Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:2338

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-07-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 10-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:2338, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201806979/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:2338:DOC

201806979/1/A1.Datum uitspraak: 10 juli 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te Tilburg,tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 juli 2018 in zaak nr. 18/741 in het geding tussen:[appellant]enhet college van burgemeester en wethouders van Tilburg.ProcesverloopBij besluit van 21 april 2017 heeft het college aan het Bisdom ’s-Hertogenbosch (hierna: het Bisdom) een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een klokkenstoel aan de voorzijde van de Maranathakerk aan de Professor Cobbenhagenlaan 17 te Tilburg (hierna:het perceel).Bij besluit van 9 januari 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 20 juli 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2019, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. J.M.B. van Overdijk, zijn verschenen.Overwegingen    Inleiding1.    Het bouwplan voorziet in de bouw van een klokkenstoel aan de voorzijde van de kerk. De klokkenstoel is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Reit 2007", omdat de maximumbouwhoogte wordt overschreden.    Om het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), gelezen in samenhang met artikel 3.17.2 van de planvoorschriften.    [appellant] woont aan de overkant van het perceel. Hij kan zich niet verenigen met de verleende omgevingsvergunning en stelt geluidhinder te ondervinden van het klokgelui.2.    De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage van deze uitspraak.Hoger beroep3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het gebruik van de kerkklok leidt tot een onevenredige aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Hij stelt geluidhinder te ondervinden van het luiden van de kerkklok bij uurslagen en voor de oproeping tot viering van een kerkelijke plechtigheid. Er bestaan andere mogelijkheden voor de godsdienstige oproeping dan het luiden van kerkklokken. Voor het kleppen op uurslagen bestaat zelfs geen enkele noodzaak, aldus [appellant].3.1.    Het bouwplan van de klokkenstoel voorziet in een bouwwerk met een hoogte van bijna 5 meter. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan uitsluitend voor dit onderdeel in strijd is met het bestemmingsplan en daarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is vereist. Evenmin is in geschil dat het college bevoegd is om met toepassing van een zogenoemde binnenplanse afwijkingsregeling als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 3.17.2 van de planvoorschriften, omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van de maximale bouwhoogte.    Zoals volgt uit het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo en zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 19 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1957), kan de omgevingsvergunning bij toepassing van een zogenoemde binnenplanse afwijkingsregeling slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast geldt dat het college bij zijn besluitvorming over een aanvraag als hier aan de orde beleidsruimte heeft. Dat betekent dat het college, indien de activiteit niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening is, de keuze heeft om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. De rechter toetst of het college bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.3.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1448, wordt het klokgelui om kerkgangers op te roepen voor de dienst aangemerkt als een door artikel 6 van de Grondwet beschermde uiting tot het belijden van godsdienst. De stelling van [appellant] dat er andere mogelijkheden zijn tot oproeping voor de viering van een kerkelijke plechtigheid dan het luiden van kerkklokken miskent dat het college niet de bevoegdheid heeft om deze vorm van klokgelui geheel te verbieden. Het college heeft klokgelui ter gelegenheid van godsdienstige plechtigheden en het belijden van godsdienst dan ook terecht buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouw van de klokkenstoel in afwijking van het bestemmingsplan.    Niet-godsdienstige uitingen zoals de tijdsaanduiding door kerkklokken heeft het college wel bij de belangenafweging betrokken. De afstand van de klokkenstoel tot de woning van [appellant] bedraagt blijkens de verbeelding meer dan 30 m, waardoor aan de richtafstand van 30 m voor geluid van de bij het bestemmingsplan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten (bijlage 1) voor kerkgebouwen wordt voldaan. Naar aanleiding van het bezwaarschrift van [appellant] heeft het Bisdom medio 2017 de hamer van de klok aangepast en de afstelling van de klok bijgesteld. Uit nadien verrichte geluidmetingen is volgens het college gebleken dat het geluidniveau van de uurslag ten tijde van het besluit op bezwaar van 9 januari 2018, veroorzaakt op de gevels van de dichtstbijzijnde woningen, bleef binnen het maximale geluidniveau (LAmax) van 70 dB(A) voor de dagperiode van het Activiteitenbesluit milieubeheer. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze uitkomst onjuist is. Hij heeft evenmin bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat met inachtneming van voornoemde richtafstand van 30 m in zoverre geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse kan worden gewaarborgd. Indien het luiden van de kerkklok bij uurslagen leidt tot overschrijding van het maximale geluidniveau (LAmax) van het Activiteitenbesluit milieubeheer betreft dat een kwestie van handhaving die in deze procedure niet aan de orde kan komen. Voor het oordeel dat de tijdsaanduiding door kerkklokken in de huidige tijd niet nodig is, zoals [appellant] stelt, is geen plaats. In aanmerking genomen dat het bouwplan slechts wat betreft de hoogte van de klokkenstoel in strijd is met het bestemmingsplan, maakt het bouwplan, zoals het college terecht heeft overwogen, een geringe inbreuk op het bestemmingsplan. [appellant] heeft niet gesteld dat hij in zijn belangen wordt geraakt door de overschrijding van de maximumbouwhoogte van de kerkstoel als zodanig. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het ruimtelijk aspect van de overschrijding van de maximale bouwhoogte en de gevolgen daarvan voor het woon- en leefklimaat van [appellant] relatief beperkt zijn. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het verlenen van de vergunning niet alleen in het belang is van het Bisdom, maar ook van de parochianen. Die belangen heeft het college ook mee mogen laten wegen. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid een groter gewicht heeft mogen toekennen aan de belangen die zijn gebaat bij verlening van de omgevingsvergunning dan aan de belangen van [appellant] bij weigering daarvan.    Het betoog faalt.4.     Voor het overige heeft [appellant] in het hogerberoepschrift in algemene zin verzocht de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden als herhaald en ingelast te beschouwen. Op die gronden is de rechtbank in de aangevallen uitspraak ingegaan. [appellant] heeft in het hogerberoepschrift, behoudens hetgeen hiervoor is besproken, geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die gronden en argumenten in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig is.    Het betoog faalt.Conclusie5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.w.g. Drop    w.g. Soedelid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 10 juli 2019270-908. Bijlage Wet algemene bepalingen omgevingsrechtArtikel 2.11. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:a. het bouwen van een bouwwerk,b. […];c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […].Artikel 2.101. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:[…]b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening […]."c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan […];2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.Artikel 2.121. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking[…]GrondwetArtikel 61.    Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.2.    De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkhedenWet openbare manifestatiesArtikel 10Klokgelui ter gelegenheid van godsdienstige en levensbeschouwelijke plechtigheden en lijkplechtigheden, alsmede oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, zijn toegestaan. De gemeenteraad is bevoegd ter zake regels te stellen met betrekking tot duur en geluidsniveau.Bestemmingsplan "Reit 2007"Ingevolge het bestemmingsplan hebben de gronden de bestemming "Maatschappelijk"(M) met als perceelgerichte bestemming "Kantoren" (K) en "Religieuze instellingen" (re-).Artikel 3.17.1 AlgemeenMet uitzondering van gronden gelegen binnen de bestemming "V", "V+", "VW" en "VR" mogen de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd:[…]b. andere bouwwerken, geen gebouw zijnd als genoemd onder a en b tot een maximale hoogte van 2.50 m.Artikel 3.17.2 VrijstellingBurgemeester en wethouders kunnen met in achtneming van de procedurevoorschriften in 30.1 vrijstelling verlenen ten behoeve van de in artikel 3.17.1 vastgelegde hoogten.Artikel 25.1.1 FunctiesDe gebieden die op de plankaart zijn aangegeven als: "M" zijn bestemd voor de navolgende functies zoals nader omschreven in artikel 7: maatschappelijke instellingen.Artikel 25.1.3 Perceelsgerichte bestemmingenVoor zover een binnen de bestemming "M" gelegen bouwperceel op de plankaart tevens is aangegeven met een of meer van de navolgende perceelsgerichte bestemmingen, is het betreffende bouwperceel tevens bestemd voor de daarbij aangegeven functie zoals nader omschreven in artikel 7:-    religieuze instellingen (-re).[…]Artikel 25.1.4a.    Voor de binnen de bestemming "M" gelegen perceelsgerichte bestemmingen bedraagt de maximaal toelaatbare hindercategorie uit de bijgevoegde Bedrijvenlijst zoals aangegeven op de plankaart.[…].