Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:24

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-01-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 04-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:24, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201807822/1/V3 en 201808006/1/V3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:24:DOC

201807822/1/V3 en 201808006/1/V3.Datum uitspraak: 4 januari 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:
1. [de vreemdeling],appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 september 2018 in zaak nr. NL18.16462 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
en
2. de staatssecretaris,appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 september 2018 in zaak nr. NL18.17243 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Zaak nr. 201807822/1/V3 (hoger beroep vreemdeling)
Bij besluit van 5 september 2018 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 20 september 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F.W. Verbaas, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.
Zaak nr. 201808006/1/V3 (hoger beroep staatssecretaris)
Bij besluit van 14 september 2018 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 28 september 2018 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
In beide zaken
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1.    Bij besluiten van 4 september 2018 heeft een ambtenaar belast met de grensbewaking de vreemdeling de toegang tot Nederland geweigerd en hem een maatregel, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), opgelegd.
    De vreemdeling heeft op 5 september 2018 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij beslissing van 5 september 2018 heeft een ambtenaar belast met de grensbewaking krachtens artikel 3, vierde lid, van de Vw 2000 het besluit omtrent de weigering van toegang tot Nederland uitgesteld voor de duur van de behandeling van de aanvraag van de aanvraag in de grensprocedure. Bij besluit van 5 september 2018 heeft een ambtenaar belast met de grensbewaking de vreemdeling een maatregel, als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Vw 2000, opgelegd. Op 7 september 2018 heeft de vreemdeling tegen deze maatregel beroep ingesteld.
    Op 13 september 2018 heeft de gemachtigde een door de vreemdeling ondertekende verklaring ingezonden dat hij zijn aanvraag tot het verlenen van verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt. De staatssecretaris heeft de vreemdeling op 14 september 2018 over deze intrekking gehoord. De vreemdeling heeft vervolgens de verklaring tot intrekking van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning (model M53) ondertekend.
    Bij besluit van 14 september 2018 heeft een ambtenaar belast met de grensbewaking de vreemdeling een maatregel, als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 opgelegd. De vreemdeling heeft op 14 september 2018 tegen deze maatregel en het besluit van 4 september 2018 tot weigering van de toegang tot Nederland beroep ingesteld.
2.    Het wettelijke kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
In zaak nr. 201807822/1/V3 (hoger beroep vreemdeling)
3.    In beroep heeft de vreemdeling aangevoerd dat de weigering van de toegang bij besluit van 4 september 2018 op onjuiste gronden berust, zodat hem niet op die dag de maatregel, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de
Vw 2000, kon worden opgelegd.
    In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte deze  beroepsgrond niet in haar beoordeling heeft betrokken.
    Gelet op het bepaalde in artikel 84, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 95, eerste lid, van de Vw 2000 staat tegen een uitspraak van de rechtbank over het opleggen van een maatregel als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Vw 2000 geen hoger beroep open. De Afdeling is in zoverre kennelijk onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
4.    Hetgeen overigens in het hoger-beroepschrift is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
5.    Het hoger beroep is, voor zover de Afdeling bevoegd is daarvan kennis te nemen, kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
In zaak nr. 201807822/1/V3 (hoger beroep staatssecretaris)
Aangevallen uitspraak en grief
6.    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat de staatssecretaris een nieuw besluit tot weigering van de toegang had moeten nemen nadat de vreemdeling zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd had ingetrokken. Uit artikel 3, vierde lid, van de Vw 2000 volgt immers dat het reeds genomen besluit van 4 september 2018 tot weigering van de toegang is vervallen op het moment dat de vreemdeling zijn aanvraag had ingediend. De staatssecretaris kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat het besluit van 4 september 2018 van rechtswege is herleefd, aldus de rechtbank.
6.1.    In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat artikel 3, vierde lid, van de Vw 2000 niet is toegepast. De staatssecretaris wijst daartoe op de uitspraak van 7 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3283, waarin de Afdeling heeft overwogen dat door intrekking van de asielaanvraag een vreemdeling moet worden geacht nooit een zodanige aanvraag te hebben ingediend. Uit deze uitspraak volgt, zoals is vermeld in Werkinstructie 2018/3, dat de grensprocedure nimmer is toegepast, dat daarom de eerdere weigering van de toegang niet is vervallen en dat deze weigering evenmin is uitgesteld, aldus de staatssecretaris.
Ontvankelijkheid
7.    De vreemdeling betoogt dat het hoger beroep van de staatssecretaris niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
7.1.    Anders dan de vreemdeling betoogt, treedt de staatssecretaris met de grief niet buiten de grenzen van het geschil.
    Aan het besluit van 14 september 2018 tot het opleggen van de maatregel, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, heeft de ambtenaar belast met de grensbewaking ten grondslag gelegd dat de vreemdeling de toegang is geweigerd. Daarmee heeft deze ambtenaar volgens de staatssecretaris verwezen naar de weigering van de toegang bij besluit van 4 september 2018, die van rechtswege is herleefd na het door de vreemdeling intrekken van zijn aanvraag, zo volgt uit de aangevallen uitspraak. In hoger beroep blijft de staatssecretaris bij dat standpunt, ook al wordt dat standpunt uitgebreider toegelicht.
    Met deze toelichting heeft de staatssecretaris, anders dan de vreemdeling ook heeft betoogd, een grief geformuleerd.
7.2.    Het betoog faalt.
Beoordeling
8.    Artikel 3, vierde lid, van de Vw 2000 is gewijzigd bij Wet van 26 oktober 2016, houdende wijziging van de Vw 2000, de Awb en het Wetboek van Strafrecht in verband met rechtsbescherming bij toegangsweigering, uitzonderingen op de Terugkeerrichtlijn en het herstel van enkele wetstechnische gebreken (Stb. 2016, 415). Deze wet is op 1 januari 2017 (Stb. 2016, 550) in werking getreden.
    Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (TK 2015/2016, 34 128, nr. 7, pagina 7) volgt dat met deze wijziging de Vw 2000 wordt aangepast aan de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451. In overweging 6 van deze uitspraak heeft de Afdeling, samengevat, niet alleen overwogen dat een asielverzoek een eerder besluit tot weigering van de toegang doet vervallen, zodat het opschorten van de rechtsgevolgen van dat besluit moet worden opgevat als het uitstellen van een besluit over de toegang, maar ook dat de afwijzing van dat asielverzoek het eerdere besluit tot weigering van de toegang niet doet herleven.
8.1.    In het licht van de bewoordingen van artikel 3, vierde lid, van de Vw 2000 en de bedoeling van de wetgever leidt het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dus niet alleen tot het vervallen van een eerder besluit tot weigering van de toegang, maar ook tot het uitstellen van een besluit over de toegang. Het intrekken van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft - net als het afwijzen van een aanvraag in de grensprocedure - tot gevolg dat het uitgestelde besluit over de toegang moet worden genomen. Dat is dus een nieuw besluit tot weigering van de toegang. Het van rechtswege herleven van het eerdere besluit tot weigering van de toegang is niet aan de orde.
    De uitspraak van 7 december 2016 leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling heeft deze uitspraak gedaan voor de inwerkingtreding van de Wet van 26 oktober 2016 op 1 januari 2017 en deze uitspraak heeft dus betrekking op een ander wettelijk stelsel in de Vw 2000.
8.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris een nieuw besluit tot weigering van de toegang had moeten nemen nadat de vreemdeling zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd had ingetrokken en dat bij gebreke van een zodanig besluit de op 14 september 2018 opgelegde vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.
8.3.    De grief faalt.
9.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
10.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep in zaak nr. 201807822/1/V3 kennis te nemen, voor zover gericht tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag in zaak nr. NL18.16462 over een besluit op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vw 2000;
II.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
III.    bevestigt de aangevallen uitspraak in zaak nr. 201808006/1/V3;
IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep in deze zaak opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Van de Kolkvoorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2019
347. Bijlage
Vw 2000
    Artikel 3
1. In andere dan de in de Schengengrenscode geregelde gevallen, wordt toegang tot Nederland geweigerd aan de vreemdeling die:
a. niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel in het bezit is van een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum ontbreekt;
b. een gevaar oplevert voor de openbare orde of nationale veiligheid;
c. niet beschikt over voldoende middelen om te voorzien zowel in de kosten van verblijf in Nederland als in die van zijn reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang gewaarborgd is, of
d. niet voldoet aan de voorwaarden die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zijn gesteld.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de weigering van toegang op grond van deze wet of ter uitvoering van de Schengengrenscode.
3. Indien een vreemdeling aan de grens te kennen geeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 te willen indienen, wordt de aanvraag in de grensprocedure getoetst aan:
a. de grond voor het niet in behandeling nemen als bedoeld in artikel 30;
b. de gronden voor niet-ontvankelijkverklaring, genoemd in artikel 30a; en
c. de gronden voor afwijzing wegens kennelijke ongegrondheid, genoemd in artikel 30b.
4. Indien de grensprocedure wordt toegepast, wordt een besluit omtrent de weigering van toegang tot Nederland uitgesteld voor ten hoogste vier weken. Een reeds genomen besluit tot weigering van toegang tot Nederland vervalt met ingang van het tijdstip waarop de vreemdeling aan de grens te kennen geeft een aanvraag als bedoeld in het derde lid te willen indienen.
5. De vreemdeling wordt onverwijld in kennis gesteld van het uitstel van het besluit tot weigering van toegang tot Nederland.
6. Indien een aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling wordt genomen, niet ontvankelijk wordt verklaard of wordt afgewezen als kennelijk ongegrond, wordt daarbij onmiddellijk de toegang tot Nederland geweigerd op grond van artikel 14 van de Schengengrenscode.
[…].
    Artikel 6
1. De vreemdeling aan wie toegang is geweigerd kan worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats.
2. Een ruimte of plaats, bedoeld in het eerste lid, kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
3. De vreemdeling wiens aanvraag overeenkomstig artikel 3, derde lid, wordt behandeld in de grensprocedure, kan eveneens worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats, die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
[…].
6. Onze Minister kan de maatregel, bedoeld in het eerste en tweede lid, opleggen aan de vreemdeling wiens aanvraag als bedoeld in artikel 28 in de grensprocedure is afgewezen indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert.
    Artikel 84
In afwijking van artikel 8:104, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht staat geen hoger beroep open tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank:
a. over een besluit of handeling op grond van artikel 6, eerste lid, artikel 6a, hoofdstuk 4 of hoofdstuk 5;
[…].
    Artikel 94
1. Uiterlijk op de achtentwintigste dag na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 6, 6a, 58, 59, 59a en 59b, stelt Onze Minister de rechtbank hiervan in kennis, tenzij de vreemdeling voordien zelf beroep heeft ingesteld. Zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen wordt de vreemdeling geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
[…].
5. De rechtbank doet mondeling of schriftelijk uitspraak. De schriftelijke uitspraak wordt binnen zeven dagen na de sluiting van het onderzoek gedaan. In afwijking van artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de in dat artikel bedoelde termijn niet worden verlengd.
[…].
    Artikel 95
1. In afwijking van artikel 84, onder a, staat tegen de uitspraak van de rechtbank, bedoeld in artikel 94, vijfde lid, hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
[…].