die termijn op de aanvraag heeft beslist, is de gevraagde vergunning van rechtswege verleend, aldus [appellant].8.1.    Onder verwijzing naar haar uitspraak van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2471, overweegt de Afdeling dat de vraag of al dan niet van rechtswege vergunning is verleend, gelet op de bepalingen in de Wabo en de Awb, afhangt van het antwoord op de vraag welke procedure op de aanvraag van toepassing is. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is de beantwoording van de vraag of op een aanvraag de reguliere dan wel de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, gelet op het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo, afhankelijk van de activiteit die is aangevraagd. De Wabo bepaalt daarmee exclusief welke procedure op een aanvraag om omgevingsvergunning van toepassing is. Het college heeft hierin geen keuze, maar dient de voorbereidingsprocedure toe te passen die uit de Wabo voortvloeit. Dit betekent dat het college na ontvangst van een aanvraag om omgevingsvergunning tijdig dient te bezien welke procedure daarop van toepassing is. Indien de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is, omdat de aangevraagde activiteit binnen de reikwijdte van de in het bestemmingsplan gegeven afwijkingsbevoegdheid valt, maar niet binnen de daarvoor geldende beslistermijn een besluit op de aanvraag wordt genomen, is de omgevingsvergunning van rechtswege verleend, ongeacht of de aangevraagde activiteit voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de in het bestemmingsplan gegeven afwijkingsbevoegdheid. In dit verband moet de reikwijdte van de bevoegdheid om met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels af te wijken voor een project worden onderscheiden van de voorwaarden om toepassing te geven aan deze bevoegdheid, voor zover in die voorwaarden voor het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid besloten ligt. Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:483.8.2.    Tussen partijen is niet in geschil dat het overschrijden van de grenzen van het agrarisch bouwperceel op zichzelf bezien kan worden vergund met toepassing van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften. Als zou worden geoordeeld dat de afwijking van het bestemmingsplan alleen bestaat uit de overschrijding van de grenzen van het bouwperceel, dan betekent dit dat het college in dit geval de reguliere voorbereidingsprocedure had moeten toepassen.    Gelet hierop moet de vraag worden beantwoord of de aanvraag op het punt van de inhoud van de bedrijfswoning dan wel het oppervlak van de werktuigenberging in strijd is met het bestemmingsplan.8.3.    In de aanvraag is vermeld dat een bedrijfswoning zal worden gebouwd met een inhoud van 948 m³. Het college heeft op grond van de bouwtekening bij de aanvraag berekend dat de bedrijfswoning zelfs een inhoud zal hebben van 967,5 m³. Gelet hierop wordt niet voldaan aan de maximale inhoudsmaat van 700 m³ die in artikel 6, tweede lid, aanhef en onderdeel 1, onder b, van de planvoorschriften is gesteld.    In de aanvraag is vermeld dat de woning mede is bedoeld als bedrijfskantoor. Uit de bij de aanvraag behorende bouwtekening blijkt echter niet dat een deel van de woning exclusief als kantoorruimte zal worden gebruikt. Op de bouwtekening is één ruimte aangegeven die als kantoor zal worden gebruikt, maar die ruimte is tegelijkertijd ook aangeduid als woonkamer. Omdat de ruimte daarmee ook een woonfunctie heeft, moet deze ruimte worden meegeteld bij de inhoud van de beoogde bedrijfswoning.[appellant] kan verder niet worden gevolgd in zijn betoog dat de zolderruimte van de woning exclusief als kantoor- en archiefruimte moet worden aangemerkt. Dit blijkt immers niet uit de aanvraag zoals deze bij het college is ingediend en uit de overige dossierstukken blijkt niet dat [appellant] de aanvraag op dit punt heeft gewijzigd. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het bouwplan op dit punt in strijd is met het bestemmingsplan.8.4.    In de planvoorschriften is geen binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen om omgevingsvergunning te verlenen voor een bedrijfswoning met een inhoud van meer dan 700 m3. Niet in geschil is dat hiervoor ook geen omgevingsvergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo.    Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de gevraagde omgevingsvergunning alleen kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo. Bij de toepassing van die bepaling moet de uitgebreide voorbereidingsprocedure worden gevolgd en geldt niet het in artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo neergelegde vereiste dat binnen acht weken op een aanvraag moet zijn beslist. De gevraagde omgevingsvergunning is daarom niet van rechtswege verleend. Het betoog faalt.9.    Uit de overwegingen die hiervoor zijn opgenomen blijkt al dat de reguliere voorbereidingsprocedure in dit geval niet kon worden gevolgd.Omdat alle voorgenomen bebouwing in één aanvraag is opgenomen, is het niet noodzakelijk om te beoordelen of het oppervlak van de werktuigenberging in overeenstemming is met het bestemmingsplan en of het college dit gebouw gedeeltelijk als bijgebouw bij de bedrijfswoning heeft kunnen aanmerken. Vanuit het belang om een einde te maken aan het geschil tussen partijen, zal de Afdeling dit onderwerp hieronder echter kort bespreken.9.1.    De beoogde werktuigenberging heeft een oppervlakte van 192 m2, zo blijkt uit de aanvraag. Op de bouwtekening van de werktuigenberging zijn verschillende ruimten te onderscheiden. Aan de zuidzijde van de berging zijn twee hoge deuren voorzien, waardoor het mogelijk is om trekkers en andere grote landbouwvoertuigen in de desbetreffende ruimten te stallen. Dit deel van de berging is gericht naar de overige bedrijfsgebouwen op het perceel. Aan de noordzijde van de berging zijn vier normale garagedeuren voorzien. Dit deel van de berging is gericht naar de beoogde nieuwe bedrijfswoning.       Het college stelt dat het noordelijke deel van de werktuigenberging, met daarin de vier garageboxen, ongeveer twee derde van het gebouw omvat en dat dit deel een oppervlakte heeft van 126 m2. Volgens het college kan dit deel van de werktuigenberging worden gebruikt als garage bij de beoogde nieuwe bedrijfswoning. Dit gebruik ligt volgens het college ook voor de hand, omdat dit deel van het gebouw naar de bedrijfswoning is gericht. In zoverre vormt het gebouw een gebruikseenheid met en is het dienstbaar aan de bedrijfswoning als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de planvoorschriften, zo stelt het college. Daarom heeft het college een oppervlak van 126 m2 van de werktuigenberging als een bijgebouw bij de woning aangemerkt.9.2.    De aanvraag voor de werktuigenberging geeft geen duidelijkheid over het gewenste gebruik van het gebouw en van de daarin voorziene garageboxen. [appellant] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de vier garageboxen alleen zullen worden gebruikt voor bezoekers van het agrarische bedrijf of voor werknemers van het bedrijf. Gelet hierop en omdat bij de beoogde nieuwe bedrijfswoning zelf geen garages of schuren zijn voorzien - zo blijkt uit de bouwtekening - acht de Afdeling het hierboven weergegeven standpunt van het college niet onjuist. Bij het eventueel indienen van een nieuwe aanvraag voor een werktuigenberging, zal [appellant] hiermee dan ook rekening moeten houden.De geweigerde omgevingsvergunning10.    De raad acht het verlenen van een omgevingsvergunning voor een bedrijfswoning met een inhoud van meer dan 700 m3 - tot een maximum van 1.000 m3 - in beginsel mogelijk, onder de voorwaarden die daarvoor in het gemeentelijke beleid zijn gesteld. Over de ingediende aanvraag heeft de raad echter overwogen dat de beoogde bebouwing buiten het agrarisch bouwperceel ligt zoals dat op de plankaart is aangeduid en dat de gebouwen daarbij zijn voorzien op een te grote afstand van elkaar. De bebouwing sluit niet aan op het bestaande gebouwencomplex en na het realiseren van de aangevraagde bebouwing zullen op het perceel in feite twee bebouwingsclusters ontstaan, aldus de raad. Daarom wordt volgens de raad niet voldaan aan de voorwaarden die in artikel 6, tweede lid, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften zijn gesteld voor het overschrijden van de grenzen van het bouwperceel. Die voorwaarden gelden weliswaar voor de toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid door het college, maar de raad wil hieraan ook vasthouden bij toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo. De raad heeft daarom geweigerd om voor de aangevraagde bebouwing een verklaring van geen bedenkingen te verlenen als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, van het Bor.10.1.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan, gelet op de locatie van de aangevraagde bebouwing, in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.10.2.    [appellant] bestrijdt dit oordeel van de rechtbank. Hij betoogt dat de raad de verklaring van geen bedenkingen in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren. Volgens [appellant] zijn de feiten die aan de weigering van de verklaring ten grondslag zijn gelegd niet juist. [appellant] voert aan dat bij het realiseren van de aangevraagde bebouwing geen twee bebouwingsclusters zullen ontstaan en dat de gebouwen functioneel direct in elkaars nabijheid zijn voorzien. Daarom vindt volgens [appellant] ook geen versnippering van het buitengebied plaats.10.3.    Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, wordt de rechtmatigheid van het besluit omtrent de verklaring van geen bedenkingen getoetst in het kader van het beroep tegen het besluit inzake de omgevingsvergunning. Bij de beoordeling of hij een verklaring van geen bedenkingen wil afgeven voor een afwijking van het bestemmingsplan, moet de raad bezien of de afwijking in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, zo volgt uit artikel 6.5, tweede lid, van het Bor.    Uit artikel 2.20a van de Wabo volgt dat het college de omgevingsvergunning niet kan verlenen als de raad de verklaring van geen bedenkingen heeft geweigerd.10.4.    Gelet op de tekst van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften, kan [appellant] niet worden gevolgd in zijn betoog ter zitting dat hij had mogen rekenen op de verlening van de gevraagde omgevingsvergunning - en op de verlening van de daarvoor vereiste verklaring van geen bedenkingen - omdat het oppervlak van het denkbeeldige bouwperceel niet meer zal gaan bedragen dan 1,5 ha. Uit deze bepaling en uit de toelichting op het bestemmingsplan blijkt immers dat in de bepaling drie cumulatieve voorwaarden zijn gesteld. Dit betekent dat het oppervlak van het bouwperceel maximaal 1,5 ha mag zijn en dat daarnaast moet worden voldaan aan de voorwaarden over aaneengesloten bebouwing en clustering.10.5.    In artikel 6 van de planvoorschriften is niet bepaald bij welke onderlinge afstand tussen de verschillende gebouwen wordt voldaan aan de voorwaarden van aaneengesloten bebouwing en van clustering. Ook uit andere planvoorschriften of uit de toelichting op het bestemmingsplan kan dit niet worden afgeleid.    Volgens de raad ligt aan het bestemmingsplan de intentie ten grondslag dat bedrijfsbebouwing, inclusief de bedrijfswoning, moet worden geconcentreerd en moet aansluiten op het bestaande gebouwencomplex. De raad hanteert hierbij - net als het college - het uitgangspunt dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan als nieuwe bebouwing op een afstand van meer dan 25 meter van het bestaande gebouwencomplex is voorzien. In dat geval bestaat er namelijk onvoldoende samenhang tussen de verschillende gebouwen en leidt dit tot een ongewenste versnippering van het buitengebied, zo stelt de raad.    Wat [appellant] heeft aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat deze maatstaf onredelijk of rechtsonzeker is.10.6.    De bestaande bedrijfsbebouwing en de twee nieuwe gebouwen waarvoor omgevingsvergunning is gevraagd, zijn weergegeven op een luchtfoto van het perceel. Deze luchtfoto maakt deel uit van het besluit van 13 juni 2017. Ter zitting heeft [appellant] bevestigd dat de bebouwing op de juiste wijze op deze luchtfoto is ingetekend. In het dossier is ook een schetsmatige tekening aanwezig van de bebouwing op het perceel. Hierop zijn niet alleen de twee nieuwe gebouwen uit de aanvraag weergegeven, maar zijn ook voorgenomen uitbreidingen van de varkensschuur en van de veeschuur ingetekend.    Uit de luchtfoto en de schetsmatige tekening blijkt dat het bestaande gebouwencomplex de vorm van een vierkant heeft en dat alle bebouwing, inclusief de huidige bedrijfswoning, daarin is geconcentreerd. Ook de voorgenomen uitbreidingen van de varkensschuur en van de veeschuur liggen binnen dit vierkant. De nieuwe bedrijfswoning waarvoor vergunning is gevraagd, is daarentegen voorzien op onbebouwde agrarische gronden ten noorden van het bestaande gebouwencomplex, op een afstand van ongeveer 64 meter van dit complex. De nieuwe werktuigenberging is geprojecteerd op de onbebouwde agrarische gronden tussen de beoogde nieuwe bedrijfswoning en het bestaande gebouwencomplex in.    Gelet hierop heeft de raad er vanuit kunnen gaan dat onvoldoende samenhang tussen de verschillende gebouwen bestaat en dat sprake zal zijn van een ongewenste versnippering van het buitengebied. [appellant] stelt weliswaar terecht dat de afstand tussen de bebouwing steeds niet meer bedraagt dan 25 meter - namelijk de afstand van het bestaande gebouwencomplex tot aan de werktuigenberging en vervolgens de afstand van de werktuigenberging tot aan de beoogde nieuwe bedrijfswoning - maar een dergelijke lijnopstelling van de verschillende gebouwen heeft tot gevolg dat de nieuwe bedrijfswoning op een grotere afstand van het bestaande gebouwencomplex komt te liggen dan de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wenselijk acht. De raad heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval niet is voldaan aan de voorwaarden van aaneengesloten bebouwing en van clustering als bedoeld in artikel 6, tweede lid, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften.    Gelet op de weigering van de raad om voor de aangevraagde bebouwing een verklaring van geen bedenkingen te verlenen, heeft het college de omgevingsvergunning voor deze bebouwing terecht geweigerd.    Het betoog faalt.11.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Daartoe voert hij aan dat hij in april en mei 2017 nadere stukken aan het college heeft doen toekomen en dat uit het besluit van 13 juni 2017 en uit het bijbehorende dossier niet blijkt dat de nadere stukken in de afweging zijn betrokken.    Ook betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.11.1.    Deze hogerberoepsgronden zijn een herhaling van gronden die [appellant] in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op deze gronden ingegaan. Daarbij heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat de motivering van de weigering van de verklaring van geen bedenkingen onder meer is gelegen in de beoordeling van de zienswijzen die zijn ingediend tegen de ontwerpbesluiten en dat daarin wordt ingegaan op alle zienswijzen die tijdig door [appellant] naar voren zijn gebracht. Bij de beoordeling van de beroepsgronden over het gelijkheidsbeginsel is de rechtbank gemotiveerd ingegaan op de concrete locaties die [appellant] ook in hoger beroep weer heeft ingebracht.11.2.    In hoger beroep heeft [appellant] geen redenen aangevoerd waarom de aangevallen uitspraak op deze punten onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor een vernietiging van de aangevallen uitspraak. Het betoog faalt.Conclusie en slotoverwegingen12.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, griffier.w.g. Slump    w.g. Breunese-van Goorlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 17 juli 2019543-208. BIJLAGE Algemene wet bestuursrechtArtikel 4:131. Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.2. De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.Artikel 4:141. Indien een beschikking niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden gegeven, deelt het bestuursorgaan dit aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het bestuursorgaan na het verstrijken van de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn niet langer bevoegd is.3. Indien, bij het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, deelt het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een redelijke termijn binnen welke de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.Artikel 4:20b1. Indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, is de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven.2. De verlening van rechtswege geldt als een beschikking.3. In afwijking van artikel 3:40 treedt de beschikking in werking op de derde dag na afloop van de beslistermijn.Artikel 4:20c1. Het bestuursorgaan maakt de beschikking bekend binnen twee weken nadat zij van rechtswege is gegeven.2. Bij de bekendmaking en mededeling van de beschikking wordt vermeld dat de beschikking van rechtswege is gegeven.Wet algemene bepalingen omgevingsrechtArtikel 2.11. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:a. het bouwen van een bouwwerk,b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, […].Artikel 2.101. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:[…]c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12 […].2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.Artikel 2.121. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.Artikel 2.20aVoor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvoor voor het verlenen van de omgevingsvergunning een verklaring vereist is als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, wordt de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd indien de verklaring is geweigerd.Artikel 2.271. In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft […].Artikel 3.1[…]3. Het bevoegd gezag zendt de aanvrager nadat het de aanvraag heeft ontvangen, zo snel mogelijk een bericht waarin het vermeldt dat het bevoegd is op de aanvraag te beslissen en waarin tevens worden vermeld:a. de procedure die ter voorbereiding van de beslissing zal worden gevolgd,b. welke beslistermijn van toepassing is, enc. de beschikbare rechtsmiddelen om tegen de beschikking op te komen.Indien op de voorbereiding van de beslissing paragraaf 3.2 van toepassing is, vermeldt het bevoegd gezag tevens dat de gevraagde beschikking van rechtswege is gegeven, indien niet tijdig op de aanvraag is beslist.[…]Artikel 3.71. Deze paragraaf (de reguliere voorbereidingsprocedure) is van toepassing op de voorbereiding van besluiten, tenzij paragraaf 3.3 (de uitgebreide voorbereidingsprocedure) daarop van toepassing is.[…]Artikel 3.91. Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.[..]Artikel 3.101. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op:a.  een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°;[…].Besluit omgevingsrechtArtikel 6.51. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de raad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.2. De verklaring kan slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.[…].Bestemmingsplan "Buitengebied - gemeente Eibergen"Artikel 1 - Begripsbepalingen1. […]2.  In het plan wordt verstaan onder:[…]- bedrijfswoning: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, slechts bestemd voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daarin, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is;[…]- bijgebouw: een niet voor bewoning bestemd vrijstaand dan wel aangebouwd gebouw, dat een gebruikseenheid vormt met en dienstbaar is aan een woning, een stacaravan of een zomerhuis;[…]- agrarisch bedrijf: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren;[…]- agrarisch bouwperceel: een in het plan als zodanig aangegeven bebouwingsoppervlak, waarop de agrarische bedrijfsbebouwing met de (bedrijfs)woning is geconcentreerd;[…].Artikel 2 - Wijze van meten1. Bij de toepassing van de voorschriften van het plan wordt als volgt gemeten:- inhoud van een gebouw: tussen de buitenwerkse gevelvlakken, de harten van scheidsmuren, de dakvlakken en boven de begane grondvloer;[…].2. Voor wat betreft woningen wordt bij de toepassing van de bepalingen van lid 1 niet meegerekend voor de:- inhoud of oppervlakte: bijgebouwen;[..].Artikel 3 - Toelaatbaarheid van bebouwing/zonevoorschriften1. Het toestaan van bebouwing beperkt zich tot die bebouwing, welke behoort bij de functies zoals omschreven in de per bestemming gegeven doeleindenomschrijving; een en ander met inachtneming van de zonevoorschriften zoals vervat in de artikelen 22 tot en met 31 van dit plan, welke een beperking inhouden ten aanzien van de bebouwingsmogelijkheden.2. Daar waar in de voorschriften een (bedrijfs)woning is toegestaan, zijn bijgebouwen toegestaan met een maximale totaal bebouwde oppervlakte  van 70 m2 en een maximale goothoogte van 3,5 m.3. Burgemeester en wethouders kunnen, ingeval de totale bebouwde oppervlakte van bijgebouwen groter is dan 70 m2, vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 2 teneinde vervangende nieuwbouw van bijgebouwen toe te staan, mits de bebouwde oppervlakte van deze vervangende nieuwbouw niet meer gaat bedragen dan aanwezig was, tot een maximum van 100 m2.Artikel 6 - Agrarisch gebied1. DoeleindenomschrijvingDe gronden met de bestemming "agrarisch gebied" zijn bestemd voor:a de uitoefening van het agrarisch bedrijf;[…].