Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:2330

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-07-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 10-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:2330, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201802716/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:2330:DOC

201802716/1/A1.Datum uitspraak: 10 juli 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant A], [appellant B], [appellant C] en anderen, wonend te Lichtenvoorde, gemeente Oost Gelre,appellanten,tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 februari 2018 in zaak nr. 17/4538 in het geding tussen:[appellant A], [appellant B] en anderenenhet college van burgemeester en wethouders van Oost Gelre.ProcesverloopBij besluit van 9 juni 2016 heeft het college het verzoek van [appellant A], [appellant B] en vier anderen om handhavend op te treden tegen geurhinder veroorzaakt door de inrichting van [bedrijf A] en [bedrijf B] (hierna: [bedrijven]) aan de [locatie] te Lichtenvoorde, afgewezen.Bij afzonderlijke besluiten van 27 juli 2017 heeft het college de door [appellant A] en [appellant B] en de door [appellant C] en 49 anderen elk afzonderlijk daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 28 februari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant A], [appellant B], [appellant C] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard voor zover het beroep is ingesteld door [appellant A] en [appellant B], en niet-ontvankelijk verklaard voor zover het beroep is ingesteld door [appellant C] en de 49 anderen. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak hebben [appellant A], [appellant B], [appellant C] en anderen hoger beroep ingesteld.Het college en [bedrijven] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.[appellant A], [appellant B], [appellant C] en anderen hebben nadere stukken ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2019, waar [appellant A], bijgestaan door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Twello, en het college, vertegenwoordigd door ing. A. Vos, M.H.J. Reintjes en ing. J.R. Berentsen, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [bedrijven], vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Nijmegen, en [gemachtigde], gehoord.Overwegingen1.    [bedrijven] drijven aan de [locatie] te Lichtenvoorde een inrichting voor het looien en bewerken van leer en het produceren van proteïnevezel. [appellant A], [appellant B], [appellant C] en anderen wonen in de omgeving van de inrichting en ondervinden geurhinder van de inrichting.Op 8 mei 2015 hebben [appellant A], [appellant B] en vier anderen het college verzocht om handhavend op te treden tegen de inrichting van [bedrijven] wegens overtreding van de voorschriften 4.1 tot en met 4.10 van de voor de inrichting geldende omgevingsvergunning. Deze vergunning is op 21 februari 2001 krachtens de Wet milieubeheer verleend. Op 28 mei 2002 heeft het college de voorschriften van deze vergunning gewijzigd.1.1.    Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 9 juni 2016 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen. Het college heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat wordt voldaan aan alle vergunningvoorschriften, behalve voorschrift 4.9 voor zover daarin is bepaald dat er een aarden wal met begroeiing rondom het bedrijf moet worden opgetrokken. Het college stelt zich op het standpunt dat handhavend optreden tegen het ontbreken van de aarden wal onevenredig is, omdat uit onderzoek is gebleken dat een aarden wal nauwelijks een effect heeft op de geurbelasting. Daarbij betrekt het college onder meer dat een aarden wal ook niet als beste beschikbare techniek voor het beperken van geurhinder wordt beschouwd.Het hoger beroep van [appellant C] en anderen2.    [appellant C] en anderen betogen dat de rechtbank hun beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er aan het beroepschrift geen lijst is gehecht met de namen van degenen namens wie het beroep werd ingesteld. Volgens hen is in het beroepschrift voldoende duidelijk gemaakt welke personen werden bedoeld, doordat werd verwezen naar de namen van degenen die bezwaar hebben gemaakt zoals vermeld onder C in het advies van de bezwaarschriftencommissie.Zij betogen verder dat de rechtbank ten onrechte van belang heeft geacht dat er geen machtigingen van deze personen in het geding zijn gebracht. Omdat het beroepschrift is ingediend door een advocaat, waren volgens hen geen machtigingen nodig.2.1.    De rechtbank heeft het beroep van [appellant C] en anderen niet-ontvankelijk verklaard, omdat volgens haar niet vaststond dat zij beroep hadden willen instellen. Daartoe overweegt de rechtbank dat de identiteit van degene(n) namens wie beroep wordt ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn. Vervolgens overweegt de rechtbank dat er aan het beroepschrift geen lijst is gehecht met daarop de namen van [appellant C] en anderen en dat er geen machtigingen van hen in het geding zijn gebracht.In het beroepschrift staat dat het beroep mede wordt ingediend namens [appellant C] tot en met [appellant D], waarbij wordt verwezen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie onder C. Dit advies maakt onderdeel uit van het besluit van 27 juli 2017, waarvan een afschrift is meegezonden met het beroepschrift. Onder C in het advies staat een opsomming van de personen die een bezwaarschrift hebben ingediend tegen het besluit van 9 juni 2016. Onder 1 staan [appellant A] en [appellant B], onder 2 staat [appellant C] en daarna onder 3 tot en met 51 de anderen, eindigend met [appellant D]. Hoewel in het beroepschrift niet alle namen van [appellant C] en anderen zijn genoemd en bij het beroepschrift geen aparte lijst is gevoegd met namen van degenen namens wie beroep werd ingesteld, was door de verwijzing naar de opsomming van namen in het advies van de bezwaarschriftencommissie duidelijk kenbaar namens wie beroep werd ingesteld.Uit het beroepschrift blijkt verder duidelijk dat het is ingediend door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat bij De Mul Zegger Advocaten en Notarissen. In artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat de bestuursrechter van een gemachtigde een schriftelijke machtiging kan verlangen. In het derde lid is bepaald dat het tweede lid niet van toepassing is ten aanzien van advocaten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 20 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BE8847, moet er, gelet op het derde lid van artikel 8:24, van worden uitgegaan dat de hoedanigheid van advocaat er borg voor staat dat degene namens wie hij in rechte optreedt hem daartoe heeft gemachtigd. Dit betekent dat de rechtbank, ondanks het ontbreken van machtigingen, ervan had moeten uitgaan dat [appellant C] en anderen Kobossen hadden gemachtigd om namens hen in rechte op te treden. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat vanwege het ontbreken van machtigingen niet vaststond dat [appellant C] en anderen beroep hadden willen instellen.Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte het beroep van [appellant C] en anderen niet-ontvankelijk verklaard.Het betoog slaagt.3.    Het hoger beroep van [appellant C] en anderen is gegrond.4.    De beroepsgronden van [appellant C] en anderen zijn door de rechtbank wel inhoudelijk besproken en beoordeeld omdat ze overeenkomen met de gronden van het beroep van [appellant A] en [appellant B].Voorzover in hoger beroep het inhoudelijk oordeel van de rechtbank is betwist, zal dat hierna bij het bespreken van de hogerberoepsgronden van [appellant A] en [appellant B] aan de orde komen.Het hoger beroep van [appellant A] en [appellant B]5.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank in haar oordeel dat het college in redelijkheid kon afzien van handhavend optreden, ten onrechte de geurhinder voor de omwonenden, de hoeveelheid klagers, de waardevermindering van de woningen in de omgeving en de duur van de overtreding niet heeft meegewogen.5.1.    Aan het oordeel van de rechtbank dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat handhavend optreden tegen het ontbreken van de voorgeschreven aarden wal onevenredig is, ligt onder meer ten grondslag dat de aanleg van de aarden wal de geurhinder niet noemenswaardig zal verminderen. Anders dan [appellant A] en [appellant B] stellen, heeft de rechtbank de geurhinder voor de omwonenden wel betrokken in haar oordeel. Omdat de aarden wal niet zal leiden tot een vermindering van de geuroverlast voor omwonenden, zijn de omstandigheden dat veel omwonenden geurhinder ondervinden en dat zij vrezen dat hun woning daardoor in waarde is verminderd, niet van belang voor dat oordeel. De tijdsduur dat de aarden wal opgetrokken had moeten zijn, speelt ook geen rol bij het oordeel dat het alsnog afdwingen daarvan onevenredig is.Het betoog faalt.6.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat het besluit van 28 mei 2002, waarbij voorschrift 4.9 aan de vergunning voor de inrichting is verbonden, onrechtmatig is, omdat niet de vergunninghouder, maar de gemeente eigenaar was van de grond waarop de aarden wal gerealiseerd zou moeten worden.6.1.    Het besluit van 28 mei 2002 staat niet ter beoordeling in deze procedure over de afwijzing van het handhavingsverzoek van onder meer [appellant A] en [appellant B]. Dit betekent dat de Afdeling dit betoog daarover buiten beschouwing laat.7.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat zij het rapport "Second opinion geuronderzoek [bedrijven] te Lichtenvoorde" van Buro Blauw van 21 april 2017, waarin staat dat de aarden wal nauwelijks een effect op de geurbelasting heeft, betwisten. Daarnaast betogen zij dat de inrichting niet voldoet aan het Gelders geurbeleid.7.1.    [appellant A] en [appellant B] hebben deze betogen niet aangevoerd bij de rechtbank. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom [appellant A] en [appellant B] deze betogen niet al bij de rechtbank hadden kunnen aanvoeren, terwijl zij dat uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen, gelet op de functie van het hoger beroep, hadden moeten doen, laat de Afdeling deze betogen buiten beschouwing.8.    Het hoger beroep van [appellant A] en [appellant B] is ongegrond.Conclusie9.    Zoals hiervoor onder 3 en 8 is overwogen, is het hoger beroep gegrond, voor zover het is ingesteld door [appellant C] en anderen, en ongegrond, voor zover het is ingesteld door [appellant A] en [appellant B]. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep, voor zover ingesteld door [appellant C] en anderen, niet-ontvankelijk is verklaard. De aangevallen uitspraak moet voor het overige worden bevestigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep, voor zover ingesteld door [appellant C] en anderen, alsnog ongegrond verklaren.10.    Het college moet op na te melden wijze worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van het hoger beroep.11.    De griffier van de Raad van State zal aan [appellant A], [appellant B], [appellant C] en anderen het door hen betaalde griffierecht voor het hoger beroep terugbetalen.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant C] en anderen, gegrond;II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 februari 2018 in zaak nr. 17/4538, voor zover daarin het beroep, voor zover ingesteld door [appellant C] en anderen, niet-ontvankelijk is verklaard;III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep, voor zover ingesteld door [appellant C] en anderen, ongegrond;IV.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oost Gelre tot vergoeding van bij [appellant A], [appellant B], [appellant C] en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;VI.    verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellant A], [appellant B], [appellant C] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 253,00 (zegge: tweehonderddrieënvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.w.g. Van der Beek-Gillessenlid van de enkelvoudige kamerDe griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2019687.